13 jaar geleden

De Gouden kandelaar (8)

 Juist die mensen die de strijd van God strijden, ondervinden vaak de grootste moeilijkheden op hun weg en er is veel in de wijze waarop hun leven wordt geleid, dat hun onbegrijpelijk is ….. Er is geen diepere rust dan die van een hart dat in heel veel verdriet geleerd heeft Hem volkomen te vertrouwen en met volle instemming in te gaan op Gods wil – wat die ook van ons mag vragen …..

Het leven in de Geest (5)

Hoofdstuk 3 (vervolg)

Wye 1 - Stilte

Bidt krachtig verder

Aanhoudend, volhardend smeken betekent dat u niet ophoudt te roepen tot de Heer voordat er volkomen verhoring is. Steeds weer komt u tot de troon der genade tot u het volle antwoord, de volle hulp hebt ontvangen. Dat mogen we leren uit de geschiedenis van de weduwe in Lukas 18. Ieder gebed van ons, ook als het nu nog niet in vervulling is gegaan, is van waarde en van belang. Als de maat van onze gebeden voor iemand of iets vol is, tellen zij alle mee en de verhoring is er. Ook al duurt het vaak heel lang, toch wordt het een amen!

Voor mij zie ik een ouderwetse brievenweger met twee schaaltjes. Aan de ene kant leg ik een gewicht, aan de andere kant het ene kaartje op het andere. De weegschaal beweegt zich niet. De kaartjes hebben ogenschijnlijk geen enkele invloed. Maar opeens slaat de schaal door. Het vierentwintigste of vijfentwintigste kaartje heeft de doorslag gegeven. Het gewicht gaat omhoog, de overwinning is behaald! Waren de eerste drieëntwintig kaartjes voor niets? Hebben zij door hun gewicht niet meegeholpen de schaal te doen doorslaan? Zo is het ook met de vele gebeden die wij al opgezonden hebben tot God. Ze helpen alle mee (1 Koningen 18:41-46).

Men moet zich oefenen in het gebed en in het gebedsleven en zich door Gods Geest daarin laten opvoeden. Wie in een bepaalde kunst, bijvoorbeeld pianospelen, een vaardigheid wil bereiken die boven het middelmatige uitgaat, die moet zeer energiek en volhardend oefenen. Het is noodzakelijk iedere dag met dezelfde oefeningen te beginnen en verder te gaan tot men ze zich volkomen eigen gemaakt heeft. En dan komt er een nieuwe, moeilijker les.

Deze ervaringen mogen wij toepassen op het geestelijk leven: heel ernstig willen wij ons oefenen in het naderen tot God – in het smeken tot Hem. Het gebed is ons machtigste wapen in de strijd voor God en voor andere zielen, maar het is heel smartelijk dat het ook het wapen is waarin het volk van God het minst geoefend is. Aan de jonge Christenen in Thessalonika schrijft Paulus: “Bidt zonder ophouden”, dat wil zeggen regelmatig, zonder het vandaag of morgen te onderbreken. De profeet Daniël is ons daarin tot voorbeeld. Driemaal daags zocht hij het aangezicht van God. Hij aarzelde niet om voor de ambtenaren in het ministerie van het heidense wereldrijk dringende werkzaamheden te laten liggen en zich terug te trekken voor gebed. Hij beschouwde het gebed als de hoogste dienst voor God (Daniël 6:1-29).

Een strijd van een geestelijke macht tegen geestelijke machten

Als wij doorgaan in het gebedsleven, in de gemeenschap met onze Heer die in de hemel troont, dan wordt ons bidden steeds meer een strijd van een geestelijke macht tegen geestelijke machten – namelijk tegen de boze machten in de hemelse gewesten (Efeze 6:10-20). Wat is daar een innerlijke kracht voor nodig! Wij kunnen ons die kracht alleen stap voor stap eigen maken als wij dagelijks verder gaan op de weg van heiliging, vertrouwen en gebed.

Ons bidden kan en moet vaak een geestelijk gevecht van man tegen man worden tussen ons en de vijand. Beide partijen – de gebedsstrijder en de vijand – worstelen hevig om de overhand te krijgen. De strijd voltrekt zich in alle stilte – in een binnenkamer hier en daar – in de onzichtbare wereld. Alleen de bidders die met een heilige energie door alle hindernissen heendringen tot heel dicht bij Gods troon, stuiten op deze duistere machten, maar zij leren ook de geestelijke wapens werkelijk te gebruiken. David zei van God: “Die mijn handen oefent ten strijde, mijn vingers tot de krijg, zodat mijn armen een koperen boog spannen” (Psalm 18:35; 144:1). “lk vervolgde mijn vijanden … en liet niet af, eer ik hen had vernietigd” (2 Samuël 22:38). Wie kan zeggen hoeveel er in zo’n strijd afhangt van heilige volharding?

Het is in onze tijd van het allergrootste belang dat we begrijpen wat gebedsleven is, van dit gezichtspunt bezien. Anders begrijpen we niet waarom de duivel alles in het werk stelt om ons worstelen in de geest te verijdelen. Hij zegt: “Vandaag kun je maar heel kort bidden!” Of: “Vandaag kun je niet bidden!” U wordt weggeroepen wanneer u juist begonnen bent de gebedsstrijd op te nemen. Door een onverwacht bezoek, door een telefoongesprek, door een werkman of door iets anders, wat dan ook, wordt u gestoord. De duivel vindt geen middel te goed en geen middel te slecht als Hij daardoor de gebedsstrijder van de strijd kan weerhouden of zijn kracht kan verzwakken. “Biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen” (Jakobus 4:7-8).

Over de bedoelingen van de vijand tasten wij niet in het duister

“O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik” (Psalm 63:2). Wie niet op de hoogte is van de listen van de vijand beschouwt het alleen maar als toeval of misschien zelfs als een aanwijzing van God, als wij gestoord worden in het gebed. Maar wij moeten zeggen: “Over de bedoelingen van de vijand tasten we niet in het duister”. Wij doorzien zijn bedoelingen en laten ons niet zo gemakkelijk weerhouden, ook als onze naaste familieleden ons in deze dingen niet begrijpen. Liever nemen we de tijd voor ons gebed in de vroege morgen om zo mogelijk niet te worden gestoord. Voor de meeste gebedsstrijders is het het beste en is het ook werkelijk noodzakelijk om ‘s morgens vroeg op te staan en van ganser harte het aangezicht van de Heer te zoeken. Maar dat brengt met zich mee dat wij de moed moeten hebben om ons ‘s avonds tijdig terug te trekken, zodat we dan ‘s morgens God fris en uitgerust kunnen ontmoeten. In ieder geval moeten we die tijd van de dag voor het stil worden voor de Heer bestemmen, die in onze omstandigheden de gunstigste is (Psalm 63:1-8).

Niet het minst ligt het geheim van kracht en overwinning, ook in de tijd die we nemen voor het gebed. Onze korte gebeden in het openbaar en bij het gemeenschappelijk bidden met gelovigen, hebben hun kracht te danken aan het langdurig voor het aangezicht van de Heer zijn in het verborgene. Het is niet mogelijk God in korte tijd goed te leren kennen en Zijn vriend te worden. Wie Hem in waarheid wil leren kennen en voor Zijn troon gehoor wil vinden, moet veel alleen zijn met de Heer en met Zijn Woord.

God buigt Zich genadig neer tot die volharding en vrijmoedigheid, die uitsluitend het kenmerk zijn van het krachtige geloof. De Heer Jezus zegt: “Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar” (Mattheüs 11:12). Wie voor God iets wil veroveren, moet die heilige energie bezitten waarvan David zegt: “Want om Uwentwil draag ik smaad, bedekt schaamte mijn gelaat. Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder; want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd” (Psalm 69:8-10).

De hoogste en heiligste dingen kunnen alleen maar met een brandende ijver en met inspanning van alle krachten van de nieuwe natuur verkregen worden. Alleen die strijders voor God die vastbesloten voorwaarts trekken en met Goddelijke ijver bezield zijn, zullen grote dingen voor God doen hier in de wereld. Maar het is dan zaak de spot van de mensen gering te achten en ook vervreemding van menige broeder en zuster te aanvaarden en hun onbegrip of hun afkeuring in stilte te verdragen. Luther zegt ergens: “lk heb liever dat de wereld vertoornd op mij is dan God!” Van Hanna, de moeder van Samuël, lezen wij: “Hanna bleef lang bidden voor het aangezicht des Heren”. De hogepriester Eli begreep het niet, Hij dacht dat ze dronken was en berispte haar. God waardeerde haar en verhoorde haar op wonderbare wijze (1 Samuël 1:9-18).

Tot elke prijs het overwinnings-gebed bidden

David kende de gebedsstrijd en hij voerde die strijd onder nameloos lijden en grote moeilijkheden. Hij rustte niet voordat hij tot de volkomen overwinning was doorgedrongen. Hij kende het geheim van de overwinning, terwijl hem ook de verborgen oorzaak van de nederlagen niet onbekend was. Hij wist er iets van hoe belangrijk het voor hem was in de schuilplaats van de Allerhoogste te blijven en al de dagen van zijn leven te verblijven in het Huis des Heren. Zo ervoer hij dat hij geborgen was in het verborgene van Zijn tent en hoog op een rots van uitredding werd geplaatst (Psalm 27:1-6).

Als wij in de geest in de tegenwoordigheid van God komen, zien we mensen en toestanden zoals God ze ziet en zo zullen wij naar Gods gedachten kunnen bidden, omdat het verlangen van de Heilige Geest ons deel wordt (Romeinen 8:26, 27).

Juist die mensen die de strijd van God strijden, ondervinden vaak de grootste moeilijkheden op hun weg en er is veel in de wijze waarop hun leven wordt geleid, dat hun onbegrijpelijk is. Tot zij binnengaan in Gods heiligdom. Al is het onder groot verdriet en veel vrees, ze kunnen nu stil worden en uit het diepst van hun hart eenswillend zijn met God en Zijn wil (Psalm 73:1-28). Ze kunnen evenals de Heer Jezus in de moeilijkste dagen “lk loof U, Vader, Heer van hemel en aarde … Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen” (Lukas 10:21; Leidse vertaling) en daarmee betreden zij een volgend gedeelte van de weg van Goddelijke opvoeding. Hoewel hun omstandigheden nog even droevig en moeizaam zijn als voorheen openen zich mogelijkheden en perspectieven voor hen met betrekking tot de heerlijkheid van Goddelijke leiding, die zij niet vermoed hadden! Steeds heiliger en steeds persoonlijker wordt voor zulke bidders datgene, wat hun hemelse Heer en Verlosser in Zijn liefde en heerlijkheid voor hen is. Ze kennen Hem in de diepste duisternis en in de grootste moeilijkheden als hun heil. Ze ervaren Hem op wonderbare wijze als de kracht van hun leven. Een heilige onbevreesdheid is hun kenmerk; met hun God wagen zij alles! “Onze ziel verwacht de Here, Hij is onze hulp en ons schild. Ja, in Hem verheugt zich ons hart, ja, op Zijn heilige naam vertrouwen wij” (Psalm 33:20, 21). “Roepen zij, dan hoort de Here, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden” (Psalm 34:18).

Neemt Mijn juk op u en leert van Mij

Toen juist die steden waar Jezus de meeste van Zijn wonderen had gedaan Hem verwierpen, kon Hij met diep verdriet het feit dat God dit toeliet, uit Zijn hand aannemen. Het was een diepe vreugde voor Zijn ziel op dat moment Zijn volste vertrouwen aan de Vader te betuigen: “Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U” (Lukas 10:12-22).

Hier kwam tot uiting hoe hoog de Zoon door de Vader werd geacht en tevens was dit de heerlijkste openbaring van de Vader door de Zoon: “Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren” (Mattheüs 11:27). En nu, nadat zij die in aanzien waren onder het Israëlitische volk, de Heer Jezus al volkomen hadden afgewezen, was er voor Hem de mogelijkheid diegenen aan Zijn hart te trekken en tot Zijn heerlijkheid te roepen, naar wie Hij het allermeest verlangde: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht” (Mattheüs 11:28-30).

Voor het bidden in de Geest ligt er in deze woorden van onze Heer, vooral in de houding die Hij innerlijk aanneemt tegenover deze teleurstelling, een zeer diepgaande les. Hij gaat de weg van een groot lijden, maar is innerlijk volkomen stil. Wij zien Zijn voetstappen en mogen Hem rechtstreeks navolgen, om evenals Hij de Vader te verheerlijken en ook bij teleurstellingen een heilig zaad uit te strooien.

Wat gaat dan de belofte van Jezus op heerlijke wijze voor ons in vervulling: “En gij zult rust vinden voor uw zielen”. Er is geen diepere rust dan die van een hart dat in heel veel verdriet geleerd heeft Hem volkomen te vertrouwen en met volle instemming in te gaan op Gods wil – wat die ook van ons mag vragen. Een praktische uitbeelding van deze innerlijke houding zien we bij Abraham in Genesis 22. De gehoorzaamheid van Zijn knecht werd door Gods gebod zwaar op de proef gesteld. Abrahams onwrikbaar vertrouwen – zijn diepe, ootmoedige gehoorzaamheid – heeft de proef doorstaan. God kon zeggen: “Nu weet Ik dat gij Mij vreest en dat gij Mij ook dat, wat u het dierbaarste is, niet hebt onthouden.

(wordt D.V. vervolgd)

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello, van der Duyn van Maesdamstraat 89, 7391 VK Twello. Het wordt op aanvraag gratis toegezonden en heeft geen abonnementsprijs. Doel van deze publicaties is: Gods volk in onze tijd bewust te maken van de hemelse roeping van de gemeente van Jezus Christus, opdat Hij bij Zijn komst een toebereide bruid zal vinden.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM