15 jaar geleden

Vijf lessen van de Meester

Johannes 21

Langzaam wijkt het donker van de nacht voor de morgenschemering. Eenzaam trekt een vissersboot zijn baan richting de oever van de zee. In de boot zitten zeven mannen, ten dele ervaren vissers die de zee goed kennen. De mannen zijn teleurgesteld. De hele nacht door hebben zij hard gewerkt, hebben zich moeite gegeven maar geen enkele vis ging in hun net. Nu keren ze vermoeid en hongerig terug.

Aan de oever staat een man. Hij spreekt de vissers, als zij dichterbij komen, aan: “Hebt u soms iets te eten?” Neen, zij hebben niets, geen enkele vis. Nu komt een zeldzaam dringend verzoek: “Werpt het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden”, zo zei hen de vreemdeling. De vissers kijken elkaar aan. Nog eens uitvaren? En dan de netten aan de rechterkant uitwerpen? Dat ging eigenlijk tegen de logica van een visser in. Maar ze doen het. En het gevolg? Een overweldigende visvangst!

We hebben zeker al lang opgemerkt wie die mannen in het schip zijn. Het zijn de discipelen van de Heer. En de man aan de oever is Jezus. Zo wordt het ons in Johannes 21 verteld (lees alsjeblieft opmerkzaam het hele hoofdstuk). Pas na de grote visvangst wordt het een van de discipelen duidelijk, en hij zegt: “Het is de Heer!” (vers 7).

De discipelen waren nu een ervaring rijker. De Heer had hen praktisch onderricht gegeven, en de discipelen hebben hun les zeker geleerd. Ook wij kunnen uit deze gebeurtenis voordeel voor ons leven trekken. Als bovenschrift boven dit hoofdstuk willen wij eens de woorden van onze Heer zetten, die de Heer bij een andere gelegenheid tegen Zijn discipelen gezegd heeft: “Want zonder Mij kunt u helemaal niets doen” (Johannes 15:5). Dat te begrijpen valt ons wellicht in de theorie niet zo zwaar, in de praktijk daarentegen des te meer. Daarom willen wij uit deze geschiedenis de volgende vijf lessen voor ons leren.

LES 1:

Handelen zonder de Heer leidt tot mislukking: de Heer Jezus heeft Zijn discipelen de opdracht laten geven in Galilea op Hem te wachten (Mattheus 28:7). Toen de tijd hen te lang duurde kwam Petrus op het idee te gaan vissen. De gedachte lag voor de hand want tenslotte was de zee van Tiberias immers hun voormalige arbeidsplaats geweest. Van daaruit heeft de Heer hen, in ieder geval ten dele, ook geroepen. De andere discipelen vonden het idee van Petrus goed. Zo kwam het dat zij in die nacht uitvoren; maar zij vingen niets.

Was het dan verkeerd wat de discipelen deden? Is vissen iets zondigs? Natuurlijk niet. Wat de discipelen hier deden was op zich volkomen in orde. Waar het om gaat is dat zij zonder een concrete opdracht van hun meester handelden. Anders uitgedrukt: Zij handelden onafhankelijk van Hem. Zij zouden Hem in Galilea zien, zo was hen gezegd, maar er was geen sprake van geweest dat zij de wachttijd met vissen moesten doorbrengen.

Het gevolg was een fiasco. Zij vingen niets. Maar ho even! Nu willen wij liever aan ons denken. Kennen wij dat ook niet? Daar hebben wij ons echt ingespannen, hebben ons ergens helemaal voor ingezet – en het gevolg was een complete buiklanding. Wanneer wij iets verkeerds hebben gedaan, dan weten wij snel waarom zoiets gebeurt. Maar wanneer de zaak in orde was, dan vinden wij misschien geen antwoord erop waarom het ons niet wilde gelukken. Hier kan ons de ervaring van de discipelen helpen. Hebben wij volgens opdracht gehandeld, of hebben wij geen instructie van de Heer? Wanneer ik aan mijn dochter vraag om de tafel te dekken en zij gaat in plaats daarvan stof afnemen, dan is het eigen handelen en daarom niet in orde. Daarom willen wij vasthouden: Handelen zonder de Heer leidt tot mislukking. Handelen op Zijn instructie daarentegen is altijd zegenrijk.

LES 2:

Eigen handelen maakt blind: Toen de discipelen op de oever aanstuurden, stond de Heer daar en wachtte op hen. Maar voor de discipelen was Hij aanvankelijk slechts een vreemdeling. Zij herkenden Hem niet en wisten in het begin niet wie Hij was. Pas door Zijn handelen en door Zijn woorden komt Johannes tenslotte tot het inzicht dat Hij wel de Heer zou moeten zijn.

Er zijn onderscheiden gronden waarop wij menigmaal in onze omstandigheden de Heer Jezus niet duidelijk herkennen. Toen de discipelen in de storm op zee waren, herkenden zij de Heer uit angst niet (Mattheus 14:26). De discipelen op de weg naar Emmaus waren zo overweldigd door teleurstelling, dat zij niet merkten wie het was die met hen ging (Lukas 24:15). Maria Magdalena was, toen zij bij het graf stond, zo vol verdriet dat zij haar geliefde Meester met de tuinman verwisselde (Johannes 20:14). Hier in ons voorval was het onafhankelijkheid, om niet te zeggen: ongehoorzaamheid.

Eigenmachtig handelen maakt ons blind. Plotseling herkennen wij onze Heer niet meer. Wij raken onze orientatie kwijt en moeten dan, zoals de discipelen, tenslotte voor onze mislukking de gevolgen dragen. Daarom mogen wij elkaar aanmoedigen de Heer helemaal niet uit het oog te verliezen. Met Zijn ogen wil Hij ons leiden (Psalm 32:8). Wij hebben de voortdurende blik op Hem nodig om ook niet net zo in onafhankelijkheid te handelen.

LES 3:

De Heer verliest ons niet uit het oog: De discipelen waren zonder de Heer aan het vissen gegaan. Het resultaat was een mislukking. En de Heer? Tot op een bepaald punt liet Hij Zijn discipelen hun gang gaan. De lege netten zouden hen niet bespaard blijven. Hoewel de discipelen Hem uit het oog verloren, Hem was de situatie niet ontgaan. Hij zag Zijn discipelen ook in de nacht, en toen de morgen gloorde stond Hij op de oever en verwachtte hen.

De Heer wist wanneer de discipelen Hem nodig hadden. En Hij was daar om hen weer op het juiste spoor te brengen. Op het juiste ogenblik laat Hij Zich herkennen.

Deze ervaring zullen wij ook maken. Wanneer wij eigen wegen gaan en menen zonder Hem te kunnen handelen, laat Hij ons soms de gang gaan. Tenslotte staan wij met lege handen daar en moeten ons eigen falen bekennen. Maar hoe bemoedigend is het dat de Heer ons niet laat vallen. Wanneer wij met onszelf klaar zijn, dan grijpt Hij ten onze gunste in en helpt ons weer terecht. Dat is onze Heer, vol goedheid en barmhartigheid.

LES 4:

De Heer wil ons gebruiken, maar Hij heeft ons niet nodig: Het verder verloop van het hoofdstuk toont ons, dat de Meester opdrachten geeft. Hij wilde de discipelen toen gebruiken, en Hij wil ons vandaag gebruiken. Maar voor de Heer Jezus daarvan spreekt, wat Zijn discipelen (hier vooral Petrus) voor Hem moesten doen, hadden zij nog een belangrijke onderwijzing nodig, namelijk dat de Heer Jezus niet op ons en onze dienst aangewezen is.

Toen de discipelen Hem nog niet herkend hadden, stelde Hij hen de vraag: “Hebt u soms iets te eten?”, en zij moesten toegeven: “Nee”. Toen zij dan later met de gevangen vissen opnieuw aan de oever kwamen, toonde de Heer hen dat Hij hun vissen absoluut niet nodig had. Op een kolenvuur lag al vis en brood. Alles was klaar, en dat zonder de hulp van de discipelen. Zij hadden daar helemaal niets aan kunnen bijdragen.

Voelen wij ons soms ook niet heel belangrijk? Misschien menen wij zelfs soms, dat het zonder ons helemaal niet gaat. Juist bij het werk voor de Heer (bijvoorbeeld kinderwerk, jeugdwerk, koor, evangelisatie activiteiten, enzovoorts) is de instelling: “Er loopt zonder mij ook helemaal niets” helemaal niet op zijn plaats. Natuurlijk wil de Heer ons graag in Zijn dienst gebruiken. Voor een ieder is er werk. Ieder heeft zijn of haar functie. Ja, Hij wacht op onze bereidheid om ons geheel aan Hem ter beschikking te stellen. Wij hoeven en moeten ook geen minderwaardigheidscomplex te hebben. Maar nodig heeft Hij ons niet. Het werktuig is toch niet belangrijker dan de Meester, die het hanteert? En zulke werktuigen in Zijn hand,, dat willen we toch allemaal zijn. Ieder gewichtigdoenerij is een hindernis en geen hulp.

LES 5:

De liefde moge ons handelen motiveren: Nog een verdere onderwijzing wilde de Heer Zijn discipelen geven, voordat Hij dan concrete opgaven geeft. Zij moesten leren dat alleen de liefde tot Hem het ware motief voor hun handelen zijn kan.

Driemaal hoorde Petrus de hart-doorzoekende vraag: “Heb je Mij lief”. Wij kunnen ons goed voorstellen hoe Petrus zich gevoeld heeft en hoe hij bedroefd werd. Hij was het toch geweest die voor alle anderen de indruk gewekt had, als zou hij de Heer het meeste liefhebben. Maar de Heer wilde Petrus niet in zijn droefheid laten. Nee, Hij maakte hem duidelijk, dat hij alleen dan een bruikbare dienaar zou kunnen zijn, wanneer hij zijn Meester werkelijk liefhad.

Vanuit welke motieven stellen wij ons aan de Heer in Zijn dienst ter beschikking? Er kan een hele reeks van gronden zijn. Maar het overstralende motief moet toch de liefde tot Hem zijn die ons zo zeer liefheeft. Als antwoord op Zijn liefde mogen wij Hem liefhebben, en vanuit deze liefde kan onze dienst voor Hem gezegend zijn.Voor de discipelen was dit zonder twijfel een voormiddag waarop veel gebeurde, waarop zij veel geleerd hebben. Wat kunnen wij daaruit leren?

E.A. Bremicker, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW