13 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (3)

De vorige keer zijn de beide jongens Babby en Jee-Pee door het oog van de naald gekropen. God beschermde hen. Maar ze zijn nog niet waar ze moeten zijn, en ontdekken dan dat het gevaar overal op de loer ligt …

Tocht in de nacht

Jee-Pee en Babby pakken de roeispanen en roeien heel voorzichtig het water op, waarbij ze er wel voor zorgen zo dicht mogelijk langs het riet te varen, waardoor ze bijna onzichtbaar blijven vanaf de waterkant. Je merkt direct dat dit niet de eerste keer is. Dit is een hele geruststelling voor vader Cohen, die hun ervaring direct ziet. Hij denkt: Het zijn immers nog zulke jonge knapen van misschien net 12 jaar; ouder zijn ze zeker niet.

De jongens houden nu links aan en varen richting de Sunne. Na een poosje varen merken ze een sterkere stroming en voelen ook meer de wind, die deze nacht vanuit het oosten waait. Enkele onverwachte plonsen doet hen allen opschrikken. Donkere schaduwen werpen zich op het water … het zijn wilde eenden die hun nesten willen verdedigen omdat ze jongen hebben. “Stil maar dames”, zegt Babby, “we komen niet om jullie huisje te stelen”. Izak en Sammy schieten daardoor in de lach. “Sstttt … een beetje zachtjes, jongens”, vermaant vader Cohen bezorgd zijn zonen. Na een kwartiertje roeien komen ze bij de Sunne en varen ze in westelijke richting, wederom zo dicht mogelijk langs het riet dat ook hier welig groeit. Zo zijn ze haast niet te zien vanaf de vijandelijke kant, dat wil zeggen vanaf richting kasteel, omdat in die buurt de Duitsers zich bevinden. Behoedzaam laten ze zich mee voeren door de sterke stroming van de rivier de Sunne.

Het is heel stil in deze donkere nacht. Ook het gezelschap in de boot houdt zich muisstil. Je hoort alleen af en toe het geplons van het water rondom de boot en daar bovenuit het geruis van een behoorlijk sterke wind in het riet. “Als je niet beter wist, zou je denken dat er overal vrede … zo vredig ziet het er allemaal uit. Helaas …”, zo verbreekt vader Cohen de stilte. Niemand zegt iets, maar ze zijn het er allemaal roerend mee eens. Ondertussen is het bijna half drie in de nacht. Babby en Jee-Pee hebben alles goed onder controle. De boot glijdt vreedzaam door het water. Af en toe vliegt een watervogel verschrikt op door het zachte geluid dat de boot toch maakt. Donkere silhouetten staren de nachtelijke reizigers verbaasd na. Het zijn de koeien in de weilanden langs de Sunne. Toch is het wel een heel spannende tocht voor de beide vrienden. Als ze gesnapt worden door de Duitse bezetter, zijn ze het haasje. Je kan wel zeggen een heel grote haas, want er staan flinke straffen op, zowel voor de jongens als voor de ouders van de jongens. Jee-Pee denkt aan zijn ouders. Ze zullen nu wel voor ons bidden, denkt hij. Ja, van slapen komt voor hen niet veel en wat kun je dan beter doen dan bidden. Dat geeft hem toch ook een gevoel van rust. Ja, Jee-Pee weet dat de Heere hen nooit in de steek zal laten, ook nu niet. Babby denkt ook aan thuis. Zullen zijn vader en moeder al slapen? En wat zullen zijn broertje en zusje zeggen als hij morgenvroeg niet aan tafel zit voor het ontbijt?

V-2

Maar plotseling wordt de stilte wreed verstoord. Een enorm sissend geluid komt uit de richting van de basis van de Duitsers. Het geluid zwelt snel aan tot een enorm geluid – alsof een heel leger slangen aan het sissen is – en dan zien ze opeens de boosdoener die daarvan de oorzaak is. Ze kijken allen met verschrikte ogen in de richting van het kasteel. Het lijkt wel alsof er een heel grote sigaar door de lucht vliegt. En wat daarbij nog veel erger is … het komt recht op hen aan, tenminste zo lijkt het. De werkelijkheid is dat deze “luchtsigaar” toch wel veel hoger vliegt dan dat het lijkt. Toch duikt de familie Cohen op de bodem van de boot en sturen de Babby en Jee-Pee zo snel mogelijk de boot naar de zuidkant van de Sunne in het riet – naar de zuidkant omdat ook hun dorpje aan die kant ligt en daar hun einddoel ligt.

Het is de eerste keer voor het hele gezelschap dat zij zoiets meemaken. Het is heel angstaanjagend. “Het is een V-2”, roept Babby uit. De schrik slaat hen nu wel echt om het hart. Het dodelijke wapen komt wel gevaarlijk dichtbij. Horen en zien vergaat hen, zoveel lawaai heeft het ding bij zich als je het van dichtbij hoort, zoals nu het geval is bij onze vluchtelingen. “Heere Jezus, bewaar ons”, bidt Jee-Pee hardop. Niemand hoort het door het lawaai maar Jee-Pee weet dat de Heere alles hoort. Wat gebeurt er? De sigaar stijgt plotseling vlak voor hen stijl de lucht in, verandert haar koers en vliegt vervolgens verder richting het dorp. Wat het gezelschap niet beseft op dit ogenblik is, dat dit een mislukte lancering is van een V-2 raket. Het moordwapen was bedoeld voor de Engelse hoofdstad Londen. Daarop hebben de Duitsers het ding gericht. Maar het gebeurt regelmatig dat het mislukt en zwaait het af … een “afzwaaaier” dus. Je weet van te voren ook nooit waar zo’n afzwaaier terecht komt. Met verbaasde maar toch ook dankbare ogen volgen onze bootavonturiers de V-2. Zij waren aan de dood ontsnapt. Jee-Pee is zo ontdaan en vol met emotie dat hij op zijn knieën valt en stamelt: “Dank U Heere Jezus, dat U ons bewaarde”. Ja, hij besefte dat zijn gebed verhoord was. Het was de hand van God die dit zo heeft bestuurd, hen ten goede.

Vader en moeder Cohen kijken niet alleen verbaasd naar Jee-Pee maar ook met verlangende ogen. Hadden zij ook maar iets van dat, wat zij nu ontdekten bij deze eenvoudige plattelandsjongen, namelijk geloof in de levende God! En als vervolgens Babby naast zijn vriend neerknielt om op zijn manier de Heere Jezus te danken, dringt zachtjes maar zeker het licht door bij de familie Cohen. Ook Izak en Sammie kijken met bewonderende blikken naar de in hun ogen “reddende engelen”.

Het is nu weer heel stil in de boot. De belevenis van daarnet heeft op hen allen een diepe indruk gemaakt. Jee-Pee staat op, pakt zwijgend een roeispaan en begint de boot weer af te duwen van de kant om de reis vlak langs het riet te vervolgen. “Kom op”, Babby, we zijn er nog niet”. Babby komt ook overeind om zijn vriend te helpen. Ook de familie Cohen neemt weer plaats op hun bankjes. De wonderen rijgen zich aaneen, dat is hen nu wel duidelijk en God wil hen daarmee iets zeggen, ook dat begrijpen ze. Omdat de boottocht van dit gezelschap goed op tijd en volgens plan verliep – behalve natuurlijk wat zo-even gebeurde, want dat wordt niet door mensen gepland – kunnen ze in alle rust verder gaan. Het duurt ook niet zo lang of daar zagen ze het donkere silhouet van de toren van het dorp, die boven alles uitstak – al opdoemen. “Nu duurt het niet lang meer, hoor”, zegt Babby, bemoedigend in de richting kijkend van de familie Cohen. Toch is het laatste gedeelte ook wel gevaarlijk omdat je altijd moet uitkijken voor de Duitsers die ‘s nachts het dorp ook bewaken. Wat de duisternis betreft zit wel alles mee, want de maan is niet te zien. De kunst is natuurlijk om die Duitse wachters te omzeilen en die weg te kiezen die het donkerst is. Gelukkig weten Babby en Jee-Pee precies waar deze wachters staan maar ook waar het het donkerst is. Voor deze kennis heeft ook de “ondergrondse” gezorgd. Als ze dan ook dicht bij het dorp zijn, leggen ze de boot aan wal in een heel dichte rietkraag. Fluisterend geven ze nog enkele opdrachten door aan de familie Cohen. Ze moeten nog even heel stil in de boot blijven wachten, totdat ze door Babby worden opgehaald. Jee-Pee blijft bij hen in de boot. Babby zal namelijk eerst op verkenning uitgaan om te kijken of de “kust veilig” is.

Dan verlaat Babby de boot en verdwijnt snel in de duisternis. Babby kent dit traject op zijn duimpje. Hij speelt hier nog wel eens met zijn vrienden van school. Voorzichtig klautert hij de dijk op en steekt behoedzaam zijn hoofd erboven uit om te kijken of het aan de andere kant wel veilig is. “Gelukkig”, zucht hij zachtjes, “het is rustig hier”. Het is pikdonker. De mensen zorgen er wel voor dat de ramen geblindeerd zijn, want dat moet van de Duitsers. Dan gaat Babby verder en komt dan bij het stuk moeras – de “zudde” genoemd – aan de rand van het dorp. Hij kent een pad dat er midden doorheen loopt. Als je ook maar één stap verkeerd doet, zak je tot aan je middel in de blubber. Het pad loopt van wilg naar wilg die er welig groeien. Hier spelen ze wel eens maar dat is eigenlijk toch niet zo veilig, bedenkt hij nu berouwvol. Zo, hij is bijna waar hij wezen wil. Voor hem doemt een soort schuurtje op dat goed verscholen is onder enkele knotwilgen. Hierin staan de bijenkassen van de imker (bijenhouder), die hier vlakbij woont. Babby staat stil en bukt zich onder een struik. Dan doet hij zijn handen aan de mond en doet het geluid van een koekoek na. “Koekoek-koekoek”. Even wacht hij en dan doet hij het nog eens. “Koekoek-koekoek”. Een poosje blijft het muisstil … maar dan klinkt bij het schuurtje ook het geluid van een koekoek … “Koekoek-koekoek” … “Koekoek-koekoek”. Dat is het signaal die zij hebben afgesproken voor deze reddingsactie van het gezin Cohen. De kust is veilig, betekent dat. Babby gaat weer dezelfde weg terug naar de boot. Al snel komt hij eraan en moet dan even zoeken om de boot te vinden. Ja, daar ziet hij wat beweging in het water, daar zal het wel zijn. En inderdaad, daar ligt de boot. Ze hadden al met smart op hem gewacht. Ze waren nu zo dichtbij hun eindbestemming van deze spannende tocht, dat het wachten hen toch wel wat lang duurt. “Gelukkig, alles is veilig”, fluistert Babby snel. Kom maar … we kunnen gaan. Voorzichtig verlaten ze de boot en vlogen Babby. Jee-Pee sluit de rij. De donkere schimmen bewegen zich langzaam voort, behoedzaam om zich heen kijkend maar tegelijk lettend op waar ze lopen. Het is zo donker dat het pad maar moeilijk zichtbaar is. Het gaat prima en spoedig staan ze voor de “zudde”. Hun harten kloppen in hun kelen, want er komt nog een heel moeilijk stuk, eerst door de zudde, vervolgens een kolk oversteken en daarna moeten ze nog door enkele tuinen sluipen van de bewoners aan de rand van het dorp.

Moedig gaan ze weer verder, stap voor stap door het gevaarlijke moeras. Vooral mevrouw Cohen heeft het moeilijk. Ze wankelt op haar benen. Toch gelukt het ze allemaal heelhuids aan de andere kant van de ‘zudde’ te komen. Het enige is, dat ze natte voeten hebben opgelopen. Maar ja … dat moet je er wel voor over hebben. Babby wenkt met zijn hand en fluistert: “Even wachten”. Dan doet hij zijn hand aan de mond en roept: “Koekoek-koekoek”, wacht even en nog eens: “Koekoek-koekoek”. Dit is voor de veiligheid, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Maar opnieuw komt er een kink in de kabel … want wat gebeurt er? Ze horen stemmen … verschrikt blijven ze doodstil staan en gaan snel op hun hurken zitten, om maar niet gezien te worden. Gelukkig staan er hier enkele struiken en kunnen ze zich daarachter verschuilen. Tussen hen en het schuurtje is nog een kolk van zo’n vijftig meter breed. Deze moeten ze eerst oversteken met een klein roeibootje. Vaag onderscheiden ze het schuurtje in het donker aan de overkant. Babby tuurt ingespannen naar iets wat hij zag bewegen. Het zal toch niet waar zijn dat er weer Duitsers zijn. Dat betekent vlak voor het veilige einddoel nog groot gevaar. Inderdaad zijn het Duitsers. Je kunt hen ook duidelijk horen … en zelfs heel luidruchtig. “Ze lallen, ze hebben teveel alcohol gedronken”, merkt Jee-Pee op. Hoe die soldaten aan alcohol komen is hun een raadsel. Misschien hebben ze het wel ergens gestolen. Hoe dan ook … ze lopen nu wel erg in de weg. Plotseling breekt er een geweldig kabaal los van blaffende honden. “Woef, woef. “Woef, woef”. Ze razen en tieren alsof ze voor hun leven moeten vechten. Maar dan klinkt er ook een enorme gil en lijkt het of er iemand van de Duitsers gewond is. “Hilfe!” (“Help!”), want ze horen een soldaat gillen, en nog eens horen ze nog harder schreeuwen: “Hilfe!”.

Het is een spektakel van “hier tot gunter”. Een mager varken zou moeite hebben om zo hard te gillen. Onwillekeurig beginnen de vier jongens in het gezelschap te grinniken. Hier krijgen ze een gratis circus-voorstelling. Hoe zal dit aflopen? Wel, vanuit hun schuilplaats achter de struiken, kunnen ze duidelijk een aantal soldaten zien rennen, die op iets donkers afkomen dat op de grond ligt. Dat donkere beweegt ook en er omheen springen twee honden en blaffen oorverdovend. “Woef, woef. “Woef, woef”. Als je heel goed kijkt, kun je ook zien dat het Duitse herders zijn. Hoe is het mogelijk? Twee Duitse herders jagen een viertal Duitse soldaten de stuipen op het lijf. Ongetwijfeld herkennen de Duitse soldaten de Duitse herders wel. Tijd om dit verraad van hun naamgenoten te wreken, hebben de soldaten echter niet, want de honden zijn door het dolle heen. Uiteindelijk wordt de Duitse soldaat – want dat is dat donkere daar op de grond – bevrijd en weten de soldaten de honden met hun geweren op een afstand te houden. Ze schieten niet want dan krijgen ze het zeker aan de stok met hun commandant, immers ze hebben teveel gedronken … Ze rennen voor hun leven … en de honden er achter aan. Ze verdwijnen in het donker. “Woef, woef”, hoort het gezelschap onder de struiken nog een tijdje, maar dan houdt het plotseling op. Even later horen ze het geronk van een startende legerauto van de Duitsers en het gieren van slippende banden. De “helden op sokken” scheuren zo hard ze kunnen weg. Wel, dat is natuurlijk ook niet zo moeilijk met een legerauto. Ze weten gelukkig niet van wie deze honden zijn. Nee, daar heeft de eigenaar wel voor gezorgd. De eigenaar is de persoon die een poosje geleden het geluid van een koekoek nadeed. Het is – je zult versteld staan – de koster van de grote kerk … jawel, het is de vader van Jee-Pee. Zelfs Jee-Pee weet niet wie daar zojuist aan de overkant zulke heldendaden verrichtte. Van dit deel van het plan is hem ook niets verteld. “Hoe minder je weet, hoe minder je ook per ongeluk verraden kunt”, is het idee van de “Ondergrondse”, waar ook Jee-Pee’s vader lid van is. En dat kun je goed begrijpen. Jee-Pee heeft ook niets gemerkt dat deze twee honden van hen waren. Door de afstand en het donker maar nog meer door de spanning herkent hij hen niet.

Opeens zien ze iemand uit een boom stappen. Hoe kan dat nu? Wel, er staat een knotwilg die hol van binnen is, en wel zo dik, dat je er binnenin kunt staan. Een brede spleet is de ingang. Babby en zijn vrienden spelen daar vaak en weten dat er zo’n knotwilg staat. Babby kijkt dan ook niet zo raar op als hij dit ziet. De donkere figuur staat stil en loopt een eindje in de richting van de kolk, die aan de zudde grenst. Dan horen ze een stem die zachtjes roept: “Herta, Astor, hier!” Het duurt maar even of dan zien ze de twee Duitse herders blaffend op de donkere figuur afrennen. “Koest!” De honden zwijgen terstond. Ze luisteren gehoorzaam naar hun meester. Dan wordt Jee-Pee wakker. Die stem … ja maar dat kan toch niet waar zijn … zijn vader en moeder waren al naar bed toen hij vertrok. Ja maar … toch is het de stem van zijn vader, dat weet hij zeker. Hij fluistert Babby in het oor: “Dat is mijn vader”. Babby kijkt hem ongelovig aan maar hij heeft geen tijd meer om te reageren omdat zij op dit moment het geluid van een koekoek horen. “Koekoek-koekoek”, en even later weer: “Koekoek-koekoek”. Babby antwoord meteen: “Koekoek-koekoek” – “Koekoek-koekoek”.

Schuilplaats

Nu lopen ze rechtstreeks naar de kolk en stappen in het kleine bootje wat gevaarlijk heen en weer schommelt. Eigenlijk te klein voor zes personen. Maar ja … nood breekt wetten en voorzichtig roeien Babby en Jee-Pee naar de overkant. Daar worden ze opgewacht door Jee-Pee’s vader. Je begrijpt dat dit weerzien een heel blij weerzien is. Je-Pee stormt op zijn vader af en klemt zich aan hem vast. “Vader!”, stamelt hij, “bent u daar?”. “Ja, mijn jongen, dat had je niet verwacht hè?” Jee-Pee schudt heftig nee met zijn hoofd maar is dolblij. Dan geeft Babby koster Lindeboom ook een hand en stamelt: “Oh, gelukkig dat u er bent”. Tranen van geluk lopen daarbij over zijn wangen. Ook de familie Cohen geeft nu de vriendelijke koster een warme hand. “Wat geweldig, dat we u hier mogen ontmoeten. Dan komt het helemaal goed”, zegt mevrouw Cohen met een brok in haar keel. Ze kennen koster Lindeboom en zijn niet vergeten wat hij hen verteld heeft over de Heere Jezus Christus, de beloofde en – uitgelegd door de koster – reeds gekomen Messias.

De koster die nu de leiding overneemt van Babby en Jee-Pee, zegt: “Beste mensen, kom vlug. De Duiters zijn onberekenbaar. Dat hebben jullie zeker wel gemerkt zojuist?” “Nou en of”, roepen ze bijna in koor en kijken daarbij de koster grinnikend aan. “Dat hebt u prachtig opgelost”, merkt mijnheer Cohen op. Dan zet de stoet zich in beweging en volgen de koster. Inmiddels is het al vier uur in de morgen en ze moeten wel opschieten want het wordt al weer wat lichter in het oosten. Na door enkele tuinen geslopen te zijn, wat wonderwel zonder problemen verliep, komen ze uit in een smalle steeg dat hen dichtbij de grote kerk brengt.

“Waar gaat de reis heen?”, zo vragen ze zich allen af, behalve de koster. Ja, hij weet het heel goed en fluistert hen toe: “Dit is de laatste etappe. Steek één voor één de straat over. Daar aan de overkant, achter die grote eikenboom daar op het kerkhof, wacht ik op jullie. Het oude kerkhof ligt helemaal om de grote kerk heen. Loop wel zo vlug mogelijk. Wees niet bang, want we moeten over het kerkhof en dan … nou dan zien jullie het wel. Kom nu maar gauw”, fluister koster Lindeboom. Dan gaat hij als eerste. Dan Sammie en Izak, dan de heer en mevrouw Cohen, gevolgd door Jee-Pee, en tenslotte Babby. Eén voor één steken ze de straat over en verzamelen zich bij de koster achter de dikke eik. “Ziezo, dat is dat en nu verder …”, fluistert de koster. Hij weet hier goed de weg want hij aarzelt geen ogenblik. Regelrecht gaat het op de kerk aan. Binnen enkele minuten staan ze voor een zijdeur van de kerk. De koster haalt de sleutel van de kerk uit zijn broekzak en steekt het in het oude slot. Na enig wrikken en duwen gaat de zware eiken deur open. Deze deur wordt blijkbaar niet zo vaak gebruikt. Vlug schieten ze naar binnen en de deur gaat weer in het slot.

Dan horen ze weer iets wat hun haren overeind doet staan. Met veel lawaai en gierende banden horen ze een auto voor de kerk langs gaan. Gelukkig kunnen ze duidelijk horen dat de auto verder het dorp in rijdt. Stokstijf van de schrik blijven ze toch eventjes stilstaan, maar dan komt de koster in actie. “Kom, volg mij”, zegt hij kort. “Zeker de Duitse commandant die zijn soldaatjes zoekt”, fluister Babby nog vlug in het oor van Jee-Pee, die breed glimlacht. Dan haasten ze zich allen achter de koster aan en deze leidt hen naar een kleine kamer – consistoriekamer geheten – waar het pikdonker is. “Doe vlug de deur achter je dicht, Babby”, die als laatste binnenkomt. Dan doet de koster een stallantaarn aan, die daar hangt. “Kom, mensen, help even een handje, liefst twee”. De bedoeling is duidelijk want de koster heeft de zware oude eiken tafel al beet; deze moet een stukje aan de kant. Snel wordt deze dan ook aan de kant gezeuld. Vervolgens zien ze dat hij zich bukt. Er ligt een grote dikke mat op de vloer. De rand wordt opgelicht en de koster grijpt naar een ring, trekt eraan en dan zien ze dat er een smal luik omhoog gaat. “Kom vlug, hierheen. Als de Duitsers inderdaad de kerk nog eens gaan onderzoeken – wat ik overigens niet verwacht -, zijn jullie hier wel veilig. Ze zijn hier al een paar keer geweest en hebben niets gevonden. Ze komen voorlopig hier niet terug. Ze verwachten ook niet dat hier iets gebeurt, wat zij minder leuk vinden”, legt de koster kort maar bondig uit. Dan dalen allen via een trapje in de kelder af. “Hier werd vroeger de wijn bewaard voor het avondmaal”, zegt de koster zachtjes. “Heerlijk koel en veilig”. Als ze iets verder lopen ontdekken ze nog een deur. Deze brengt hen in een grote vierkante zaal, die aan alle kanten keurig is afgewerkt. Er staat een grote tafel in het midden met een aantal stoelen er omheen. Aan de kant staan vier bedden met beddengoed, waarvan één twee-persoons bed. Verder staat er nog een kast waarin allerlei houdbaar voedsel ligt. In elke hoek is op een heel slimme manier een luchtkoker aangebracht die zorgt voor frisse licht. Sprakeloos staat de familie Cohen naar hun onderkomen te kijken. Alles wat ze nodig hebben is hier aanwezig. “Wat een schuilplaats”, stamelt vader Cohen. Ze zijn allen diep onder de indruk. “Maar kom, we hebben toch wel een beetje haast. We moeten hier weg”, daarbij kijkend naar Jee-Pee en Babby. “Jullie redden het hier wel eventjes. Eten en drinken vinden jullie in de kast en morgenavond is er een kerkdienst, dan kom ik weer bij jullie langs om verder te bespreken hoe het verder zal gaan”. Dan grijpt mevrouw Cohen de handen van de koster en zegt met tranen in haar ogen: “Nu zie ik duidelijk dat God jullie helpt en dat jullie instrumenten zijn in Zijn hand. Kom terug en vertel over jullie Heiland, alstublieft”. Vader Cohen knikt daarbij instemmend. Ook Sammie en Izak knikken “ja” met hun knappe hoofden. “Goed, dat zullen we doen zo de Heer wil. Voorlopig hebben jullie rust voor je lichaam en kunnen jullie hier even veilig wonen. Wij zorgen voor jullie. Maar één ding wil ik nog kwijt. De Heer Jezus heeft gezegd: ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid bent en Ik zal u rust geven’. Als jullie dat doen, hebben jullie een eeuwige Schuilplaats. God zij met jullie”, zo besluit koster Lindeboom zijn korte toespraak. Dan geeft hij het hele gezin een hand. Daarin volgen Babby en Jee-Pee hem, want ze begrijpen dat ze nu snel moeten verdwijnen. “Lieve jongens, héél, héél hartelijk dank hoor”, en voordat Babby en Jee-Pee het in de gaten hebben krijgen ze een heel dikke zoen van mevrouw Cohen. Beiden kleuren tot over hun oren. Dit maken ze ook niet elke dag mee …

De koster is al bij de deur en verlaat het grote vertrek om dan hiernaast het trapje op te gaan. Daar wacht hij op de twee vrienden Babby en Jee-Pee. “Hè, hè, we zijn er”, zucht Babby, als ze beiden boven zijn. Dan sluit de koster het luik weer af, het vloerkleed gaat erover en samen zeulen ze dan nog de zware eiken tafel boven op het vloerkleed. “Ziezo, dat is dat, jongens. Nu maken dat we hier wegkomen”. “Vader, waar gaan we dan heen?”, vraagt Jee-Pee. “We gaan naar oom Berend”, dat heb ik hem gevraagd. Dan mogen jullie daar allebei op zolder slapen. Heerlijk rustig en kunnen jullie bijkomen van jullie nachtelijk avontuur. Maar voordat ik jullie daar afzet, wil ik een kort verslag van jullie hoe het allemaal velopen is. Volgens mij zijn jullie vroeger als gepland. Klopt dat?” Dan vertellen Babby en Jee-Pee in het kort hun belevenissen met het joodse gezin vanaf het kasteel tot aan de zudde. De rest weet Jee-Pee’s vader natuurlijk wel omdat hij er zelf bij was. “Wel, Morgen hoor ik wel alles van jullie maar jullie moeten eerst eens een poosje slapen. We gaan eerst nog samen de Heere danken voor Zijn wonderbare bewaring en redding”, zo besluit koster Lindeboom. Hij dankt de Heer voor Zijn hulp en bewaring, voor de “Schuilplaatsen” die Hij gegeven heeft, ja voor de Schuilplaats die Hijzelf is voor Zijn kinderen. Ook de familie Cohen wordt bij de troon van de Heere gebracht en met een brok in zijn keel dankt Hij de Heere voor het werk wat Hij aan het doen is in de harten van de familie Cohen. Ja, de koster heeft gezien dat de harten zich aan het openen zijn voor de Heere Jezus, die óók voor de joden is gekomen.

Vlug verlaten ze de kerk en haasten zich om nog voor het helemaal licht wordt, naar oom Berend. Daar aangekomen worden de jongens hartelijk ontvangen en direct naar het zolder geloodst om naar “dromenland” te kunnen vertrekken.

Maar voordat de twee vrienden gaan slapen, knielen zij eerbiedig voor het bed en danken de Heere Jezus voor Zijn machtige hulp.

“Babby”, Babby, slaap je al?”. “Ja, natuurlijk Jee-Pee, dat merk je toch wel”, kreunt Babby en draait zich om met een diepe zucht. Weg is hij … naar dromenland. In zijn geval ligt dat land deze nacht in en om en onder het kasteel. Jee-Pee droomt eveneens van zijn tocht en de gelukkige bewaring en is erg trots op zijn vader.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW