4 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (58)

Deel 1: 32-814 n. Christus

Hoofdstuk 15 – vervolg

DE AFKONDIGING VAN HET TWEEDE EDIKT

Hoe onverbiddelijk het tweede edict ook was, de keizerlijke beambten gingen, zoals men zegt, nog verder dan de bevelen luidden. De meest gewijde beelden en schilderstukken werden overal met ruwe hand verbrijzeld, verscheurd of openbaar aan de vlammen prijsgegeven, voor de ogen van de verwoede aanbidders. Zonder aan gevaar of dood te denken, liepen mannen, vrouwen, zelfs kinderen, toe om de voorwerpen die hun zo dierbaar waren als het leven, te verdedigen. Zij vielen op de keizerlijke dienaars, die het werk van de vernieling uitvoerden, aan, en sloegen ze dood; dezen, door de geregelde troepen ondersteund, vergolden dit weer met gelijke wreedaardigheid; en straten van de hoofdstad vertoonden zulk een schouwspel van geweld en moord, als alleen gewerkt kan worden door ontstoken godsdienstige hartstochten. De aanvoerders van de oproerlingen werden voor het grootste gedeelte op de plaats gedood; de kerkers konden de gevangenen nauwelijks bevatten; menigten werden, na het ondergaan van onderscheiden lichamelijke tuchtigingen, naar verwijderde oorden verbannen.

Nu was de opgewondenheid van het volks tot razernij geklommen; zelfs de tegenwoordigheid van de keizer oefende geen invloed meer uit op hen. Een keizerlijk officier had bevel om een beeld van de Heiland te vernielen, dat boven de koperen poort van het keizerlijk paleis stond, en bekend was onder de naam van “Borg”.

Dit beeld was vermaard vanwege zijn wonderen, en werd bij het volk in grote ere gehouden. Scharen van vrouwen stroomden samen in de nabijheid van het paleis, en baden de officier vurig haar lievelingsbeeld te ontzien. Maar de officier beklom de ladder en sloeg met zijn bijl in het aangezicht, waarop zij zo dikwijls gestaard hadden, en dat naar haar gedachten zo welwillend op haar had neergezien. De hemel kwam niet tussenbeide, zoals zij verwacht hadden; maar de vrouwen grepen de ladder, wierpen de goddeloze officier naar beneden, en scheurden hem in stukken. De keizer zond een gewapende wacht om het oproer te stillen. Mensen uit de laagste stand voegden zich bij de vrouwen, en een ijselijk moordpartij vond plaats. De “Borg” werd verwijderd, en zijn plaats werd ingenomen door een opschrift, waarin de keizer lucht gaf aan zijn afkeer van beelden.

Overal kwam men op tegen de uitvoering van de keizerlijke bevelen, zowel in de hoofdstad als in de provincie. De volksgeestdrift was zo groot, dat zij alleen bedwongen kon worden door de krachtigste inspanning van de burgerlijke macht verbonden met de krijgsmacht. Aan beide zijden ontvlamden hartstochten, die zich een uitweg baanden in de meest gedurfde opstand en de geweldigste vervolging.

DE PAUS VERWERPT DE EDICTEN VAN LEO

De tijding van de eerste aanslag van Leo tegen de beelden van Constantinopel vervulde de ltalianen met smartelijke verontwaardiging; doch toen de bevelen kwamen waarbij de noodlottige besluiten van kracht verklaard werden in de Italiaanse onderdelen van het rijk, vlogen allen, van de grote tot de kleine, te wapen. De paus weigerde de bevelen uit te voeren, en trotseerde de keizer. Het hele volk zwoer te leven en te sterven in de verdediging van de paus en de heilige beelden. Maar de staatkundige verwikkelingen maakten het de keizer op dit ogenblik onmogelijk Zijn edicten met geweld door te zetten in het pauselijk gebied. Gregorius richtte zich tot de keizer op de meest hooghartige toon; zijn antwoord op het keizerlijk manifest ademt een geest van de meest oproerige uitdagende taal. De monniken, die hun “handwerk” in gevaar zagen ‑ namelijk het bijgeloof, waaraan zij hun rijkdom en invloed te danken wisten ‑ predikten tegen de keizer als een overgegeven afvallige. Hij werd door deze slaven van de afgoderij afgeschilderd als iemand, die alle ketterij in zich verenigde, welke ooit het christelijk geloof besmet en de zielen van de mensen in gevaar gebracht had. Maar om een voorstelling te geven van de ware geest van het pausdom, zowel in het verdedigen van de geliefkoosde bijgelovigheid en afgoderij, als in het trotseren van de tijdelijke macht, willen wij een en ander overschrijven uit de oorspronkelijke brieven van de tweede en de derde Gregorius, waardoor de lezer zelf zal kunnen oordelen.

Paus Gregorius II zegt tegen de keizer: “Gedurende tien reine en gelukkige jaren smaakten wij de jaarlijkse vertroosting van uw keizerlijke brieven, ondertekend in purperen inkt met uw eigen hand, als de heilige onderpanden van uw gehechtheid aan de orthodoxe belijdenis van uw vaderen. Hoe betreurenswaardig is de verandering! Hoe vreselijk de ergernis! U beschuldigt nu de katholieken van afgoderij; en verraadt zodoende uw eigen goddeloosheid en onkunde. In overeenstemming met deze onkunde zijn wij genoodzaakt de onbeduidendheid en kleinheid van onze stijl en onze bewijsvoering in te richten: de eerste beginselen van de heilige wetenschap zijn voldoende tot uw beschaming; en kwam u in een lagere school, en u zou  u aandienen als een vijand van onze verering, zo zouden de eenvoudige en vrome kinderen u hun schrijftafeltjes naar het hoofd werpen”.

Na deze onedele en beledigende begroeting beproeft de paus, normaler wijze, de beeldendienst te verdedigen. Hij tracht aan Leo te bewijzen, hoe groot het verschil is tussen christelijke beelden en de afgoden van de ouden. De laatste waren de uitgedachte voorstelling van demonen; de eerste zijn de echte gelijkenis van Christus, Zijn moeder, Zijn heiligen. Dan beroept hij zich, ter rechtvaardiging van hun verering, op de versieringen in de joodse tempel: Het verzoendeksel, de cherubijnen en de onderscheiden sieraden, gemaakt door Bezaleël tot eer van God. Alleen de afgodsbeelden van de heidenen, zo beweert hij, waren verboden bij de joodse wet. Hij ontkent dat de katholieken hout en steen aanbidden; dit zijn niet meer dan tekenen, bestemd om vrome gevoelens op te wekken.

Sprekende over zijn eigen stichting bij het beschouwen van de schilderijen en beelden in de kerken, bezitten wij een plaats van groot historisch belang, waaruit ons blijkt wat de gewone onderwerpen van deze schilderijen waren. “Het miraculeuze portret van Christus, gezonden aan Abgarus, koning van Edessa; de afbeeldingen van de wonderen van de Heer; de moedermaagd met het kind Jezus aan de boezem, omgeven door engelenkoren; de opwekking van Lazarus; het spijzigen van de duizenden in de woestijn; de verheerlijking op de berg; de kruisiging, het begraven, opstanding en hemelvaart van Christus, de uitstorting van de Heilige Geest; de offerande van Isaäk”.

Gregorius weidt gunstig uit over de gewone bewijzen ten gunste van de beelden, en verwijt de keizer zijn verbreken van de plechtigste verbintenissen, om ten laatste uit te basten in zulk een verachtelijken toon als: “U vraagt een concilie ‑ herroep uw edicten, houd op met het vernielen van beelden, en een concilie zal niet nodig zijn. U valt ons aan, o dwingeland! met een vleselijke, militaire macht. Ongewapend en ontbloot als wij zijn, kunnen wij slechts smeken tot Christus, de Vorst van het heir van de hemel, dat Hij u een duivel zendt, tot verderf van uw vlees en behoud van uw ziel. U verklaart met dwaze aanmatiging: Ik zal mijn bevelen afzenden naar Rome; ik zal verbreken het beeld van Petrus; en Gregorius, als zijn voorganger Martin, zal geboeid en als weggevoerde aan de voet van de keizerlijke troon gesteld worden. Gave God, dat het mij vergund werd in de voetstappen te treden van de heilige Martin; maar moge het lot van Constans tot waarschuwing dienen voor de vervolgers van de kerk. Maar het is onze plicht te leven tot de opbouwing en ondersteuning van het gelovige volk; ook zijn wij niet gedwongen onze veiligheid te wagen aan de wisselingen van een strijd. Niet in staat zijnde om onze Romeinse onderdanen te verdedigen, moge wellicht de ligging van de stad nabij de zee haar blootstellen aan uw verwoestingen; maar wij hebben ons slechts terug te trekken binnen de eerste vestingen van de Lombarden, en dan kunt u evengoed de winden najagen als ons. Weet u niet, dat de pausen de band van vereniging, de bemiddelaars van de vrede zijn tussen het Oosten en het Westen? De ogen van de natiën zijn geslagen op onze nederigheid; en zij vereren, als een God op aarde, de apostel Petrus, wiens beeld u dreigt te vernielen”.

Het slot van de brief van de paus zinspeelt klaarblijkelijk op zijn nieuwe bondgenoten, aan de andere zijde van de Alpen. De Franken hadden gehoorzaam geluisterd naar de pauselijke aanbeveling van Bonifatius, de apostel van Duitsland. Geheime onderhandelingen waren reeds aangeknoopt, ten einde zich van hun bijstand te verzekeren. De geschiedenis en de uitslag van die onderhandelingen hebben wij reeds vroeger meegedeeld en onderzocht. Daarom verzekerde de paus aan zijn keizerlijke correspondent, dat “de verwijderde en naburige koninkrijken van het Westen hun hulde brengen aan Christus en Zijn stedenhouder; en wij stellen ons voor om nu een van hun machtigste monarchen te bezoeken, die uit onze handen het sacrament van de doop verlangt te ontvangen. De barbaren hebben zich gebogen onder het juk van het evangelie; terwijl u alleen doof bent voor de stem van de herder. Deze vrome barbaren zijn ontstoken in woede, en dorsten naar wraak over de vervolgingen in het Oosten. Sta af van uw vermetel en noodlottig ondernemen; overweeg, sidder en bekeer u. Indien gij volhardt zijn wij onschuldig aan het bloed, dat in den strijd vloeien zal, en het komt op uw hoofd”.

EEN LEUGENGEEST IN DE MOND HET PAUSDOM

Deze oude brieven nauwkeurig nagaande, is het onmogelijk te geloven, dat Gregorius zo onkundig kan geweest zijn van aan Leo zo vele zaken ten gunste van de beeldendienst te herinneren, die bepaald vals waren. Wij zijn geneigd aan te nemen, dat hij van die valsheid overtuigd was, maar rekende op de onkunde van de keizer. “U zegt” zo gaat Gregorius voort, “dat het ons verboden is dingen, door mensenhanden gemaakt, te vereren. Maar u bent een ongeleerd persoon, en had daarom aan uwe geleerde prelaten naar de ware betekenis van het gebod moeten vragen. Bent u niet bewust en hardnekkig onwetend, zo zou u van hen vernomen hebben, dat uw daden in lijnrechte strijd zijn met het eenstemmig getuigenis van alle kerkvaders en kerkleraars, en met name een verwerping zijn van het gedrag van de zes algemene concilies”. Zo in het oog lopend vals zijn deze beweringen, dat wij ons slechts verbazen kunnen, hoe iemand, en dan nog wel de hoogste geestelijke in het Christendom, de onbeschaamdheid hebben kon ze als waar neer te schrijven. Maar het bewijst dat er van de aanvang af een leugengeest geweest is in de mond van de pausen, zoals vroeger in de profeten van Baäl. (1 Kon. 22:23). Zelfs Greenwood verklaart: “In geen van de algemene concilies komt één woord omtrent beelden of beeldendienst voor. Ook is de bewering aangaande het eenstemmig getuigenis van de kerkvaders evenzeer vals. Behalve in de werken van Gregorius de Grote heb ik niet één vermelding van de praktijk van de beeldendienst aangetroffen bij de kerkvaders van de eerste zes eeuwen van de christelijke tijdrekening”.

Doch de leugengeest gaat voort te zeggen, dat de zichtbare verschijning van Christus in het vlees zulk een indruk maakte op het gemoed van de discipelen, dat zij zodra zij hun ogen op Hem geslagen hadden, zij haast maakten zich portretten van Hem te maken, die zij bij zich droegen en aan de gehele wereld toonden, opdat het zien daarvan de mensen bekeren zou van de dienst van de satan tot die van Christus, zo echter, dat zij deze beeltenissen niet met een volstrekte aanbidding, maar alleen met een betrekkelijke verering aanbaden”. Op dezelfde wijze verzekerde de paus aan Leo, dat schilderstukken en afbeeldingen waren genomen van Jacobus, de broeder van de Heer, van Stefanus en alle heiligen van betekenis. Dit gedaan zijnde, werden deze over de ganse aarde verspreid, tot openlijke bevordering van de zaak van het evangelie”.

Door een vreemde verdraaiing of verwarring van bijbelse feiten vergelijkt de paus de keizer met “de goddeloze Uzzia, die met heiligschennende hand de koperen slang wegnam en vernielde, welke Mozes had opgericht”. Hier behaalt de paus de prijs van de onwetendheid. Hij scheen zijn Bijbel al even slecht te kennen als de geschiedenis van de zes algemene concilies. Een verwarde herinnering schijnt bij hem geweest te zijn aan de geschiedenis van Uzzia, die de Heer doodde, omdat hij de hand uitstrekte om de ark te steunen toen de ossen struikelden, en aan de daad van Hizkia, die de koperen slang in stukken brak juist om te voorkomen, dat het volk haar godsdienstige eerbied bewees (1 Kron. 13:9; 2 Kon. 18:4). Uzzia”, zo gaat bij voort, hoewel het Hizkia moet zijn, “was in waarheid uw broeder, als eigenwillig mens, en die zich, evenmin als u, ontzag geweld te plegen aan de priesters van God”. Men zou hier kunnen vragen, wat de kinderen uit onze lagere scholen de paus zouden antwoorden, die de goede koning Hizkia voor een boze koning hield, en die het vernielen van de koperen slang als een daad van goddeloosheid kenmerkte? Zeker konden wij even goed verwachten, dat zij hun leien naar het hoofd van Gregorius in plaats van naar dat van Leo zouden werpen. Maar wij hebben genoeg gezegd over dit punt om de lezer te tonen, welke geest het pausdom reeds vroeg bezielde. Immer was het een schaamteloos, leugenachtig, afgodisch stelsel, al bevonden zich zelfs in zijn duisterste perioden, menigten van Gods kinderen binnen deze palen. De naam van Jezus, de Verlosser, bleef steeds gehandhaafd te midden van de grofste ongerijmdheden; en al wie in deze Naam gelooft, wordt zonder twijfel behouden. De vinger van het  geloof, die alleen de zoom van zijn kleed aanraakt, al wordt men omgeven door een dichte hoop afgodendienaars, opent de eeuwige fonteinen van alle helende kracht, terwijl de fontein van de ellende onmiddellijk opdroogt. En hoe ook tegen Hem aan gedrukt werd en hoe ook omringd, Hij ziet om zich heen, ten einde diegene te vinden die Hem aanraakte, en van vrede te spreken tot de verontruste ziel (Mark. 5:25‑34).

HET EIND VAN DEN BEELDENSTORM

Gregorius II overleefde zijn brieven niet lang. In het volgende jaar werd hij opgevolgd door Gregorius III, een even ijverig voorstander van de beelden, die zijn best deed om de volkseerbied daarvoor aan te wakkeren. In Rome stelde hij een voorbeeld van beeldendienst op de prachtigste schaal. Een plechtig concilie werd samengeroepen, bestaande uit al de bisschoppen van de Lombardische en Byzantijnse gewesten in het noorden van Italië, ten getale van drie-en-negentig. De bijeenkomst werd gehouden in de werkelijke tegenwoordigheid van de heilige overblijfselen van de apostel Petrus, en werd bijgewoond door de voltallige stadsgeestelijkheid, de consuls en een grote toevloed van volk. Een dekreet werd ontworpen, algemeen aangenomen, en door alle aanwezigen getekend. Hierbij werd bepaald dat als enig persoon in het vervolg, met verachting van de oude en gelovige gebruiken van alle Christenen en van de apostolische kerk in het bijzonder, zou opstaan als een verwoester, onteerder of lasteraar van de heilige beelden van onze God en Heer Jezus Christus en van Zijn moeder, de onbevlekte maagd Maria, of van de gezegende apostelen en van alle andere heiligen, hij zou worden uitgesloten van het lichaam en bloed van de Heer en van de gemeenschap van de algemene kerk”.

Leo, verontwaardigd over de vermetelheid van de paus, nam zijn boden gevangen, en besloot een aanzienlijke land‑ en zeemacht uit te rusten, ten einde Italië tot betere onderwerping te brengen. Maar deze Griekse Armada werd overvallen door een verschrikkelijke storm in de Adriatische zee. De vloot werd reddeloos, en Leo was verplicht zijn plannen, om de uitvoering van zijn edicten met de kracht van de wapens door te zetten in de Italiaanse gewesten van het rijk, voorlopig op te geven. Hij stelde zich echter schadeloos door de pauselijke inkomsten op Sicilië, in Calabrië en andere delen van zijn gebied verbeurd te verklaren, en Griekenland en Illirië van het Romeinse patriarchaat over te brengen naar dat van Constantinopel. Hier sluit voor beiden het toneel, hoewel de strijd zelf niet eindigde, omdat Gregorius, zowel als Leo, stierf in het jaar 743. De keizer werd opgevolgd door zijn zoon Constantijn, wiens regering de ongewone duur van 34 jaar bereikte. Gregorius werd opgevolgd door Zacharias, een man van grote bekwaamheid, en diep doordrongen van de geest van het pausdom. Tot het eind van zijn regering was Constantijn een onvermoeide tegenstander van de beeldendienaar. Men legt hem grote wreedheid jegens de monniken ten laste; maar het is ook waar, dat hun dweepachtig en geweldig optreden hem zeer tergde.

Irene, de vrouw van Constantijn’s zoon en opvolger, een eerzuchtige, listige en hoogmoedige vorstin, greep bij de dood van haar zwakke echtgenoot ten behoeve van haar tienjarige zoon, de teugels van het bewind. Zij bedekte voor een tijd haar plannen tot herstel van de beelden. Staatkunde en afgoderij bestuurden beide de raadslagen van haar hart. Haar geschiedenis is een verhaal van inwendige haat en bedekte valsheid met een uiterlijke schijn van wellevendheid. Wij hebben echter alleen te maken met het godsdienstig gedeelte van haar regering.

HET TWEEDE CONCILIE VAN NICEA

Er werden dekreten uitgevaardigd tot de bijeenroeping van een concilie te Nicea, de stad waar de eerste grote christelijke kerkvergadering had plaats gevonden, en waar nu de kwestie van de beeldendienst moest worden beslist. Het getal aanwezige geestelijken bedroeg omstreeks 350. Hun uitverkorenen hadden de leiding; alles was blijkbaar voorbereid. Onder de voorlopige besprekingen van het concilie behoorde het bepalen, tot welk soort van ketters de beeldenstormers gerekend moesten worden. Tarasius, de voorzitter van de vergadering beweerde, dat zij tot de ergste van alle erge ketters behoorden, omdat zij bepaalde verwerpers van Christus waren. Al de handelingen van het concilie waren gekenmerkt door dezelfde geest van veroordeling jegens de tegenstanders van de beeldendienst. Na een betuiging van instemming met de bepalingen van de eerste zes concilies, en met de vervloekingen daarin tegen de ketters uitgebracht, gingen zij – zich voorgevende onder de leiding van de Heilige Geest te staan ‑ over tot het vaststellen van de volgende geloofsregel.

“Behalve het eerbiedwaardige en levengevende kruis zullen worden opgericht de vererenswaardige en gewijde beelden, hetzij in kleuren, mozaïek of andere stoffen, binnen de geheiligde kerken van God, op de heilige vaten en gewaden, op de muren en tafels, in huizen of op openbare wegen, namelijk de beelden van onze God en Heiland Jezus Christus, van de onbevlekte moeder van God, van de geëerde engelen, van alle heiligen en vrome mannen. Deze beelden zullen worden behandeld als heilige herinneringen; men zal ze vereren, kussen, maar niet met die bijzondere aanbidding, welke alleen toekomt aan de onzienlijke, onbegrijpelijke God. Allen die hiertegen opkomen, zoals het vorenstaande de verklaarde onheuglijke overlevering van de kerk uitmaakt, en die door list of geweld trachten zullen enig beeld weg te doen, zullen, indien zij geestelijken zijn afgezet en geëxcommuniceerd worden. Indien zij monniken of leken zijn, alleen geëxcommuniceerd” (d. i. uit de gemeenschap van de kerk gesloten).

Het concilie was  tevreden met deze formele en plechtige ondertekening. Als één man barstten zij los in een langdurige toejuiching: “Wij allen geloven, wij allen verklaren, wij allen ondertekenen. Dit is het geloof van de kerk, dit is het geloof der rechtzinnigen, dit is het geloof van de ganse wereld. Wij, die de Drie‑eenheid aanbidden, vereren de beelden. Die niet hetzelfde doet, hij zij vervloekt! Vervloekt zij een ieder, die de beelden afgoden noemt! Vervloekt zijn allen, die gemeenschap hebben met hen, die geen beelden vereren … Eeuwige heerlijkheid zij over de rechtzinnige Roomsen, over Johannes van Damascus! over Gregorius van Rome eeuwige heerlijkheid! Eeuwige heerlijkheid over allen, die de waarheid verkondigen!”

HELENA EN IRENE

Zo eindigde de hachelijkste kwestie, die ooit was opgekomen sinds het Christendom de godsdienst der Romeinse wereld geworden was. Door het zevende algemene concilie werd de afgoderij stelselmatig en met geweld gevestigd, als behorende tot de roomse eredienst; en vervloekingen werden uitgesproken tegen allen, die het zouden wagen daarvan af te wijken. Vandaar de onbarmhartige vervolgingen jegens de zogenaamde scheurmakers. Maar het is opmerkenswaard als overeenkomende met onze beschouwing van het Izébel-karakter, dat een vrouw de eerste aanleiding gaf tot het dienen van beelden, en dat ook wederom een vrouw de beeldendienst herstelde, nadat er een strijd tegen gevoerd was. Helena, de moeder van Constantijn de Grote, was een onberispelijke en vrome vrouw; maar de vijand gebruikte haar om relikwieën en gewijde gedenkstukken in te voeren, die het Christendom van een zuiver geestelijke aanbidding verlaagden tot die heidense godsdienstvorm, welke in de volgende eeuwen zich zo snel ontwikkelde. De listige Irene werd wederom door de satan gebezigd om de beeldendienst te herstellen en voor de tweede maal te vestigen. Van die tijd tot op heden hebben zowel de Griekse als de Latijnse kerken deze vorm van eredienst aangehangen, en de heiligheid van hun beelden gehandhaafd.

De staatkundige gevolgen van de strijd over de beelden waren eveneens groot en belangrijk. Rome verbrak nu de band van vereniging met het Oosten, voor altijd zich afscheidende van het Byzantijnse rijk; en de Griekse godsdienst werd een afzonderlijke, zowel als de Griekse staat. Het Westen, dat door deze omkeer een grote machtsvermeerdering kreeg, schiep zich ten laatste een eigen rijk, knoopte verbintenissen aan met de Frankische koningen, en plaatste de kroon van het Westerse rijk, zoals wij reeds gezien hebben, op het hoofd van Karel de Grote.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol