9 maanden geleden

Wat doe ik met mijn lichaam? (III) – Slot

We gaan weer verder met ons onderwerp: “Wat doe ik met mijn lichaam?” 

Waaraan we in deel II al begonnen, vervolgen we nu ook weer met wat een broeder over 2 Korinthe 5 ooit eens schreef. Het is wel raadzaam 2 Korinthe 5 voor je te nemen om het te kunnen volgen.

11. Daar wij dan weten hoezeer de Heer te vrezen is1, overreden wij [de] mensen; maar voor God zijn wij openbaar geworden, en ik hoop dat wij ook in uw gewetens openbaar zijn geworden.
12. Wij bevelen niet opnieuw onszelf bij u aan, maar geven u aanleiding tot roem over ons, opdat u die hebt tegenover hen die in [het] uiterlijk roemen en niet in [het] hart.
13. Want hetzij wij buiten onszelf zijn, [wij zijn het] voor God; hetzij wij nuchter zijn, [wij zijn het] voor u.
14. Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot dit oordeel zijn gekomen, dat Eén voor allen gestorven is; dus zijn zij allen gestorven.
15. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen is gestorven en opgewekt.
16. Wij kennen2 dus van nu aan niemand naar [het] vlees; en als wij al Christus naar [het] vlees hebben gekend,2 dan kennen2 wij [Hem] nu niet meer [zo].
17. Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.
18. En alles is uit God, Die ons met Zichzelf heeft verzoend door Christus en ons de bediening van de verzoening heeft gegeven,
19. namelijk dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende en in ons het woord van de verzoening legde.
20. Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God [als het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.
21. Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.

De praktische gevolgen van de rechterstoel

11. Daar wij dan weten hoezeer de Heer te vrezen is1, overreden wij [de] mensen; maar voor God zijn wij openbaar geworden, en ik hoop dat wij ook in uw gewetens openbaar zijn geworden.

De apostel spreekt nu van de huidige gevolgen van het bewustzijn eenmaal voor de rechterstoel van Christus te staan. Hoewel gelovigen en ongelovigen voor dit tribunaal zullen staan, weten we uit andere Schriftplaatsen, dat dit op zeer verschillende tijdstippen en met zeer verschillende resultaten zijn zal. Voor ongelovigen zal de dag van het openbaar worden een dag van verschrikking zijn. Want voor hen gaat het er niet alleen daarom, met het oog op hun daden openbaar te worden, maar ze zullen als personen worden geoordeeld. Omdat Paulus deze consequentie wist, overreedde hij de mensen om de komende toorn te ontvluchten.

Daar bovenuit bewerkt de kennis van dit openbaar worden, dat wij als gelovigen nu al voor God openbaar willen zijn. Dit betekent dat we in de tegenwoordigheid van Hem leven die ons volkomen kent. Tot slot hoopte Paulus dat hij door zijn levenswandel voor God ook tegenover gelovigen een leven openbaren zou, dat zij met hun geweten zouden kunnen goedkeuren.

12. Wij bevelen niet opnieuw onszelf bij u aan, maar geven u aanleiding tot roem over ons, opdat u die hebt tegenover hen die in [het] uiterlijk roemen en niet in [het] hart.

Als zijn leven zo’n duidelijke taal zou spreken, zou hij het niet nodig hebben zich bij de Korinthiërs aan te bevelen. Hij vertrouwde erop, dat zijn leven voor hen aanleiding tot roem van hem zou zijn. Zo hadden zij een antwoord tegenover hen die zich vanwege hun uiterlijke verschijning beroemden voor mensen, terwijl de reine en verborgen motieven van het hart voor God ontbraken.

De liefde van Christus

13. Want hetzij wij buiten onszelf zijn, [wij zijn het] voor God; hetzij wij nuchter zijn, [wij zijn het] voor u.
14. Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot dit oordeel zijn gekomen, dat Eén voor allen gestorven is; dus zijn zij allen gestorven.

In tegenstelling tot de harteloze informanten, die zich vanwege hun uiterlijke verschijning beroemden, werd de apostel door goddelijke genegenheid gedreven, die hem buiten zichzelf bracht in de vreugde van al datgene, wat God is. Tegelijkertijd maakte hem dat uiterst nuchter met het oog op de heiligen. Echter onafhankelijk daarvan of hij nuchter of buiten zichzelf was, drong hem de liefde van Christus. Deze liefde is in zijn volheid aan het kruis zichtbaar geworden. Daar stierf Christus voor allen. Het is het getuigenis van de liefde van Christus voor allen alsmede van de diepste behoefte van alle mensen. Zo werd Paulus in zijn prediking ten opzichte van de wereld door de vrees voor de Heer en door de liefde van Christus gedrongen.

In deze verzen die het hart doorgronden, komen dan ook de praktische gevolgen van het bewustzijn naar voren, dat we allen voor de rechterstoel van Christus moeten verschijnen:

  1. Wat deze wereld betreft, werd de apostel ertoe geleid om de mensen te overreden;
  2. wat hem zelf betreft, leidt dit bewustzijn hem ertoe onder de ogen van God zijn leven te leiden, waarvoor hij openbaar werd;
  3. ten aanzien van de heiligen werd de apostel ertoe gebracht op een wijze zijn leven te leiden, zodat hij een aanbeveling voor hun geweten werd.

De apostel dacht in zijn levenswandel en op zijn wegen daarom aan de noden van de wereld, aan de vrees voor God en aan het geweten van de heiligen.

15. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen is gestorven en opgewekt.

De apostel spreekt nu verder over de liefde van Christus als de drijvende kracht van het nieuwe leven van de gelovige. Als Christus stierf in Zijn grote liefde voor ons en daarna weer opgestaan is, dan moet het voor ons niet langer zo zijn voor onszelf te leven, maar voor Hem.

De nieuwe schepping

16. Wij kennen2 dus van nu aan niemand naar [het] vlees; en als wij al Christus naar [het] vlees hebben gekend,2 dan kennen2 wij [Hem] nu niet meer [zo].
17. Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.
18. En alles is uit God, Die ons met Zichzelf heeft verzoend door Christus en ons de bediening van de verzoening heeft gegeven.

Maar als Christus stierf en weer opstond, dan is Hij Iemand die wij niet meer als op aarde levend en naar het vlees kennen, maar als Iemand die een verheerlijkt lichaam in een volledig nieuwe plaats in de heerlijkheid bezit. Dit brengt de apostel ertoe om te spreken over de “nieuwe schepping”. De dood is het einde van de oude schepping, de opstanding is het begin van het nieuwe. In de oude schepping werd eerst de materiële wereld geschapen, daarna Adam, het hoofd van deze schepping. In de nieuwe schepping komt op de eerste plaats Christus, het Hoofd, vervolgens die van Christus zijn (verg. 1 Kor. 15:23). Tot slot zal er ook een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarin “het oude voorbijgegaan is”: zonde, lijden, pijn, tranen en dood. Daar zijn alle dingen nieuw – “alles behalve God”. Alle dingen in deze heerlijke scène zijn van God, alle dingen zullen geschikt zijn voor God. Het is dan ook een scène, waarin God met volkomen vreugde wonen kan.

In de tussentijd heeft God de gelovige door Jezus Christus met Zichzelf verzoend. Door het werk van Christus:

  • zijn wij in Christus voor God gesteld;
  • zijn wij vrij van de straf op de zonde;
  • zijn wij in alle gunst die op Christus rust in heerlijkheid;
  • is de liefde van God in onze harten uitgegoten.

De dienst van de verzoening

Samenvattend kan men over de grote waarheden van dit hoofdstuk zeggen:

  1. Het huis dat we in de hemelen hebben, verlost ons van de angst met het oog op dat, wat over het sterfelijk lichaam hier op aarde nog komen kan (vs. 1-8);
  2. De rechterstoel van Christus leidt ons, Christus te behagen en de mensen te overreden (vs. 9-12);
  3. De liefde van Christus dringt ons voor Hem te leven en niet voor onszelf (vs. 13-15);
  4. De nieuwe schepping bevrijdt ons ervan mensen naar het vlees te kennen (vs. 16-17);
  5. Verzoening brengt ons ertoe anderen te vragen zich met God te laten verzoenen (vs. 18-21).

Hamilton Smith>>

NOTEN:
1. Letterlijk ‘de vrees (of: schrik) van de Heer kennen’.
2. Het eerste ‘kennen’ is bewust, innerlijk kennen; het tweede en derde is objectief kennen.

Slot

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW