Bijbelgedeelten: Genesis 1; Genesis 5; Genesis 6 vers 9; Genesis 11; Genesis 12; Genesis 13; Genesis 17; Genesis 19; Genesis 20; Genesis 21
Leestijd: 4 minuten
Als God het wil, zullen alle wonderen in de Bijbel geleidelijk aan besproken worden. Deze serie richt zich op Gods buitengewone ingrijpen in Zijn schepping. Visioenen, openbaringen en Zijn voorzienigheid zullen in deze serie niet aan bod komen. De basis voor deze serie is het boek *Alle wonderen van de Bijbel* van Herbert Lockyer.
1. Het wonder van de schepping (Gen. 1-2)
Een van de grootste wonderen, die in het ‘Boek der Wonderen’ beschreven staan, is de schepping. Net als de heiligen van weleer geloven wij, dat de wereld door Gods Woord is geschapen (Hebr. 11:3). De schepping is een monument voor de Goddelijke macht en een weerspiegeling van de wijsheid van de Allerhoogste. Hij gebood, en het stond daar.
2. De opname van Henoch (Gen. 5:19-24)
Genesis 5 beschrijft mensen die een zeer hoge leeftijd bereikten. Als je al hun levensduur bij elkaar optelt, kom je uit op een totaal van 8575 jaar. Henoch was met 365 jaar de jongste, terwijl zijn zoon Methusalach met 969 jaar de oudste was. Van Henoch wordt gezegd dat hij met God wandelde – dat wordt alleen nog over Noach gezegd. Uiteindelijk werd Henoch opgenomen in de hemel. Toen hij werd opgenomen, zochten mensen naar hem (Hebr. 11:5), mogelijk door hen die hem vereerden (vgl. 2 Kon. 2:16) en door hen die hem haatten (1 Kon. 18:10). Maar hij kon niet gevonden worden – God had hem opgenomen.
3. De zondvloed (Gen. 6-9)
God opende de vensters van de hemel, en Noach sloot het venster van zijn ark. Vervolgens verrees er een enorme vloedgolf die wellicht een miljoen mensen meesleurde en doodde. Allen die zich niet in de ark bevonden, kwamen om, terwijl allen die zich in de ark bevonden, werden gered.
4. De taalverwarring in Babel (Gen. 11)
De zondvloed vernietigde de zondaars, maar niet de zonde zelf. Daarom sloegen de mensen de handen ineen om naam te maken. Maar dat behoort God alleen toe (Jes. 63:12,14; Jer. 32:20). Het oordeel was dus onvermijdelijk. In plaats van eenheid en kracht raakte de taal verward.
5. De plagen die Farao en zijn huis troffen vanwege Sara (Gen. 12)
Abraham wilde zijn leven sparen, dus moest Sara liegen en doen alsof ze zijn zus was. Dit bracht zijn vrouw in gevaar en ze werd opgenomen in de harem van de farao. Toen stuurde God op wonderbaarlijke wijze vreselijke plagen, opdat Sara weer aan Abraham teruggegeven zou worden. Abraham, die een zegen had moeten zijn, werd een vloek in Egypte. En zo werd Abraham uit Egypte verdreven alsof hij de plaag zelf was.
6. Abraham: Rokende oven en een brandende fakkel (Gen. 15)
God beloofde Abraham veel nakomelingen, en Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Maar Abraham vroeg om een teken, en dat werd hem gegeven: hij zag een rokende oven en een brandende fakkel ging door de drie dieren die Abraham in tweeën had gesneden.
7. De ontvangenis van de hoogbejaarde Sara (Gen. 17:15-19; 18:10-14; 21:1-8)
Sara is een van de weinige vrouwen wier leeftijd wordt vermeld. Zo weten we, dat ze op 91-jarige leeftijd een zoon kreeg en op 127-jarige leeftijd stierf. De ontvangenis van de zoon was een wonder omdat Sara al lange tijd onvruchtbaar was geweest. Maar God had het beloofd – en hij hield zich aan Zijn Woord. Sara moet een goede moeder zijn geweest; in ieder geval was Izak, de beloofde zoon, erg verdrietig over haar dood (Gen. 24).
8. De met blindheid geslagen Sodomieten (Gen. 19:9-11)
Slechts enkele decennia na de dood van de goede Noach leefden de inwoners van Sodom in grote zonde. Toen ze probeerden de twee mannelijke bezoekers van Lot te verkrachten, trof God hen met een visuele stoornis, waardoor ze de ingang van het huis van Lot niet konden vinden. Ze konden nog wel iets zien, maar hun hersenen waren blijkbaar niet meer in staat de informatie goed te verwerken. Een wonder van God!
9. De verwoesting van Sodom en Gomorra (Gen. 19)
Op slechts enkele kilometers van de stad waar koning en priester Melchizedek woonde, lagen goddeloze steden. De zonde van de steden in Kanaän was nog niet zo groot, dat God met oordeel moest reageren (dit zou pas onder Jozua gebeuren), maar in Sodom en Gomorra was het zover al gekomen. God zond vuur en zwavel uit de hemel neer en verwoeste deze steden.
10. De vrouw van Lot verandert in een zoutpilaar (Gen. 19:24-28)
De vrouw van Lot liep achter haar man aan, zoals gebruikelijk in het Oosten. Maar ze aarzelde niet alleen om te vluchten, maar ze keerde terug naar Sodom, wat God verboden had. Zo werd ze een zoutpilaar. Te midden van geologische onrust (aangenomen wordt dat de steden liggen op de plek waar nu de Dode Zee ligt) kan het zijn, dat deze volledig onder het zout is bedolven. Josephus, Clemens van Rome en de kerkvader Ireneüs beweren de pilaar te hebben gezien. De vraag rijst echter hoe de pilaar zo lang in de regen heeft kunnen ‘overleven.’
11. Het wonder van de gesloten baarmoeder (Gen. 20)
Twintig jaar nadat Abraham zijn vrouw als zuster had voorgesteld, herhaalde hij die fout. Maar God voorkwam overspel met Sara door Abimelech, die haar begeerde, samen met zijn vrouw en de dienstmeisjes te treffen. Toen Abraham voor hen bad, werden ze genezen en konden deze vrouwen weer zwanger worden.
12. Het wonder van de bron van Hagar (Gen. 21)
Sara verlangde naar kinderen en voelde zich niet gelukkig. Daarom gaf ze Hagar aan Abraham, en Ismaël werd geboren. Maar dit leidde alleen maar tot onrust: Hagar verachtte Sara, Sara behandelde Hagar hardvochtig, en Abraham zuchtte. Na achttien jaar moesten Hagar en Ismaël weggestuurd worden. De waterzak die Abraham hen had gegeven, raakte al snel leeg. Maar God opende Hagars ogen, zodat ze vlak voor haar dood een waterbron zag. Het was Gods ingrijpen.
Gerrit Setzer; www.bibelstudium.de;
Online in het Duits sinds 06.08.2015
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW