4 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (21)

Handelingen 9 vers 1-17

 

Vers 1-2

Vanaf het moment dat de getuigen, die Stéfanus hadden gestenigd, hun klederen aan zijn voeten hadden neergelegd (Hand. 7:58), was de haat van Saulus jegens de gelovigen toegenomen. Onmiddellijk begon hij de gemeente te vervolgen, waarbij hij zowel mannen als vrouwen wegsleepte en hen overleverde in de gevangenis (Hand. 8:3). De daaruit voortvloeiende verspreiding van het werk gaf zijn haat nieuwe voeding. Hij maakte zich nu tot dienaar van de vijandige godsdienstige leiders en vervolgde de gelovigen buiten Jeruzalem. Terwijl Saulus dreigingen en moord blies tegen de discipelen van de Heer, ging hij zelf naar de hogepriester en verzocht hem brieven naar Damascus te sturen naar de synagogen, opdat zowel mannen als vrouwen die Jezus beleden, gebonden naar Jeruzalem zouden worden geleid. Het is verschrikkelijk te zien hoe snel het kwaad voortschrijdt, en hoe onverzoenlijk de haat van religieuze mensen kan zijn. Maar tegen de raad van God kan het niets uitrichten.

Wij hebben reeds vastgesteld, dat Saul op het toneel kwam juist op het ogenblik dat het volk der Joden, door het getuigenis van de Heilige Geest over de verheerlijkte Christus te verwerpen, alle betrekking tot God had verbroken, en door de moord op Stéfanus te verstaan gaf: “Wij willen niet dat deze over ons regeert” (verg. Luk. 19:14). Nu konden de raadsbesluiten van God betreffende Zijn gemeente worden geopenbaard. Maar God gebruikte de twaalf apostelen niet voor dit doel. Tot dit ambt riep Hij de grote vervolger van de gemeente, die pas was gevormd sinds de nederdaling van de Heilige Geest. Saul moest aan de gemeente haar hemelse positie bekend maken en haar vereniging met een Christus, Die op aarde verworpen was, maar in de hemel verheerlijkt en Die opnieuw in heerlijkheid zou verschijnen.

Wat de bediening van de drie grote apostelen kenmerkt, is de manier waarop zij de Heer gezien hebben. Petrus en Johannes zagen Hem op aarde, Paulus in heerlijkheid. Petrus had tot dan toe gepredikt, dat Jezus de Christus was. Saul moest Hem nu prediken als de Zoon van God (vs. 20). De Heer liet Saulus in zijn haat voortgaan, opdat de verandering die deze overtuigde Jood tot apostel voor de volken zou maken, de openbaring van het geheimenis dat van alle eeuwen af in God verborgen was, des te duidelijker in hem zou worden.

Vers  3-9

Saulus was al in de buurt van Damaskus en was zich terdege bewust van zijn eigen belangrijkheid. Hij achtte het gewin een godsdienstige Jood te zijn uit de stam van Benjamin, Hebreeër uit de Hebreeën, een farizeeër die onberispelijk werd bevonden onder de wet, een vijand van Christus en Zijn volgelingen (zie Fil. 3:5-6). Maar toen scheen er plotseling een licht uit de hemel om hem heen. Hij viel op de aarde en een stem sprak tot hem: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Op zijn vraag: “Wie bent u, Heer?” krijgt hij als antwoord: “Ik ben Jezus, Die jij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en er zal tot je gesproken worden wat je moet doen.” Een vreemdeling sprak hem aan met een gezag, dat zich met kracht op zijn geschokte ziel vestigde. Wie was Hij? Het was Jezus, de Nazarener, Die hij dood had gewaand, maar Wiens discipelen de wereld hadden gevuld met Zijn onderricht. Deze Jezus was in de heerlijkheid. Petrus had de Joden en het gehele huis van Israël plechtig toegeroepen, dat God deze Jezus, Die zij gekruisigd hadden, zowel tot Heer als tot Christus had gemaakt (Hand. 2:36). Saulus had het niet geloofd. De Heer antwoordde hem met zachtmoedigheid, maar met woorden die tot zijn geweten doordrongen: Waarom vervolg je Mij? Wat voor kwaad heb Ik jou aangedaan?

Maar tegelijkertijd onthulden deze woorden de verbinding van de gelovigen met Christus in de heerlijkheid. Deze waarheid, die de apostel het “evangelie van de heerlijkheid” noemde (2 Kor. 4:4; 1 Tim. 1:11), ontwikkelde hij later in zijn dienst. Hoewel de Heer verheerlijkt is, draagt Hij nog steeds de Naam van Jezus, voor Wie elke knie van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn zich eens zal buigen (Fil. 2:10). Saulus begreep nu dat hij, door gelovigen te vervolgen, ook Jezus, de Heer Zelf, had vervolgd. Hij verloor dit feit, zo smartelijk voor zijn hart, nooit uit het oog. Hij herinnert er aan in Galaten 1 vers 13, 14, en ook in 1 Timotheüs 1 vers 13. Hoe groter het bewustzijn van de genade waarvan wij het voorwerp zijn, des te dieper voelen wij alle zonden, die wij in ons leven begaan hebben. Dit houdt ons in een nederige gezindheid en in dankbaarheid jegens de Heer.

Verblind door het licht dat om hem heen scheen, werd Saulus naar de stad geleid. Hij kon drie dagen niet zien en at en dronk niet. De Heer hield hem volkomen afgezonderd van de buitenwereld om in hem het werk te verrichten, dat hem, de Jood en vijand van Christus die volgens de wet onberispelijk was, moest veranderen in een trouwe dienaar. Alles wat hem kenmerkte als mens naar het vlees, en waarin hij zichzelf had behaagd, was verdwenen in de tegenwoordigheid van de heerlijkheid van de Heer. Hij heeft alles schade geacht vanwege de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus (Fil. 3:8). Binnen enkele dagen werd een wonderbaarlijk werk in hem gedaan: zowel hij als zijn verleden werden door de dood vernietigd, zodat hij als een nieuw man de andere oever kon bereiken, gereed voor de dienst waartoe hij geroepen was. Voortaan kon hij zeggen: “Wij vertrouwen niet op vlees” (Fil. 3:3). En: “… ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20). Bij zijn bekering verwerkelijkte Saulus drie feiten, waarover hij spreekt in 1 Korinthe 6 vers 11: “… maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de naam van de Heer Jezus <Christus> en door1 de Geest van onze God.”

  1. Overtuigd van zijn schuld, was hij gewassen in zijn geweten door de werkzaamheid van het Woord van God.
  2. Als een geheiligd mens was hij nu afgezonderd van een veroordeelde wereld en bevrijd van de invloeden, die hem op de ingeslagen weg geleid hadden.
  3. Gerechtvaardigd door de kennis van het werk van de genade, werd hem voortaan de gerechtigheid toegerekend, en hij kon nu met de Heilige Geest verzegeld worden.

Vers 10-17

Maar na drie dagen gebood de Heer Ananias, een eenvoudig gelovig maar vroom man naar de wet, naar Saulus te gaan en hem de handen op te leggen, opdat hij zijn gezichtsvermogen zou terugkrijgen en vervuld zou worden met de Heilige Geest. De Heer spreekt tot Ananias in alle vertrouwdheid, en legt hem uit waar Saulus te vinden is. Hij antwoordt op zijn bezwaren betreffende deze vervolger, en deelt hem zijn roeping mee. Saulus bad. Hij was nu een afhankelijke van de Heer. Hij had Ananias van tevoren met hem zien binnengaan. Ananias gehoorzaamde. De vervolger was nu een broeder geworden. Hij legde hem de handen op en zei: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u kwam, opdat u weer kunt zien en met de Heilige Geest vervuld wordt.” De Heer gebruikte een eenvoudig instrument voor deze dienst. De grote apostel Paulus ontving de Heilige Geest door handoplegging van een gelovige, van wie wij verder niets weten; maar de Heer had Ananias gezonden, en hem het gezag gegeven om dat te doen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat, wanneer de Heilige Geest door tussenkomst van mensen werd gegeven, dit alleen geschiedde door handoplegging door de apostelen. Maar Paulus was in geen enkel opzicht afhankelijk van de apostelen, die vóór hem geweest waren (Gal. 1 en 2).

In de woorden van de Heer tot Ananias wordt de bediening van de apostel Paulus samengevat. Hij was een uitverkoren vat. – Er is zowel een uitverkiezing tot bekering als een uitverkiezing voor de bediening. – Saulus moest de Naam van de Heer, Die hij had willen vernietigen, eerst voor de volken, en daarna voor de koningen en de zonen van Israël uitdragen. Toen het evangelie ook aan keizer Nero en zijn hof werd verkondigd, kon de apostel zeggen: “… ik heb de loop geëindigd” (2 Tim. 4:7). Er is lijden verbonden aan de bediening voor de Naam van de Heer, en Paulus moest dit op een bijzondere wijze ervaren. Maar dit lijden is oneindig kostbaar voor de Heer.

De ogen van Saulus ogen waren nu geopend. Hij was nu in alle opzichten ziende geworden. Hij was uit de duisternis in het licht gekomen, en kon niet alleen de Heilige Geest ontvangen, maar ook met Hem vervuld worden. De Heilige Geest had bezit genomen van zijn genegenheden, zijn gedachten, zijn intelligentie en zijn energie; had – in één woord – bezit genomen van dit hele uitverkoren vat. Hij die zo’n grote energie tegen Christus aan de dag had gelegd, legde voortaan een nog grotere daadkracht aan de dag omwille van Hem. God maakt gebruik van de natuurlijke energie, die Hij aan een mens heeft gegeven, door deze ondergeschikt te maken aan de kracht van de Heilige Geest, en tegelijkertijd alle vertrouwen in het vlees te vernietigen.

 

NOOT:
1. Letterlijk ‘in’, dit is in de kracht van.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1959 – Bladzijde 267; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW