12 minuten geleden

Abraham (3)

Geloof en ongeloof (Gen. 12:4-20)

Abraham was nu bevrijd van natuurlijke beperkingen, hoewel dit gepaard ging met de pijnlijke prijs van de dood die in zijn familie zou komen. Na de dood van zijn vader gehoorzaamde Abraham de roep, zoals we lezen: “Toen ging Abram op weg, zoals de HEERE tot hem gesproken had” (Gen. 12:4).

Hij neemt Lot, zijn neef, met zich mee. Maar Lot, met zijn wereldse instelling, zal een last blijken te zijn. In het geval van zijn vader, Terah, was het net zo: Abraham werd door God geroepen, maar hij liet de menselijke natuur de overhand nemen, zoals we lezen: “En Terah nam Abram, zijn zoon …” (Gen. 11:31). Dit werd een obstakel en leidde tot zijn dood. In het geval van zijn neef neemt Abram echter het voortouw, zoals we hier lezen: “En Abram nu nam … en Lot …” (Gen.12:5). Zelfs als deze metgezel een last voor hem zou worden, kon het zijn geloofsstap in reactie op Gods roeping niet belemmeren.

Toen de natuurlijke mens de leiding nam, stond er: “En zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan” (Gen. 11:31). Nu, nadat het geloof de leiding overgenomen had, lezen we opnieuw: “En zij gingen weg om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen in het land Kanaän” (Gen. 12:5).

Een tegenstelling

Toen ze in Kanaän aankwamen, ontdekten ze: “De Kanaänieten woonden toen in het land” (Gen. 12:6). Dit is zeer veelbetekenend. Over Abraham had God gezegd: “Ik zal u zegenen” (Gen. 12:2,3). Over de man uit Kanaän had God gezegd: “Vervloekt is Kanaän!” (Gen. 9:25). Wanneer God Abraham, de man van de zegen, het beloofde land binnenleidt, moet hij onmiddellijk ontdekken, dat de duivel de man van de vloek al naar datzelfde land heeft geleid. Op deze manier probeert de duivel Gods plan te dwarsbomen en te voorkomen, dat de man van geloof dit land in bezit neemt.

Een vergelijking

Hetzelfde geldt voor de christen. Hij is uit deze wereld geroepen. Hij heeft deel aan de hemelse roeping. Hij is gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. Maar wanneer hij naar Gods roeping luistert en de wereld achter zich laat, merkt hij, dat hij tegenstand ondervindt van “de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse [gewesten]” (Ef. 6:12). De gelovige die verlangt te genieten van de geestelijke zegeningen, zal merken dat de geestelijke machten van de boosheid zich tegen hem keren om hem te beletten bezit te nemen van het hemelse rijk, dat het enige ware en rechtmatige deel is van de gemeente (kerk, vergadering) van God.

Voor Abraham vertegenwoordigde Ur van de Chaldeeën het verleden. Het bezit van het land lag echter nog in de toekomst. In de tussentijd bezat hij noch de wereld die hij had achtergelaten, noch de betere “wereld” die voor hem bestemd was. Dit is ook de positie van de christen die naar Gods roep luistert. Hij heeft de huidige wereld achter zich gelaten, maar heeft de toekomstige wereld nog niet bereikt.

We kunnen ons daarom afvragen: wat is dan het deel van hem die luistert naar Gods roep, en wat zal hem staande houden in deze positie buiten de wereld? Het verhaal van Abraham biedt in dit opzicht waardevolle lessen en bemoediging.

De gehoorzaamheid van het geloof

Allereerst moeten we erkennen, dat het grote principe waarop Abraham handelde, het principe van geloof was. Het is duidelijk dat hij, nadat hij de ene wereld had verlaten en de andere nog niet bezat, niets bezat wat hij met het natuurlijke oog kon zien. Niet dat hij deze wereld niet gezien had. Maar wat hij zag, zag hij door geloof. Daarom lezen we: “Door het geloof gehoorzaamde Abraham, toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen,” en: “Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte,” en: “In [het] geloof1 zijn deze allen gestorven” (Hebr. 11:8,9,13).

De weg van het geloof

Ten tweede werden Abraham en degenen die met hem meegingen, nadat ze Gods roeping op grond van het geloof hadden gevolgd, “vreemdelingen en gasten.” De Heilige Geest zegt over hen in het Nieuwe Testament: “… en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde2 waren” (Hebr. 11:13). We zien dit heel duidelijk in de geschiedenis van Abraham. In Haran, zoals we hebben gezien, werd Abraham enige tijd vastgehouden. We lezen dat hij daar woonde (Gen. 11:31). Nadat hij in het land Kanaän was aangekomen, lezen we: “… en zette zijn tent op” (Gen. 12:8). Hij deed dit als iemand die daar geen vaste woonplaats had. We lezen zelfs verder, dat Abraham door het land trok (Gen. 12:6). Als vreemdeling bezat hij niets in deze wereld behalve een tent. Als pelgrim (gast – bijwoner) trok hij door het land op weg naar een andere wereld.

Het deel van het geloof

Ten derde leren we wat Abraham staande hield tijdens zijn zwerftocht. Er staat geschreven: “Toen verscheen de HEERE aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven” (Gen. 12:7). Denk goed na over deze twee punten:

  1. Tweemaal lezen we: “De Heer verscheen” aan hem;
  2. het land wordt hem voorgesteld als toekomstig bezit.

Abraham ziet de koning in al zijn pracht en praal en het verre land voor zich. Hij voert zijn reis als een vreemdeling en als een wandelaar in het licht van de heerlijkheid van God die hem geroepen had, en in het licht van het land, dat hij zou gaan ontmoeten. Zo lezen we in het Nieuwe Testament: “Want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft” en: “… maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]” (Hebr. 11:10,16).

Voor ons is het niet anders. Pas wanneer we Christus Zelf in Zijn heerlijkheid voor ons zien en de zegen van het hemelse thuis waarheen we op weg zijn, zullen we, minstens in geringe mate, het karakter van vreemdelingen en bijwoners dragen. Het is niet genoeg om de leer van Christus te kennen en de hemel die ons aan het einde van de reis wacht. Net als de apostel moeten we in ons hart het verlangen hebben: “Hem te kennen” en: “… maar ik jaag ernaar, of ik het ook mocht grijpen, omdat ik door Christus <Jezus> ook gegrepen ben” (Fil. 3:10,12).

Een plaats buiten de wereld als antwoord op onze roeping in te nemen, maakt het mogelijk in de persoonlijke gemeenschap met onze Heer Zelf te groeien. Want Hij heeft gezegd: “Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren” (Joh. 14:21).

Het antwoord van het geloof

Nadat de Heer aan Abraham verscheen, lezen we direct: “Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE, Die hem verschenen was” (Gen. 12:7). Dit spreekt ongetwijfeld van aanbidding. In de brief aan de Hebreeën hebben degenen die buiten de legerplaats naar Christus gaan niet alleen het karakter van zwervers zonder vaste woonplaats, maar worden ze ook aanbidders die “voortdurend een lofoffer brengen aan God” (Hebr. 13:13-15).

Abraham werd zich zo niet alleen bewust van de heerlijkheid van het land in de verre toekomst, maar begreep ook iets van de heerlijkheid van Degene die aan hem verschenen was. Het geschenk van het land mag dan wel dankbaarheid opwekken, maar de grootheid van de Gever maakte hem tot een aanbidder. Zo is het altijd. Want aanbidding is de uiting van een hart, dat vervuld is van de heerlijkheid van de Persoon die wij bewonderen.

Bron van het geloof

Ten vijfde riep Abraham de Naam van de Heer aan (Gen. 12:8). Dit duidt op zijn afhankelijkheid van de Heer. Wat zijn behoeften ook waren, de ontberingen van zijn reis, de verzoekingen die zijn weg kruisten, de tegenstand die hij ondervond: hij beschikte over een onuitputtelijke bron, want hij kon de Naam van de Heer aanroepen.

Godvrezende mensen vinden altijd hun hulpbron in de Heer Jezus, hoe moeilijk de dagen ook mogen zijn. In de dagen van verwoesting vóór de zondvloed waren er mensen die, net als Kaïn, “weggingen van het aangezicht van de HEERE.” Maar er waren ook godvrezende mensen die “de naam van de HEERE aanriepen” (Gen. 4:16,26). Zo ook in de donkere dagen van de profeet Maleachi waren er godvrezende mensen die hun hulpbron in de Heer vonden, want we lezen: “Dan spreken zij die de HEERE vrezen, ieder tot zijn naaste” (Mal. 3:16).

In de begintijd van de vergadering (kerk, gemeente) werden gelovigen aangeduid als zij “die deze Naam aanroepen” (Hand. 9:21). Te midden van vervolging wendden zij zich tot hun Heer. En te midden van de ondergang van de laatste dagen van het christendom, worden we ervan verzekerd, dat er nog steeds mensen zullen zijn “die de Heer aanroepen uit een rein hart”  (2 Tim. 2:22).

Hoe indrukwekkend Abrahams geloof ook mag zijn geweest, we moeten niet vergeten, dat hij een mens was met gevoelens, net als wij. Niemand kan het pad van het geloof bewandelen zonder beproevingen. Deze beproevingen zijn toegestaan, zodat we enerzijds onze zwakheden leren kennen, maar anderzijds ook de genade en trouw van God.

De ontrouw van Abraham

In Abrahams leven kwam de beproeving in de vorm van een hongersnood. Het was een zware beproeving, omdat er hongersnood in het land kwam en “de hongersnood in het land zwaar was” (Gen. 12:10). Als de Heer een hongersnood toeliet, kon Hij ongetwijfeld ook in alle behoeften van Zijn volk voorzien te midden van zo’n hongersnood. Helaas liet Abraham, onder druk van zijn behoeften, de omstandigheden tussen zijn ziel en de Heer komen. In plaats van de Heer opnieuw aan te roepen, volgde hij de aanwijzingen van eenvoudige redeneringen of zogenaamd gezond verstand. Daardoor dwaalde hij een tijdlang af van het pad van het geloof en “ging naar Egypte” (Gen. 12:10). In plaats van op God te vertrouwen voor Zijn steun, “trok” Abraham naar de wereld om daar hulp te zoeken.

En nadat hij deze verkeerde stap heeft gezet, merkt hij dat, hoewel aan zijn directe behoeften is voldaan, hij tegelijkertijd wordt geconfronteerd met nieuwe moeilijkheden die voortkomen uit de verkeerde positie waarin hij zichzelf heeft gebracht. Hij vreest gedood te worden door de begeerten van de Egyptenaren, die mogelijk zijn vrouw Sarai begeren.

Doordat hij zichzelf in een positie heeft gebracht, waarin hij niet langer erop bouwen kan dat God hem bewaart, rest hem niets anders dan zijn eigen inspanningen om deze nieuwe moeilijkheid te overwinnen. Aan zijn lot overgelaten, zakt hij nog dieper dan de normen van de wereld en gedraagt ​​hij zich als een leugenaar. Met zijn dubbelzinnige verklaring – met andere woorden, een regelrechte leugen – probeert hij zichzelf te beschermen ten koste van zijn vrouw.

Ongeloof draagt ​​inherent het oordeel over de eigen daden in zich en leidt over het algemeen tot allerlei kwaad, dat men juist wil vermijden, zoals iemand heeft gezegd: <<De mensen wilden een toren bouwen, zodat ze niet over de hele aarde verspreid zouden raken. Maar de HEER verstrooide hen, omdat ze die bouwden (Gen. 11:4-9). Abraham vreesde, dat de farao zijn vrouw zou nemen en zou zeggen, dat ze zijn zus was (alsof God hem niet kon beschermen), en daarom nam de farao haar in zijn huis op>> (John Nelson Darby). Dit gebeurt later opnieuw onder vergelijkbare omstandigheden. Elimelech verlaat het land van God om te ontkomen aan de angst voor de dood door hongersnood, maar wordt in het land Moab door de dood overvallen (Ruth 1:1-3).

Abraham ontvangt inderdaad hulp voor zijn directe nood door deze misplaatste stap. Ja, hij kan zelfs rijkdom verwerven. Maar tegen welke prijs? Want in Egypte kan hij geen tent opslaan, geen altaar bouwen en ook de naam van de Heer daar niet aanroepen.

De trouw van de God van Abraham

Maar ondanks het falen blijft God trouw aan Zijn volk. “Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk” (Rom. 11:29). God laat Zijn volk niet in de steek wanneer ze falen. Hij handelt ten gunste van ons, ook wanneer we moeten lijden op Zijn regeringswegen vanwege onze dwaasheid. Zo handelde God in het voordeel van Zijn falende dienaar. We lezen: “Maar de HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram” (Gen. 12:17).

Nadat Abrahams bedrog was ontdekt, werd hij uit de wereld verbannen. Farao zei: “… Nu, hier is uw vrouw; neem haar mee en ga!” (Gen. 12:19). En de farao zorgde er ook voor, dat Abraham daadwerkelijk vertrok, want hij “gaf enige mannen opdracht met betrekking tot hem en zij begeleidden hem en zijn vrouw en alles wat hij had …” (Gen. 12:20). Het is triest wanneer de wereld gelovigen verbant, niet omdat ze trouwe getuigen van God zijn geweest, maar omdat ze zich schandelijk hebben gedragen.

Zo zorgt Gods goedheid ervoor dat Zijn arme dienaar uit deze verkeerde positie wordt bevrijd, maar niet zonder verwijt en schande.

 

NOTEN:
1. Eigenlijk ’Naar (d.i. overeenkomstig) [het] geloof,’ dit is zij hadden alleen de beloften en niet de vervulling.
2. Of ‘in het land.’ 

 

Hamilton Smith ; © www.bibelpraxis.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW