3 weken geleden

Zwijgen van de vrouwen in de gemeenten (1)

Het onderwerp “vrouwen op de kansel” is hoogst actueel vandaag. Nederlandse Gereformeerde Kerken, Christelijk Gereformeerde Kerken houden zich daarmee bezig en mogelijk ook nog andere kerken. Het houdt de gemoederen ‘heftig’ bezig … Maar wat zegt het Woord van God daarover? Enkele gedachten hierover wordt in dit artikel naar voren gebracht. Hopelijk mag het bijdragen tot meer inzicht in dit ‘fenomeen’. Er volgt D.V. binnenkort nog een artikel hierover. – FW.

1 Korinthe 14 vers 34,35: “Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in [de] gemeente”.

Vrouwen behoren niet te spreken

Hoe zijn de mensen bezig geweest met het bestormen van deze verzen 34 en 35, vooral in onze tijd, die de “gelijkstelling van de vrouw” als het ware als de allerhoogste zegen voor de mensheid op hun vlaggen geschreven heeft! Hoe ernstig is het gevaar dat deze geest van de wereld ook binnendringt in het midden van de kinderen van God! Het Woord van God is echter onbeweeglijk en het houden ervan is vol zegen.

Dit gedeelte bevalt de mens, vooral de religieuze mens helemaal niet. Hij heeft een schat aan argumenten klaarliggen om deze woorden van God te ondermijnen en ondoeltreffend te maken. Maar wanneer de mens begint te argumenteren, is dat het zekerste bewijs dat hij niet wil gehoorzamen. En bovendien versmelten zijn argumenten als sneeuw voor de zonnegloed van het Woord van God. Laten we eens kijken naar enkele van deze argumenten:

  1. Deze ordening van de apostel verwijst alleen naar de toenmalige tijd en de vrouwen van de Korinthiërs, die vooral babbelachtig waren. Ze moesten niet smoezen en kletsen. Dat betekent het Griekse woord voor spreken.
  2. Het gaat alleen om echtgenotes, want er staat uw vrouwen.
  3. In de heilige dingen van God heeft de vrouw dezelfde voorrechten als de man, want er staat geschreven: “… daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus” (Gal. 3:28).

1. We hebben reeds uit de aanhef in deze brief gezien dat het eerste argument ongegrond is: het richt zich tot alle christelijke belijders, niet alleen de “de gemeente van God die in Korinthe is” (zie: 1 Kor. 1:2) [1]. En wat het Griekse woord laleo betreft, het betekent “praten”, “spreken” en niet “smoezen” of “kletsen”. Van de 241 keer dat dit woord voorkomt in het Nieuwe Testament, betekent dit in geen enkele passage “smoezen”. In ons hoofdstuk kwamen we het ook tegen: “… en laten twee of drie profeten spreken …” (1 Kor. 14:29).

2. Wat betreft het tweede argument is het absurd om te veronderstellen, dat getrouwde vrouwen niet mochten spreken, maar ongehuwde vrouwen wel. De leringen van het Woord van God over de positie van vrouwen zijn altijd van fundamentele aard en omvatten altijd alle vrouwen, ongeacht of ze getrouwd zijn of niet. Het is ook interessant dat de beste en meest betrouwbare manuscripten hier eenvoudigweg lezen: “Laten de vrouwen …”.

3. Het derde argument heeft op het eerste gezicht meer gewicht, maar alleen op het eerste gezicht. Aan het begin van het elfde hoofdstuk heeft de apostel de ordening van God in de schepping voorgesteld: God – Christus – man – vrouw. Overigens is deze scheppingsordening geen waarde-ordening – de vrouw is net zo waardevol als de man, ze heeft zelfs nog fijnere functies dan hij – maar het is een orde van gezag. Daarin staat de vrouw onder de man, zoals de man onder Christus staat. Hun positie wordt gekenmerkt door onderwerping aan de man, zoals de wet zegt (zie bijv. Num. 30:3-16). Deze positie van de vrouw als zijnde onder de man is niet veranderd noch opgeheven door het christendom. Integendeel, het moet in de gemeente gezien worden.

Zeker, “in Christus Jezus” zijn we allen één, daar is geen man of vrouw. Wat haar positie in Christus betreft, heeft de vrouw precies dezelfde voorrechten als de man. Zij is bijvoorbeeld net zo goed een aanbidder als de man. Maar “in de gemeente” bestaat dit onderscheid en moeten voor God, de engelen en de mensen worden voorgesteld zolang de gemeente op aarde is. “In de gemeente” – een term die vaak in ons hoofdstuk wordt gebruikt voor het samenkomen van de christenen – is de vrouw gewoon niet zoals de man, is de zuster geen broeder. Laten we er ook op letten: “in Christus Jezus” – “daar is geen man of vrouw”; maar “in de gemeente” – “Laten de vrouwen zwijgen”.

Het 34e vers: “Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten”, sluit immers onmiddellijk aan bij vers 33. Daar vonden we wat alle gemeenten van de heiligen zouden moeten kenmerken: God is geen God van verwarring, maar van vrede. Waar God waarachtig wordt geëerd, wordt ook de natuurlijke welvoeglijkheid waargenomen. Wanneer zich niet alles in ons verzet tegen de gedachte aan een openbare dienst van de vrouw, dan laat het zien hoe ver we ruimte hebben gegeven aan de tijdgeest. In elk geval zou de Griekse wereld op het moment dat deze brief werd geschreven, het voor een vrouw buitensporig vinden om in openbare bijeenkomsten te spreken. Is het niet buitengewoon verootmoedigend, dat het juist aan het christendom voorbehouden bleef, om deze oorspronkelijk door God gegeven en zelfs door de heidenen in acht genomen ordening volledig op zijn kop te zetten?

In een eerder hoofdstuk had de apostel uitdrukkelijk de vrijheid van de vrouw voor zowel gebed als profetie vastgesteld (1 Kor. 11:5-16). Maar in de samenkomsten zou hun stem niet gehoord moeten worden, behalve als onderdeel van dat algemene loflied, dat gewoonlijk uit dergelijke samenkomsten tot God omhoog stijgt (Rom. 15:6). De dienst van de vrouw is thuis (Titus 2:4,5), en onderdanigheid kenmerkt haar plaats (Ef. 5:22-24,33). Dit leert zowel het Oude als het Nieuwe Testament en echt geloof heeft dit te allen tijde gerealiseerd. Sara gehoorzaamde Abraham en noemde hem Heer (1 Petr. 3:6). Toen Miriam profeteerde, gebeurde dat vóór de vrouwen van Israël uit (Ex. 15:20,21). Toen Debora als richter in Israël gewekt werd, was het een gerechtelijk teken van de oneer van het volk, dat zijn ware positie door ontrouw had verloren (Richt. 4). Toen de stem van de profetes Hulda in de latere dagen van de afvalligheid van Juda gehoord werd, gebeurde het vanuit het “tweede deel”, de “onder-stad” van Jeruzalem (2 Kon. 22:14,15; Zef. 1:10). Zo laat de Schrift overal zien, dat de opkomst van de vrouw niet in overeenstemming is met de oorspronkelijke wet van de schepping en met de bescheidenheid en zachtmoedigheid, die in de ogen van God de vrouw sieren.

Dat een vrouw niet leren en niet over de man heersen moet, of in de gemeente of elders, wordt elders benadrukt en daarmee gefundeerd, toen de vrouw bij het begin eenmaal de leiding nam, heeft dit geleid tot zonde (1 Tim. 2:12-14). Wat een ernstige afwijking van het Woord en de ordening van God betekent dat dan ook in de geschiedenis van de kerk op aarde, toen men “vrouw Izebel” die zichzelf een “profetes” noemt, liet begaan te leren, en de dienaren van God te verleiden (Openb. 2:20)! Is het niet erg belangrijk, dat de meest verderfelijke ketterijen in de christelijke wereld zoals de Christelijke wetenschap, theosofie en spiritisme door vrouwen opgericht en geleid werden? Geeft het ons ook niet ernstig te denken, dat de moderne gave van talen in charismatische kringen voornamelijk door vrouwen wordt uitgeoefend? De apostel spreekt in een brief van de eindtijd “vrouwspersonen” [2], “die met zonden beladen zijn, en gedreven worden door allerlei begeerten, [vrouwen] die altijd leren en nooit tot de kennis van [de] waarheid kunnen komen” (2 Tim. 3:6,7).

De vrome, godvruchtige vrouw zal echter handelen naar wat God door Zijn apostel voor alle gelovige vrouwen heeft verordonneerd: zij zal zwijgen in de gemeenten. En als ze vragen heeft en ze wil leren, zal ze haar eigen man thuis vragen; “Want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente”. En de ongehuwden? Ze kunnen de hulp inroepen van ervaren vrouwen die ouder zijn in hun geloof dan zij (Titus 2:3-5). Hoe mooi, zou ik willen opmerken met een zijdelingse blik op de echtgenoten en oudere vrouwen, wanneer de mensen die bij hen hulp zoeken daadwerkelijk ook Gods antwoord op hun problemen kunnen vinden!

Christian Briem

NOTEN VERTALER:
1. “… met allen, in elke plaats, die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen …”. De adressering van deze brief is dus niet alleen gericht tot de plaatselijke gemeente te Korinthe. Er ligt in dit vers geen enkele beperking van plaats, persoon of tijd. Alle gelovigen die het gezag van de Heer Jezus Christus erkennen, worden daaronder gerekend. Zo zien we dat deze brief op een heel bijzondere manier zich richt tot eenieder van ons en tot allen gemeenschappelijk. Zo’n adressering vinden we in geen enkele andere brief. Zo kan men zich dan ook vandaag niet onttrekken aan het gezag van dit deel van het Woord van God en kan men het vervolgens ook niet uitleggen als zijnde ‘tijdgebonden’ of ‘alleen bestemd voor de Korinthiërs’.
2. Eig. een (laatdunkend) verkleinwoord. Andere vertalingen hebben dan ook ‘vrouwtjes’.

 

© CSV, online in het Duits sinds 11.01.2003; geactualiseerd: 11.01.2018.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM