11 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (4)

Vanaf hier kunnen we beter spreken van: De geheime reis. Wat er aan vooraf ging: Dit verhaal speelt zich af in de tweede wereldoorlog. Na een gevaarlijke en spannende tocht hebben Jee-Pee en Babby het joodse gezin veilig op hun nieuwe onderduikadres in de kerk kunnen brengen. Ze mogen uitslapen en bijkomen bij oom Berend en tante Marie …

Bij tante Marie en oom Berend

De volgende morgen worden worden Jee-Pee en Babby heel laat wakker. Het is al 10 uur in de morgen. Dat is natuurlijk ook geen wonder want de beide vrienden hebben nogal een “drukke en spannende nacht” achter de rug. De zon schijnt al vrolijk op hun ramen en de vogels zingen al lang het hoogste lied. Stilletjes liggen de jongens te luisteren naar deze heerlijke rustgevende geluiden. Oom Berend is natuurlijk allang wakker en tante Marie zingt in de keuken haar lied met de merels mee. Het galmt door het huis: “Wat de toekomst brenge moge, mij geleidt des Heeren hand …”. Een thema dat in deze oorlogstijd heel veel christenen bezig houdt en waar iedereen, jong en oud, mee te maken heeft. Dat kennen oom Berend en tante Marie ook. Jee-Pee mijmert stilletjes met gesloten ogen: Ja, hier is het altijd gezellig. Die lieve nichten van mij – en dat zijn er nogal wat – kunnen óók zo mooi zingen. Als de afwas gedaan wordt, hoor je ze altijd zingen en nog vierstemmig ook! Oh, dat is fijn om naar te luisteren. En na de maaltijden zingen ze ook altijd. En … wat ik eigenlijk wel fijn vind en me vaak diep raakt … het gaat meestal over de Heere Jezus. Ook Babby ligt te genieten van de mooie stem van tante Marie. Wat een lieve vrouw is dat toch, denkt hij. Maar dan … plotseling wordt de deur open gegooid en komt een zwarte schim op Jee-Pee aanvliegen. De beide jongens schrikken zich het apezuur. Wat is dat? Het is de dolle viervoeter – die wilde jonge hond ‘Slim’. Hij is dol enthousiast dat Jee-Pee er weer eens is. Die kent hij wel, want Jee-Pee komt hier wel vaker. Slim duikt bovenop Jee-Pee die hem met gejuich begroet. Dan spelen de beide jongens een poosje met de lieve jonge hond totdat ze de stem van tante Marie horen: “Oehoe, uit jullie nesten, jongens. Hier staat wat heerlijks op jullie te wachten!” Dat laten Jee-Pee en Babby zich geen tweemaal zeggen. Ze vliegen zomaar in hun pyama’s de trap af, naar de gezellige eetkeuken van tante Marie. “Goej’n mörgen jong’s, lekker ‘eslaopen?”, zegt tante Marie in het sappige dialect en knippert daarbij vriendelijk met haar mooie bruine ogen. “Nou en of, tante”, antwoordt Jee-Pee en Babby knikt instemmend. “Nou, kom dan maar vlug aan de tafel om te eten. Je mag zoveel eten als je lust.” zegt tante Marie. De jongens gaan aan de tafel zitten. Ze hebben best trek. Ze danken de Heere voor het eten en doen zich daarna tegoed aan het heerlijke eigengebakken brood van tante Marie. Ja, in brood bakken is tante Marie een meesteres. Haar dochters zeggen vaak: “Dit komt van de koningin van de keuken”. En terecht! “Tante, waar is iedereen?”, vraagt Jee-Pee. “De meisjes zijn allemaal naar het land om te helpen met hooien. Dat moet vandaag allemaal binnen zijn”, antwoord tante. “En jongens, als jullie klaar zijn, kleedt je dan snel aan, want er staat nog meer op het programma voor jullie. Dat zal oom Berend jullie straks vertellen. Dan ga ik nu de kippen voeren en de eieren rapen”.

Tante Marie verdwijnt uit de keuken en de jongens smullen. Het smaakt voortreffelijk. Ze zullen het wel nodig hebben vandaag, al weten ze nog niet wat ze gaan doen. Na de maaltijd verdwijnen de jongens weer naar boven en kleden zich snel aan. Daarna gaan ze naar beneden waar tante hen al opwacht. Ze zien oom Berend met een mok hete dampende koffie voor zich in de keuken zitten. Hij is een heel vriendelijke man en kan mooie verhalen vertellen. Dat weet Jee-Pee maar al te goed. Nu gaat hij geen verhaal vertellen maar een opdracht doorgeven aan de jongens. “Doordat de Duitsers hun intrek hebben genomen in het kasteel, moet alles een beetje anders en moeten er dingen worden aangepast. Daarin mogen jullie weer helpen”. Nu geeft oom Berend hen instructies. De bedoeling was dat zij vandaag weer naar huis zouden gaan, maar dit plan gaat niet door. Daarom treedt “plan 2” in werking, waarvan alleen de ondergrondse weet. Daarin is oom Berend een belangrijke persoon, maar dat weten de jongens niet. “Ga eens zitten, jongens. Dan kunnen we even rustig praten, want dat is wel nodig”, gaat oom Berend verder. Babby en Jee-Pee kijken elkaar vragend aan en pakken een stoel. “Wel, jongens, zoals jullie weten, zit het gezin Cohen nu in de kerk, of beter onder de kerk. Daar kunnen ze echter maar heel kort blijven omdat de Duitsers hen zoeken. Op de een of andere manier hebben de Duitsers in de gaten gekregen dat er joden in de buurt zijn. Mogelijk zitten er ergens verraders. Gisteravond nog hebben ze bijna elk huis doorzocht om hen te vangen, maar ze zijn zonder resultaat weer vertrokken. Jullie hebben onder de ogen van de Duitsers de familie Cohen veilig in hun tijdelijke schuilplaats gebracht. De Heere heeft jullie en hen gespaard en beschermd. Maar nu moeten zij toch weer verder en wel naar een andere plaats dan we hebben verwacht. Jullie mogen daarbij helpen. Willen jullie dat wel?” Daar denken de jongens niet lang over na en roepen bijna tegelijk: “Ja, natuurlijk oom Berend”. Aan jullie ouders heb ik al gevraagd of dat goed is en ze vonden het goed. Jullie hebben bovendien vrij, dus dat komt goed uit. Want het duurt zeker twee weken voor jullie weer thuis zijn”. “Vrij?”, roepen ze nu allebei. “Hoe kan dat nu, we moeten de volgende week toch weer naar school?” – “Nee, luister”, zegt oom Berend ernstig, “dat kan niet want er is vanmorgen vroeg een V-1 afgeschoten die meteen weer neerstortte. Deze ‘luchtsigaar’ is precies bovenop de school terechtgekomen. Niemand is gewond of gedood, maar een groot deel ligt helaas in puin, dus kunnen jullie niet naar school. De burgemeester heeft direct al laten weten dat de vakanties vervroegd zullen worden, dus …”. “Jammer van de school maar ‘hiep hiep hoera’ voor ons want we hebben nu al vakantie”, flapt Babby er onmiddellijk uit. Oom Berend kijkt hem glimlachend aan. Deze reactie verbaast hem niet. ”Luister dan nu goed, jongens. Het gaat als volgt. Jullie gaan met de trein naar Leeuwarden en stappen daar over op de boemeltrein naar Stavoren. Dat ligt in Friesland. Daar moeten jullie zelf zien in Rijs te komen, dat niet zover van Stavoren ligt en daar moeten jullie naar een boerderij op zoek gaan waar de familie Buwalda woont. Dit moet natuurlijk wel geheim blijven, jongens. De rest staat in deze brief die ik voor jullie heb. Met Lepe Gerrit heb ik afgesproken dat hij op het station staat met voor jullie allebei een flinke koffer. O ja, nog iets … als jullie in de trein conducteurs zien met een rond speldje op hun rechterborst, aan hen kunnen jullie vragen wáár en hóe je moet overstappen op een andere trein. Zij weten van dit soort treinreizigers iets af en zullen jullie zeker helpen. Alleen op hun rechterborst, anders niet hoor, denk daar goed om”. Daarna geeft oom Berend hen nog enkele instructies wat ze moeten doen als ze Duitsers tegenkomen en hoe zij die kunnen ontvluchten, omdat zij geen geldige persoonsbewijzen (*1) bij zich hebben. De jongens hebben wel zulke documenten bij zich, maar die zijn door de ‘ondergrondse’ gemaakt – dus vervalst. Als de Duitsers dat zullen ontdekken, worden ze opgepakt. “Nog vragen?” “Eh, ja, oom. Zien we onze vaders en moeders nog voor we vertrekken?”, vraagt Jee-Pee aarzelend. Hij wilde hen nog graag even zien, net zoals de overigens stoere Babby. “Ja hoor. Dat was ik bijna vergeten. Zij zullen bij het station staan en dan kunnen jullie nog even afscheid nemen”, antwoordt oom Berend. “En nu … vlug opschieten hoor ….”, besluit oom Berend.

Op reis met slimme Hannes

Tante Marie heeft ondertussen in de keuken gezorgd voor een flink portie heerlijk eten en drinken voor onderweg en dit in een stevige tas gedaan. “Ziezo, en nu ‘hopla’ … naar buiten, hier is geld voor treinkaartjes. Hendrik zal jullie even naar het station brengen”, zegt oom Berend terwijl hij een paar bankbiljetten uit zijn portemonnee haalt. Het is ook al bijna twaalf uur en de jongens moeten wel op pad, anders komen ze niet op tijd op de plek van bestemming. Hendrik de knecht staat al klaar met paard en wagen – hij moet tegelijk een klusje doen voor oom Berend – en de jongens mogen achterop de wagen klimmen. Ze zwaaien naar oom Berend en tante Marie. Daar gaan ze dan. “Hop paard, hop …” roept de knecht nog eens. Zo begon hun avontuur ook, herinnert zich Babby opeens. Hij stoot Jee-Pee, die zichtbaar geniet van het ritje achterop de wagen, in z’n zij en zegt: “Jee-Pee, weet je nog van gistermorgen toen we ook op de wagen zaten met Blessie ervoor … met Lepe Gerrit die ons naar het kasteel bracht?” “Ja, nou en of. Maar het lijkt wel of dat al een jaar geleden is, zo veel hebben we al beleefd”, antwoordt Jee-Pee.

Rom-bom, rom-bom … zo klinkt het als het paard op de brug over de Sunne loopt. Het station ligt ongeveer één kilometer buiten het dorp. Dat is best een eindje lopen, maar dat is nu gelukkig niet nodig. Schim, het paard van oom Berend, heeft er flink de vaart in. Plotseling horen ze roepen: “Halt politie!”. Maar Hendrik weet wie deze agent is. Een oude schoolvriend van hem, die altijd vol met grapjes zit. Zonder te stoppen roept hij: “Mooi baantje, je moet zien dat je dat houdt.” Hij knipoogt tegelijk naar ‘Platneus’, de agent. Direct daarna roept hij nog eens extra “hop Schim”. En Schim begint nu nog harder te lopen. Platneus kijkt Hendrik lachend na en roept: “Oké … oké …”; en terwijl de jongens hun dikke volgegeten buikjes vasthouden van het lachen mompelt agent ‘Platneus’ nog: “Die Hendrik toch … hij heeft geluk dat Jan Das niet naast mij loopt .. die zou hem zeker te grazen nemen …”. Jan Das is de burgemeester van het vredige dorp, een vriend van de Duitsers.

Hendrik en de jongens zijn al bij de ‘viersprong’, waarachter het station ligt. Als de jongens naar het station kijken, kloppen hun harten sneller want ze zien daar een legerauto van de Duitsers staan. En als ze dichterbij komen zien ze, dat bij iedereen wordt gecontroleerd of ze hun persoonsbewijzen wel bij zich hebben en of ze geen verboden dingen over de Duitsers bij zich hebben, bijvoorbeeld illegale kranten of spotprenten. Maar Hendrik voelt blijkbaar aan dat de jongens schrikken en bang zijn. Hij kijkt daarom achterom en roept: “Rustig maar jongens. Ik ga ze wel afleiden en heel zielig doen. Ondertussen moeten jullie ongezien naar het station rennen, kaartjes kopen en naar je ouders gaan.” Jee-Pee en Babby knikken hem vol vertrouwen toe. Hoe zal dit aflopen? Ze hebben geen van beiden echte persoonsbewijzen bij zich. Opnieuw lopen de jongens – en daardoor ook hun ouders, die inmiddels ook op het perron staan – gevaar. Maar Hendrik weet er wel raad mee. Als ze een eindje vóór het station zijn aangekomen, moeten de jongens van de wagen afspringen en er dan achteraan gaan lopen. “En als jullie de kans schoon zien, ga dan rennen jongens, het stationsgebouw in, jullie vaders en moeders zijn daar als het goed is.”, besluit Hendrik. De jongens snappen niet goed hoe hij dat nu wil, maar ze vertrouwen hem. Vlak bij het station springen ze behoedzaam van de wagen en lopen achter de wagen verder. Hendrik rijdt nu met Schim tot dichtbij het station. Plotseling springt hij van de wagen, gaat voor een van de wielen liggen en roept: “Help! Help!” De Duitse controleurs en de mensen voor het station kijken verschrikt naar Hendrik. Daar ligt Hendrik languit op de straat vlak voor een van de wielen van de wagen met een van pijn vertrokken gezicht. Hendrik heeft voordat hij van de wagen sprong wel de handrem op de bok van de wagen vastgezet en het paard toegeroepen: “Ho Schim, ho!” Dat heeft niemand gemerkt. Hendrik begint steeds harder te brullen en dan gebeurt wat hij gehoopt heeft. De Duitse controleurs en een aantal andere mensen komen op zijn geroep af. Het wordt een hele oploop door het geroep van Hendrik die alsmaar naar zijn benen wijst.

Nu begrijpen de jongens wat Hendrik bedoelde. Vlug rennen ze achter de ruggen van de opschrikte mensen langs en duiken razendsnel het station in. Ziezo, deze hindernis hebben ze gehad. Ze kunnen meteen kaartjes kopen en dan zien ze plotseling hun ouders en vliegen op hen af. Dit is wel een heel emotioneel weerzien na al die avonturen die ze beleefd hebben. En terwijl Hendrik nog ”Au, au!” schreeuwt, overstemt even later het geluid van de stoomlocomotief alles. Nog een keer vliegen ze hun ouders om de hals en fluisteren allerlei lieve woorden in de oren van hun moeders. Maar omdat ze bang zijn dat de controleurs het perron opkomen, moeten ze snel weer afscheid nemen. Ze krijgen allebei een flinke zoen van hun ouders. Glimlachend staat er iemand te wachten tot ze afscheid genomen hebben. Het is Lepe Gerrit die daar staat te wachten met hun koffers. Oom Berend heeft het perfect geregeld.. Daarin zitten natuurlijk extra kleren voor de logeerpartij, denken ze. De ouders helpen om de koffers en de tas met eten en drinken de trein in te krijgen. Lepe Gerrit kijkt bezorgd naar het stationsgebouw. “Opschieten nu jongens, de Duitse controleurs komen deze kant al weer op”. Lepe Gerrit, die de opdracht had om de koffers te brengen – heeft het heldhaftige toneelstukje van Hendrik voor het station van dichtbij meegemaakt en begrepen dat hij snel moest handelen, om de jongens de trein in te krijgen. Als de jongens een plekje gevonden hebben in de trein, klinkt het fluitje. De trein gaat vertrekken.

Als de trein zich in beweging zet, biedt één van de Duitsers aan om Hendrik naar de dokter te brengen. Nee, dat wil Hendrik niet, kun je begrijpen. “Laat me maar even bekomen van de schrik,” zegt hij. “Nog bedankt dat jullie de wagen van mijn voet weggeduwd hebben, hoor. Ik kan zo meteen wel verder.”

Babby en Jee-Pee zwaaien vanuit de trein naar hun ouders en naar Lepe Gerrit, die op het perron staan. “Ziezo … dat is dan deel I van de reis”, grapt Jee-Pee. “Ja, zeg dat wel”, steunt Babby. Ze beseffen dat de Heere Jezus bijzonder heeft bewaard en geholpen. Nu gaan de jongens rustig zitten en genieten van de reis naar Leeuwarden.

* Een persoonsbewijs is een soort paspoort dat iedereen bij zich moest hebben.

(Wordt D.V. vervolgd).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol