1 maand geleden

Vrijheid, verantwoordelijkheid, broederschap

Bijbelgedeelte: Romeinen 14 vers 1 – 15 vers 7.

Veel ontmoediging en zwakheid onder christenen komt voort uit verschillende opvattingen over hoe bepaalde dingen te beoordelen. Het vereist geen specifieke scherpzinnigheid om de verderfelijke effecten daarvan vandaag op te merken. In de brieven van het Nieuwe Testament vinden we veel zinspelingen op het feit dat dergelijke problemen al bij de vroege gemeente bestonden. Deze zinspelingen zijn gekoppeld aan geïnspireerde leringen die, wanneer ze worden toegepast, met succes deze moeilijkheden tegengaan.

Deze leringen zijn in elk opzicht dringend nodig. Het onderwerp kan, oppervlakkig bezien, onbeduidend zijn, maar hoe gemakkelijk kan het iemand aan “de genade van God ontbreken”, en als gevolg daarvan schiet er uit een klein meningsverschil een “wortel van bitterheid” op, die ons allemaal verontrust en “velen verontreinigt” (Hebr. 12:15). Een groot bos kan door een klein vuur aangestoken worden, waaraan Jakobus ons herinnert (Jak. 3:5).

In Romeinen 14 geeft de apostel Paulus drie zeer duidelijke principes aan, die rechtstreeks verband houden met dergelijke onderwerpen. En elk van deze principes wordt gevolgd door een vermaning, dat we in overeenstemming met dit principe moeten handelen.

Het hoofdstuk laat ons zien hoe belangrijk het is om een “zwakke in het geloof” aan te nemen” (vs. 1). “Zwakken in het geloof” hebben verkeerde gedachten over veel dingen, en we moeten hen niet aannemen om discussies over twistpunten te beginnen. Een dergelijke discussie zou inderdaad een “beslissing over twijfelachtige  overleggingen” zijn. Degenen die sterk zijn moeten niet vergeten dat de “zwakke” broeder niet zwak is in zijn vermogen om te redeneren, maar in zijn begrip. Wat hij daarom nodig heeft, is een beter begrip van de hele waarheid van God. Als hij geduldig wordt onderwezen, zullen veel van deze omstreden kwesties zichzelf oplossen.

Het hoofdstuk geeft enkele aanwijzingen voor de aard van vragen die de vroege gemeente hebben beziggehouden.

Ten eerste was er de vraag of iemand vlees zou mogen eten (vs. 2): de een was er zeker van alles te mogen eten; anderen hadden bedenkingen; sommigen gingen zelfs zo ver, dat ze alleen groenten wilden eten.

Ten tweede was de vraag gerezen of men bepaalde dagen zou moeten houden (vs. 5): de een stelde bepaalde dagen boven andere dagen, de ander stelde elke dag gelijk. Deze twee twistvragen waren voornamelijk aanwezig in bijeenkomsten, die waren samengesteld uit Joden en heidenen.

Ten derde waren er vragen over dingen die aan afgoden werden geofferd, omdat we geloven dat dit met het woord ‘onrein’ in vers 14 moet worden aangegeven. Hetzelfde is waar in 1 Korinthe 8 en 1 Korinthe 10 vers 19-33, want dat was een vraag die voortdurend kon rijzen. Iemand met kennis kan zelfs zo ver gaan om in een afgodstempel aan te gaan zitten (1 Kor 8:10). Anderen die door een ongelovige worden uitgenodigd voor een feest kunnen geneigd zijn om er heen te gaan (1 Kor. 10:27); zelfs met vlees dat op de markt werd gekocht (1 Kor. 10:25), kon deze vraag zich voordoen, omdat veel van het aangeboden vlees afkomstig was van dieren die in verbinding met heidense offers werden gedood.

In geen van deze gevallen geeft de Heer specifieke en precieze instructies. Het is duidelijk dat Hij het doel heeft, dat elke volgeling naar zijn eigen overtuiging moet handelen om zo te profiteren van de persoonlijke ervaring die hij daardoor zou verkrijgen.

Allereerst toont Romeinen 14 het grote beginsel van de vrijheid.

Dit principe is te vinden in de verzen 3 en 4 in verband met de vraag of men vlees zou mogen eten. Als er meningsverschillen ontstaan, hebben we de neiging om op elkaar in te werken. Degene die eet, veracht degene die niet eet, omdat zijn zorgen in de hoogste mate bekrompen zijn. Degene die niet eet, beoordeelt en veroordeelt iemand die eet, omdat hij niet in staat is om in de vrijheid van anderen iets anders te zien dan onverantwoordelijke wetteloosheid.

“Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt?”, vraagt de apostel (vs. 4). Een legitieme vraag! Echt onverantwoordelijk is niet de schijnbare bekrompenheid van de ene, noch de schijnbare breedheid van opvatting van de ander, maar de aanmatiging van rechterlijke taken, die alleen aan de grote Heer van ons allemaal toebehoren. We staan of vallen deze Heer, en op Zijn steun kunnen we werkelijk rekenen, zoals het laatste deel van het vers bemoedigend tot uitdrukking brengt: “… want [de Heer] is machtig hem staande te houden”.

Begrijpen we dat allemaal? Ook al zijn we er nog zo zeker van de gedachten van de Heer op een bepaald punt te kennen -, het is niet aan ons om anderen te oordelen. De Heer behoudt zich het recht voor om Zelf met Zijn knechten te handelen, en wij moeten onze handen van hen afhouden. Onze zaak is om onze eigen Heer te dienen en Zijn Woord te raadplegen, om zo in onze harten de zekerheid te krijgen wat Zijn wil is voor onze weg.

Het principe van christelijke vrijheid wordt samengevat in de woorden: “Of hij staat of valt gaat zijn eigen Heer aan” (vs. 4). De aansporing hierop gebaseerd is: “Ieder zij in zijn eigen denken ten volle verzekerd” (vs. 5). Om tot zo’n overtuiging te komen, moet elke serieuze en oprechte christen de Schriften onder gebed bestuderen.

Dat leidt ons naar het tweede principe, dat van verantwoordelijkheid.

En wel dat we rechtstreeks en uitsluitend tegenover de Heer zelf verantwoordelijk zijn. Het is duidelijk dat het belangrijker is voor een gelovige om te handelen in overeenstemming met de wil van de Heer, zoals hij Zijn wil begrepen heeft – zelfs wanneer zijn begrip gebrekkig is -, dan dat hij een volkomen begrip van deze wil heeft. Ik zeg dat met het oog op de verzen 6 en 14.

Vers 6 laat zien dat hij die de dag eert of eet, dat doet voor de Heer; en degene die de dag niet eert of niet eet, doet dit eveneens voor de Heer. De gedachten van de Heer zijn ondubbelzinnig en kunnen daarom niet in twee tegengestelde richtingen wijzen. Maar zowel het doen als ook het laten wordt op gelijke wijze beheerst door trouw aan de Heer; de gelovige handelt volgens zijn kennis, dat wil zeggen, zoals hij Zijn gedachten begrijpt. En dit behaagt Hem en betekent meer voor Hem dan wanneer de gelovige zijn gedachten louter heel nauwkeurig en precies begrijpt.

Vers 14 laat zien hoe belangrijk het is, dat mijn handelen in overeenstemming is met het licht dat ik heb, maar niet, zoals in vers 6, met het oog op de objectieve wil van de Heer, maar met het oog op de subjectieve uitwerking van mijn handelen op mijn eigen geweten. Wanneer ik mij een bepaalde zaak “veroorloof”, hoewel ik geloof dat het onrein of verkeerd is, wordt mijn geweten verontreinigd. Het is voor mij onrein, onafhankelijk ervan hoe de Heer het beoordeelt.

Daarom moet noch van onwetendheid sprake zijn, noch moeten wij ontmoedigd worden om verder ijverig de wil van de Heer in deze zaken te onderzoeken. Integendeel! We moeten beproeven en volledig overtuigd zijn van datgene, wat de Heer wil dat we doen; we moeten handelen in overeenstemming met Hem. Zulk een handelen prijst en eert Hem, of we nu eten of de ene dag boven de andere stellen, of niet. Wij zijn van de Heer en leven voor Hem. Hij heeft door de dood en opstanding Zijn heerschappij over de doden en levenden gefundeerd. We zullen allemaal voor Zijn rechterstoel staan. Deze dingen zijn te vinden in de verzen 8-10.

Op dat plechtige moment, “zal ieder van ons voor zichzelf rekenschap geven aan God” (vs. 12). In deze woorden vinden we de leer van ons tweede principe: ieder zal voor zichzelf rekenschap afleggen, niet voor een ander. Onze verantwoordelijkheid is direct en persoonlijk en niets anders. Daarop is de vermaning gebaseerd: “Laten we dan niet meer elkaar oordelen; maar komt liever tot dit oordeel, dat u voor uw broeder geen struikelblok plaatst of een aanleiding tot vallen“ (vs. 13).

De vrijheid die we in Christus bezitten, moet dus worden gezien in samenhang met de verantwoordelijkheid die we jegens Christus hebben. Elke gelovige is zo direct jegens de Heer verantwoordelijk, dat hij niet door andere gelovigen beïnvloed moet worden, en ook niet zelf anderen beïnvloeden zal.

Zou dan de houding van elke gelovige en dienaar van Christus tegenover zijn medebroeders en mededienaars een trotse afstandelijkheid of superioriteit moeten zijn? In geen geval. De apostel introduceert nu een derde beginsel om de balans van de waarheid te voltooien: het beginsel van broederschap.

Hoofdstuk 14 begint met de “zwakke in het geloof”. Even later leren we dat hij de “huisknecht van een ander” is, dat hij “van de Heer” is (vs. 4). In vers 10 ontdekken we dat hij onze “broeder” is, en vers 13 verwijst er opnieuw naar. In vers 15 vinden we dit feit meer in detail. Daar wordt van hem gezegd: hij is “uw broeder … voor wie Christus gestorven is”. Dit is een zeer duidelijke leeruitspraak van het derde beginsel.

Hier zien we niet alleen het feit dat er een broederschap is, maar dat het gebaseerd is op de dood van Christus. Als we onze broeder in dit licht zien, kan zijn welzijn niet onverschillig voor ons zijn. Hij is een voorwerp van de liefde van Christus, die Hem zelfs tot de dood heeft gedreven. Als Christus zo veel van hem hield, welke houding zouden wij dan tegenover hem moeten hebben? Zullen we hem bedroeven of hem ten val brengen? Moeten we onze vrijheid – de vrijheid die onbetwist is, zoals de eerste paar verzen van het hoofdstuk laten zien – zo openlijk laten zien, dat zijn goed geweten verstoord wordt? Nooit! We moeten ten opzichte van hem genadig zijn of “wandelen naar de liefde”.

Bovendien moeten we ons realiseren dat deze kwesties van eten, het in acht nemen van dagen, vlees van afgoden en dergelijke van minder belang zijn. Het koninkrijk van God bestaat niet uit deze dingen, maar is “rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest” (vs. 17). Deze dingen zijn vooral belangrijk en we moeten er hard voor werken. Vanuit Gods gezichtspunt is het daarom goed om een geest van toegeeflijkheid te houden in de minder belangrijke dingen, in plaats van aan de gerechtigheid of vrede of geestelijke vreugde van gelovigen afbreuk te doen door op onze rechten te staan. Ik mag dan wel vrijheid hebben, maar het is goed om afstand te doen van deze vrijheid omwille van de broederschap, zolang het de verantwoording aan de Heer niet aantast. Dit wordt niet alleen benadrukt in vers 21, maar ook in 1 Korinthe 8 vers 9-13 en 1 Korinthe 10 vers 23-31.

In de eerste brief aan de Korinthiërs vat de apostel deze gedachten als volgt samen: “Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig” (1 Kor. 10:23). In het licht van dit vers hoeven we ons niet alleen af te vragen: “Heb ik de vrijheid om dit te doen?”, maar ook: “Is het nuttig voor mij om mijn vrijheid in dit geval te bevestigen en te gebruiken?”

Gekoppeld aan dit derde principe vinden we daarom de vermaning: “Laten wij dus jagen naar wat de vrede en de onderlinge opbouwing [dient]” (Rom. 14:19). Onze denkwijze moet daarom niet alleen deze richting hebben om wrijving, verdeeldheid en de verstoring van zwakkere broeders te vermijden, doordat wij op bepaalde momenten van onze vrijheid afzien, maar ook de positieve richting door het nastreven van alles wat tot vrede en opbouwing dient. Om op deze manier te kunnen handelen is er natuurlijk een zekere mate van zelfverloochening nodig; en in het bijzonder voor de ‘sterke’ gelovige zullen er tijden zijn, waarin hij zijn geloof voor zichzelf voor God hebben moet en de openbaring van zijn geloof in daden aan het volk in toom moet houden, zoals vers 22 concludeert.

Als we aandacht schenken aan dit vers, vooral het laatste deel, zullen we zien dat deze teugel een heilzame zaak is voor de sterke gelovige zelf, want in de uitbundigheid van zijn geloof kan hij gemakkelijk het doel voorbijschieten als hij zijn vrijheden neemt. Als iemand van ons dit ooit heeft meegemaakt, zal hij het er waarschijnlijk mee eens zijn dat we later, tijdens een stil moment, onrustig waren en misschien in ons geweten veroordeeld zouden zijn over dingen die we onszelf hadden toegestaan te doen.

Romeinen 14 is misschien een hoofdstuk, waarvan velen van ons geneigd zijn om bij het lezen van de Bijbel over te slaan. De schrijver moet bekennen, dat hij zich in de lange tijd van zijn christelijk leven niet meer kan herinneren ooit een toespraak daarover te hebben gehoord. En toch staat het vol met de belangrijkste instructies, die, als ze aangenomen en uitgeleefd worden, grote zegen voor de gemeente brengen en  zo sommige krachten die verdeeldheid wekken in de kiem smoren.

Online in het Duits sinds 08.04.2014.

F.B. Hole, www.bibelstudium.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol