11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (25)

Een boeiende reis. Vele ontmoetingen. Hier ontdek je ook Paulus’ hart in moeiten. “Van buiten strijd, van binnen vrees”, dat was zijn deel. Hij was ook niet van beton, al denken sommigen dat misschien. Nee, hij droeg voorbeeldig zijn last en de Heer en Zijn dienst ging hem boven alles. … Het blijkt uit de woorden van het verhaal ook duidelijk, dat het de vaste gewoonte van de eerste Christenen was, om “op de eerste dag van de week” samen te komen met het bepaalde doel “om brood te breken”. Hier wordt het belangrijke doel en de gewone tijd van hun samenkomst aangegeven. “En toen wij op de eerste dag van de week vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus … hen toe” (Zie ook 1 Korinthe 16:2; Johannes 20:19; Openbaring 1:10). Zelfs de prediking van Paulus, van hoeveel waarde ook, wordt slechts in de tweede plaats vermeld. De herinnering aan de liefde van de Heer, Die voor ons stierf, en aan al hetgeen waar Zijn opstanding ons toe gebracht heeft, was, en is nog steeds, de hoofdzaak. Is er een gelegenheid om te spreken zodanig, dat de gedachten en genegenheden van de aanbidders van Christus verlevendigd worden, men late ze niet ongebruikt; maar het breken van het brood behoort het eigenlijke doel van de samenkomst en de eerste beweeggrond te zijn. Het vieren van het avondmaal had bij deze gelegenheid na zonsondergang plaats …

Hoofdstuk VI

Paulus derde zendingsreis

Deel 1: 32-814 n. Christus

Paulus’ vertrek van Efeze naar Macedonië

Handelingen 20. Nadat het oproer bedaard, het gevaar voorbij en zij die samen schoolden, verstrooid waren, riep Paulus de discipelen bij zich, omhelsde hen en vertrok naar Macedonië. Twee broeders uit Efeze, Tychicus en Trofimus, schijnen hem te hebben vergezeld en zijn hem in al zijn verdrukkingen trouw gebleven. Zij worden meermalen vermeld, tot zelfs in het laatste hoofdstuk van de laatste brief, die Paulus geschreven heeft (2 Timotheüs 4).

De gewijde historieschrijver is buitengewoon kort in zijn verhaal van Paulus’ handelingen in die tijd. Alle informatie die hij verstrekt, is begrepen in de volgende woorden: “Hij ging heen om naar Macedonië te reizen. En nadat hij die streken doorgereisd had en hen met vele woorden vermaand had, kwam hij in Griekenland. En nadat hij er drie maanden doorgebracht had …” (vers 1-3a). Algemeen houdt men het er voor, dat deze weinige woorden een tijdvak omvatten van negen of tien maanden, van de zomer van het jaar 57 tot de lente van 58 na Christus.

Maar dit gebrek aan mededelingen wordt op een gelukkige wijze aangevuld door de brieven van de apostel, op deze reis geschreven, die ons vele historische bijzonderheden aan de hand doen. En wat meer en gezegender is, zij geven ons uit zijn eigen pen een levend beeld van de diepe en smartelijke ervaringen van de ziel, die hij doorgemaakt heeft.

Het schijnt dat Paulus het zo beschikt had, dat Titus bij hem zou komen in Troas, ten einde hem rechtstreekse berichten over te brengen van de stand van zaken in Korinthe. Week aan week gingen echter voorbij, en Titus kwam niet. Wij vernemen een en ander van hetgeen in Paulus’ vurig gemoed op dat ogenblik omging uit hetgeen hijzelf schrijft: “Toen ik nu te Troas kwam voor het evangelie van Christus en mij een deur geopend was in [de] Heer, had ik geen rust in mijn geest, daar ik Titus, mijn broeder, niet vond; maar ik nam afscheid van hen en vertrok naar Macedonië” (2 Korinthe 2:12-13). Zijn persoonlijke onrust verhinderde hem echter niet om voort te gaan met het grote werk van het evangelie, hetgeen onweersprekelijk blijkt uit vers 14-17.

Ten laatste kwam de lang verwachte Titus in Macedonië – waarschijnlijk te Filippi – aan. En nu wordt Paulus’ geest opgebeurd en zijn hart vertroost. Titus brengt hem betere tijding uit Korinthe, dan hij verwacht had. De uitwerking van zijn vermaningen was duidelijk openbaar geworden; hij is vervuld met blijdschap. “Ik heb grote vrijmoedigheid tegenover u; mijn roem over u is groot; ik ben vervuld met troost; ik ben overstelpt van blijdschap bij al onze verdrukking. Want ook toen wij in Macedonië kwamen, had ons vlees geen rust, maar wij waren in alles verdrukt: van buiten strijd, van binnen vrees. Maar God, die de nederigen troost, heeft ons getroost door de komst van Titus” (2 Korinthe 7: 4-6).

Spoedig daarna schrijft Paulus zijn tweede brief aan de Korinthiers, die gericht is niet slechts aan hen, maar aan al de gemeenten in geheel Achaje. Misschien waren zij allen meer of minder onder de invloed geweest van de toestand, die in Korinthe geheerst had. Titus is wederom de gewillige dienaar van de apostel, niet slechts als overbrenger van de brief, maar als belangstellende in de collecte, die, toentertijd voor de armen gehouden werd. Paulus verstrekt aan Titus nauwkeurige instructies omtrent de collecte, en schrijft ten overvloede twee hoofdstukken vol (8 en 9) over deze zaak, hoewel zij meer tot de werkkring van een diaken dan van een apostel behoorde. Maar, zoals hij gezegd had in antwoord op de wenk, door Jakobus en Kefas en Johannes gegeven, dat hij de armen zou gedenken, “beijverde hij zich ook om dat te doen” (zie Galaten 2:10).

De ruimte die de apostel aan dit onderwerp – inzamelingen voor de armen – wijdt, is onze zorgvuldige beschouwing waardig. Misschien heeft iemand van ons dit over het hoofd gezien, en daardoor schade geleden aan zijn eigen ziel. Merk bijvoorbeeld op hetgeen hij van zekere gemeente zegt. Wij hebben goede reden om te geloven, dat de Filippiërs van de aanvang af zorg droegen voor de uitwendige behoeften van de apostel. Zij drongen er bij hem op aan hun bijdragen tot zijn onderhoud aan te nemen, van zijn eerste bezoek aan Thessalonika af tot zijn gevangenschap in Rome toe, behalve dat zij nog milddadigheid bewezen aan anderen (zie Filippi 4:10-20; 2 Korinthe 8:1-4.) Menigeen zou daaruit opmaken, dat zij een rijke gemeente vormden. Maar het tegendeel was waar. Paulus zegt: “dat onder veel beproeving van verdrukking, de overvloed van hun blijdschap en hun diepe armoede overvloedig zijn geweest in de rijkdom van hun liefdadigheid” (2 Korinthe 8:2). Uit hun “diepe armoede” vloeide hun rijke gaven voort.

Wat de Filippiërs zijn in de Brieven, was de arme weduwe in het Evangelie; twee penningen maakten al haar bezitting uit. Zij had er één van kunnen geven, en de tweede behouden; maar zij had een volkomen hart, en gaf beide. Zij gaf ook van haar armoede; en overal waar het evangelie gepredikt wordt, blijft de gedachtenis aan haar milddadigheid bewaard.

Nadat Paulus Titus en zijn reisgenoten had afgezonden met de brief, bleef hijzelf in die delen van Griekenland werkzaam in het evangelie. Zijn gedachten hadden er zich nochtans op gezet een persoonlijk bezoek aan de Korinthiërs te brengen; maar hij wilde tijd laten, dat zijn brief onder de zegen van God zijn uitwerking kon hebben. Zo wilde hij zich de weg tot hen banen. Men denkt algemeen dat het gedurende deze periode van afwachting was, dat hij de verkondiging van het evangelie van Christus volbracht rondom “tot Illyrië toe” (Romeinen 15:19). Waarschijnlijk bereikte hij Korinthe in de winter, volgens zijn eigen uitgedrukte wens: “Wellicht zal ik mij bij u langer ophouden of zelfs overwinteren” (1 Korinthe 16:6). Hij vertoefde daar drie maanden.

Alle onderzoekers komen hierin overeen, dat hij gedurende deze wintermaanden zijn uitvoerige brief aan de Romeinen schreef. Sommigen denken tevens dat hij in die tijd zijn ernstig woord aan de Galatiërs richtte. Maar omtrent dit laatste punt is men onder de tijdrekenkundigen geenszins eenstemmig. Omdat in de brief aan de Galatiërs geen namen en groeten voorkomen, is het moeilijk zijn dagtekening te bepalen. Indien hij echter niet in die tijd geschreven is, moeten wij hem vroeger, niet later, dateren. De apostel verwonderde zich dat zij zo spoedig van de waarheid afgeweken waren. “Ik verwonder mij, dat gij zo spoedig van Hem, die u door de genade van Christus geroepen heeft, overgaat naar een ander evangelie” (Galaten 1:6). Zijn grote teleurstelling spreekt uit de warmte en levendigheid, waarmee hij zijn brief schrijft.

Maar wij keren terug tot de geschiedenis van onze apostel, zonder ons verder te verdiepen in de finesses van de chronologie, alleen de datums gevende, die ons, na vergelijking van de beste autoriteiten, het meest betrouwbaar schijnen.

Paulus verlaat Korinthe

Het werk was nu in Korinthe afgedaan, en Paulus maakte zich gereed om te vertrekken. Zijn gedachten waren gericht op Rome; maar eerst moest hij aan de drang van zijn hart voldoen, en de verzamelde liefdegaven overbrengen. Wij hebben zijn eigen woorden, waarin hij over deze aangelegenheid spreekt. “Maar nu in deze streken geen plaats meer heb en sinds vele jaren groot verlangen hebben om tot u te komen, [zal ik tot u komen], wanneer ik naar Spanje reis. Want ik hoop op de doorreis u te zien, en door u daarheen voortgeholpen te worden, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb. Maar nu reis ik naar Jeruzalem, ten dienste van de heiligen. Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een inzameling te houden voor de armen onder de heiligen die te Jeruzalem zijn” (Romeinen 15). De lijst van namen in Handelingen 20:4: Sópater, Aristarchus, Secundus, Gajus, Tychicus en Trófimus, vooronderstelt men broeders te zijn uit de daargenoemde plaatsen, waar inzamelingen voor de armen hadden plaats gevonden. In plaats van rechtdoor naar Syrië te zeilen, ging hij door Macédonië heen, omdat de Joden op hem loerden. Zijn reisgenoten wachtten hem te Troas. Daar bracht hij een dag van de Heer door, en zelfs een gehele week, ten einde de broeders te zien. Twee belangrijke dingen zijn verbonden aan dit vertoeven van Paulus te Troas; en de geschiedschrijver, die toen bij Paulus was, is bijzonder uitvoerig in zijn mededelingen over die eerste dag van de week.

Het blijkt uit de woorden van het verhaal duidelijk, dat het de vaste gewoonte van de eerste Christenen was, om “op de eerste dag van de week” samen te komen met het bepaalde doel “om brood te breken”. Hier wordt het belangrijke oogmerk en de gewone tijd van hun samenkomst aangegeven. “En toen wij op de eerste dag van de week vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus … hen toe” (Zie ook 1 Korinthe 16:2; Johannes 20:19; Openbaring 1:10). Zelfs de prediking van Paulus, van hoeveel waarde ook, wordt slechts in de tweede plaats vermeld. De herinnering aan de liefde van de Heer, Die voor ons stierf, en aan al hetgeen waar Zijn opstanding ons toe gebracht heeft, was, en is nog steeds, de hoofdzaak. Is er een gelegenheid om te spreken zodanig, dat de gedachten en genegenheden van de aanbidders van Christus verlevendigd worden, men late ze niet ongebruikt; maar het breken van het brood behoort het eigenlijke doel van de samenkomst en de eerste beweeggrond te zijn. Het vieren van het avondmaal had bij deze gelegenheid na zonsondergang plaats. In de vroegere tijden geschiedde het op sommige plaatsen vóór het daglicht; op andere na de ondergang van de zon. Hier behoefden de discipelen niet in het geheim te vergaderen. “Er waren vele lampen in de bovenzaal waar wij vergaderd waren” (vers 8). Paulus strekte zijn rede uit “tot middernacht”. Het was een buitengewone gelegenheid, en Paulus maakte er gebruik van om de gehelen avond tot hen het woord te voeren. De tijd was nog niet aangebroken, dat de warme en ernstige uitstromingen van het hart werden afgemeten bij de minuut; dat de bewegingen van de ziel van de spreker, die begaan is over hen die nog verloren zijn, worden afgepast door de ijzige koudheid van de naamchristen en de wereldminnaar. Eutychus, een jongeling, door slaap overvallen, stort van de derde verdieping naar beneden en wordt dood opgenomen. Sommigen zien daarin een straf voor zijn onoplettendheid; maar het gaf aanleiding voor Paulus tot het verrichten van een wonderwerk, en de jongeling werd opgewekt door de kracht en goedheid van God in Zijn dienstknecht, waardoor de vrienden niet weinig vertroost werden.

Paulus te Miléte

Het belangrijkste rustpunt op deze reis is Miléte. Paulus, vervuld van de Geest, geeft aanwijzingen voor de tocht. Zijn metgezellen gehoorzamen hem gaarne, niet als aan een meester, maar als aan iemand, die aanwijzingen verleent in de nederigheid van de liefde en van de wijsheid van God. Hij schikt het zó, dat hij niet in Efeze komt, hoewel het een middelpunt vormt; want hij had in zijn hart voorgenomen op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. Te Miléte ontbiedt hij de oudsten van de gemeente van Efeze, hoezeer de afstand tussen beide plaatsen omtrent twee of drie dagen reizen voor dit bezoek nodig maakte.

Paulus’ afscheidsrede aan de ouderlingen van Efeze is van een eigenaardige inhoud en vorm, waarop onze bijzondere aandacht zich wel mag bepalen. Zij geeft ons een getuigenis van de warme en treffende liefde van apostel, van de toestand van de gemeente in die tijd, en van het werk van het evangelie onder de volken. Hij vermaant hen met ongewone ernst en liefde, gevoelende dat hij hen voor de laatste maal toespreekt. Hij herinnert hen aan zijn werk onder hen, “dienende de Heer met alle ootmoedigheid en tranen” (vers 19). Hij waarschuwt tegen valse leraars en tegen ketterijen – de wrede wolven die tot hen zullen inkomen, en de mannen, die uit henzelf zullen opstaan, verkeerde dingen sprekende, om de discipelen achter zich af te trekken. “En toen hij dit gezegd had, knielde hij neer en bad met hen allen. En zij begonnen allen luid te wenen en vielen Paulus om de hals en kusten hem innig, het meest bedroefd over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip” (vers 36-38).

Daar dit getuigenis van Paulus van het uiterste belang is, en naar een afzonderlijk tijdstip in de kerkgeschiedenis heenwijst, terwijl het goddelijk licht verspreidt over alle kerksystemen, geven wij hier de gedachten van een ander over zijn ver en veelomvattende strekking.

<<De gemeente was gevestigd over een tamelijk grote uitgebreidheid van het land, en had ten minste in vele plaatsen, de vorm van een geregelde instelling aangenomen. Oudsten waren aangesteld en erkend. De apostel kon hen tot zich laten komen. Zijn gezag werd ook van hun zijde erkend. Hij spreekt van zijn dienst als iets, dat voorbijgegaan is – plechtige gedachte! … Wat ons hier de Heilige Geest voorstelt, is het volgende. Terwijl  verslag van zijn werk (om het evangelie te planten onder de heidenen) wordt gegeven als één verenigde  arbeid onder Joden en Grieken, (zie vers 21), hij nu van het werk afscheid neemt.  En wel met het doel allen die hij bijeen gebracht had, in een nieuwe toestand achter te laten. Hierin zouden zij, in zeker opzicht, aan zichzelf overgelaten zijn. Het is een rede, die het einde aangeeft van één deel van de kerkgeschiedenis (die van de apostolische werkzaamheid), om een ander deel in te leiden, namelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente om vast te staan, nadat deze arbeid van de apostelen heeft opgehouden; de dienst van de oudsten die de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft. Maar tevens de gevaren en moeilijkheden, die zouden ontstaan bij het aftreden van de apostelen, en die het werk van de oudsten, op wie de verantwoordelijkheid nu hoofdzakelijk zou neerkomen, zeer ingewikkeld maken zouden.

De eerste opmerking die gemaakt kan worden naar aanleiding van deze toespraak, is dat de apostolische opvolging er geheel door geloochend wordt. Wanneer de apostel er niet meer zou zijn, waren allerlei moeilijkheden te verwachten, en er zou niemand in zijn plaats wezen, om die moeilijkheden te voorkomen of het hoofd te bieden. Hij had dus geen opvolger. In de tweede plaats treedt het feit op de voorgrond, dat, als deze macht, die de geest van het kwade breidelde, eenmaal verdwenen zou zijn, verscheurende wolven van buiten en leraars van verkeerde dingen van binnen zouden samenspannen tot een aanslag op de eenvoud en het geluk van de gemeente. De gemeente zou door de pogingen van de satan worden gekweld, zonder het bezit van de apostolische macht om er weerstand aan te bieden. In de derde plaats, hetgeen hoofdzakelijk te doen viel om het kwaad te verhinderen, bestond in het weiden van de gemeente van God, met het doel acht te geven zowel op zichzelf als op de gehele kudde. Hij beveelt hen ten slotte noch aan Timotheüs, noch aan een bisschop aan. Maar op een wijze, die alle officiële hulpbronnen terzijde stelt – droeg hij hen op “aan God en het woord van Zijn genade”. Daaraan geeft hij de gemeente over. De vrije werkzaamheid van de apostel van de volken was geëindigd. Ernstige en aandoenlijke gedachte! Hij was het verkoren werktuig van God geweest om aan de wereld mededeling te doen van Zijn raadsbesluiten aangaande de gemeente, en om in de geest van de mensen voor dit kostbaar voorwerp van de liefde van God, dat één is met Christus aan Zijn rechterhand, een plaats te bereiden. Wat zou er in de loop van de tijd uit deze kostbare gemeente worden!>>

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM