11 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (15)

Aan dek van “Nooitgedacht”

Na een poosje vrij rondgedobberd te hebben, vaart het gezelschap weer verder richting Sundal. Het is heerlijk weer om te varen en de beide jonge vrienden genieten nu op het dek van de prachtige rietvelden die ze passeren. Ook zien ze een scala van weide- en watervogels aan zich voorbijgaan. Een indrukwekkende reis nu al midden in de natuur. Je bent er eigenlijk middenin en maakt er deel van uit op zo’n schip. Behalve het geluid van de motor van het schip horen de jongens de vogels zingen. En niet alleen de vogels … de schippersvrouw zingt ook haar hoogste lied. “Heer , wees mijn Gids, op heel mijn levenspad”, zingt zij. De jongens genieten. Ze varen richting het IJsselmeer om daarna het Keteldiep in te varen. Hoe verder zij van Lemmer verwijderd zijn, hoe veiliger ze zich wanen. Dat is wel begrijpelijk want daar in Friesland hebben ze toch wel het een en ander meegemaakt, waarvan ze best een beetje zijn geschrokken. Inmiddels is ook Jan Snor op het dek gekomen en tuurt ingespannen in de verte. Voor hem is het ook best spannend geweest de afgelopen week. En het is nog niet voorbij want er moet voor vriend Dietrich nog een veilige oplossing gevonden worden, zodat deze buiten het bereik blijft van de Duitsers die de jacht op hem geopend hebben. Immers hij is in de ogen van Hitler en zijn trawanten een ‘deserteur’, iemand die zich onttrekt aan zijn verplichtingen om zijn land te dienen en ervoor te vechten als dat nodig is. Zo iemand moet je zo snel mogelijk te pakken zien te krijgen om hem zijn verdiende straf voor zijn ‘desertie’ te geven. En Dietrich? Hij is natuurlijk best wel geschrokken toen hij zijn vroegere ‘kameraden’ hoorde schreeuwen terwijl hij in het schip zich samen met Jan Snor zich verborg in die wonderlijke “Schuilplaats”. Hij durft zich voorlopig niet op het dek te vertonen. Dat is ook wel het beste zo. De schippersvrouw heeft op zich genomen om hem een beetje te beschermen tegen de gevaren op een schip. Je kunt immers geen kant op als de ‘vijand’ opdaagt. Ja, toch wel … het water in, maar dat is een beetje nat en dat kan ook niet zo lang duren. Nee, Dietrich blijft bij de schippersvrouw in het ‘achteronder’. Daar voelt hij zich het veiligst. Ook hij denkt over zijn toekomst na. Waar moet hij naar toe? Zal hij ooit zijn vrouw en kinderen terug zien? Hoe gaat het met hen? Allerlei gedachten bestormen zijn vermoeide geest terwijl hij aan tafel zit in de kleine maar gezellige ruimte van het schip. Rika Zandstra, de schippersvrouw heeft medelijden met hem. Ze ziet wel dat Dietrich een beetje zit te tobben. Daarom probeert zij hem een beetje te betrekken in de huishoudelijke karwijtjes voor die dag. Het eten moet klaar gemaakt worden voor zes personen. Dat zijn er vier meer dan normaal voor haar, dus een ‘hulp in de huishouding’ kan zij ook wel goed gebruiken. De aardappelen moeten geschild en de bonen gepit en schoon gemaakt worden. Een klein beetje Duits kan zij wel spreken en zo praat zij gemoedelijk met de arme ex-soldaat. Als er een stilte valt, zingt zij een van de vele liederen die zij kent. Daardoor wordt zij zelf ook altijd bemoedigd maar zal het ook op Dietrich een kalmerende werking hebben? Jazeker, Dietrich geniet als zij de zuivere stem van Rika hoort, en het maakt hem rustig van binnen. Verschillende woorden verstaat hij wel en dat geeft hem ruime stof om over na te denken. Het zijn woorden die te maken hebben met de Heere Jezus … die maken hem altijd weer rustig. En de schipper? Hij bestuurt zijn schip met vaardige hand. Hij weet dat zijn schip onder de hoede is van God, zijn Vader. Daar straks nog immers mocht hij ervaren hoe de Heere hem hielp bij het Duitse bezoek? Terwijl hij strak voor zich uit kijkt om zijn schip zo goed mogelijk te sturen, peinst hij over het verloop van deze dag. Hoe ver zullen ze vandaag komen? Als ze nog weer eens in aanraking komen met de Duitse overheerser schieten ze niet hard op. Afijn … nu lijkt het nog rustig in ieder geval. Daar is hij wel dankbaar voor na de spanning van vanmorgen. Terwijl hij zo zijn ogen langs de lucht laat gaan, ziet hij in de verte dat de lucht betrekt. Het was al een paar dagen heel mooi geweest en het kan dan zo gaan onweren. Dat gaat meestal ook gepaard met regen, zo weet hij. Een schipper ziet meestal ook meer in de lucht dan iemand die in een fabriek of op kantoor werkt. Hij moet er immers ook wel goed rekening mee houden tijdens zijn ‘zwerftochten’ over het water. Ook de wind komt nu stevig opzetten en in de verte kun je de regen al zien aankomen. Schipper Zandstra steekt zijn hoofd nu buiten de stuurhut en roept: “Slecht weer op komst!” en wijst met zijn ruwe handen in de lucht richting het westen. Dat is nu juist de richting waarheen ze voorlopig moeten varen. Snel gaat de schipper weer naar binnen want hij moet het schip wel onder controle houden. Jan Snor en Jee-Pee en Babby staan nu bij elkaar en kijken nu naar de dreigende bui. Het wordt helemaal donker daar in het westen en de lucht lijkt wel pikzwart. “Het komt heel snel deze kant op, jongens, dus ga maar gauw naar het achteronder”, zo geeft Jan Snor zijn wijze raad aan de jongens. De jongens verdwijnen dan ook snel naar het achteronder, waar zij de schippersvrouw en Dietrich aantreffen die druk in de weer zijn met het eten. Ze gaan aan de tafel zitten en kunnen door een rond raampje mooi naar buiten kijken. Ze zien enkele boeren aan wal zich haasten om ook naar binnen te gaan. Ja, ook de boeren zijn afhankelijk van het weer. Intussen komt schippersvrouw Rika met een dambord bij de jongens en zegt: “Zo, jongens, ontspan je maar eens lekker; de winnaar mag vanavond tegen mij spelen. En denk erom, ik ben hier op dit schip de beste damster hoor, met nadruk op ‘ster’. Hoe lijkt jullie dat?” Babby antwoordt: “Een heel goed idee, vrouw Zandsta. Wij …”. Maar vrouw Zandstra onderbreekt Babby en zegt: “Noem mij nu maar gewoon tante Rika. Dat vind ik het prettigste. Afgesproken?” “Eh, ja afgesproken, mevr … eh tante Rika”, antwoordt Babby verrast. Ook Jee-Pee knikt heftig met zijn wijze hoofd. Babby vervolgt zijn betoog en zegt: “Ik wou nog zeggen dat wij thuis ook altijd dammen. Mijn vader wint het meestal en daarna kom ik. Maar Jee-Pee kan ook heel goed dammen”. “Ja, dat geloof ik direct maar we zullen het wel zien, wie er wint. De verliezer mag dan tegen schipper Chris, (voor jullie oom Chris) spelen”, antwoordt tante Rika. Dan draait ze zich weer om en gaat verder met het eten bereiden. Glimlachend heeft ondertussen Dietrich het gesprek aangehoord. Hij voelt zich helemaal thuis bij deze “nieuwe vrienden” van hem. Gezellig zo hier. Stiekum pinkt hij een traan weg …

De storm brengt redding

Terwijl hij de schippersvrouw helpt met de bonen en de jongens dammen kijkt Jan Snor met bezorgde blik naar het westen. De wind is intussen zo aangetrokken dat je moet spreken van storm. Het schip danst nu ook op de golven, die ook steeds hoger worden. “Dat kan nog wel eens spannend worden”, denkt Jan. Daar heeft hij zeker gelijk in. Het duurt ook helemaal niet zo lang of ook Jan Snor moet naar binnen, anders wordt hij kletsnat. De regen klettert nu naar beneden. Jan is nu binnen bij de schipper in de stuurhut. De schipper kijkt met bezorgde blik naar buiten en heeft moeite om het roer recht te houden. Dat moet natuurlijk wel, anders bots je zo tegen de wal, met alle nare gevolgen die dat kan hebben. De wind neemt nog steeds toe en eigenlijk kun je nu al spreken van storm. Als het zo doorgaat, dan moet het schip voor de veiligheid voor anker, dat wil zeggen vast gaan liggen aan wal. Maar waar? Ja, daar zit schipper Zandstra nu ook mee. Hij peinst zich suf. Een haven hier in de buurt is er niet. Hij is hier wel vaker langs gevaren maar de enige mogelijkheid is aanmeren bij een boerderij die hier vlak aan water ligt. Hij besluit voor zichzelf om dat maar te doen, hoewel dat wel een beetje moeilijk is. Vaak is het aan de kant niet zo diep en als je schip vast komt te zitten, ben je zo maar niet meer los. Dan ziet hij plotseling een mogelijkheid. Snel reageert hij en stuurt het schip voorzichtig richting de oever naar een boerderij. Gelukkig is het hier wat breder en is de kans groot dat het hier aan de kant ook wel wat dieper is. De boeren hier gebruiken hier soms ook boten om naar hun koeien te varen om te melken omdat dat voor hen de gemakkelijkste manier is. Er zijn immers heel wat kleinere vaarten in deze streek waar je met een kleinere boot goed kunt varen. Intussen is er ook beweging gekomen bij de boerderij. De boer en de boerin die daar wonen hebben het schip “Nooitgedacht” aan zien komen en schieten schipper Zandstra snel te hulp. Zo ligt het schip al spoedig aan een touw vast aan de oever. “Goedenmorgen”, begroet de schipper zijn helpers aan wal. “Hartelijk dank voor uw hulp, hoor. Het is geen weer om nog verder te varen”. De loopplank wordt uitgelegd en de schipper loopt erover naar de wal. Ook de anderen aan boord hebben in de gaten dat ze niet meer varen en komen nu allemaal richting de stuurhut. “Aangenaam; ik ben boer Fedde en dit is mijn vrouw Harmpje”, zo begroet de boer zijn onverwachte gast. Dan worden er handen geschud en de boer gaat verder: “Komt u maar gauw even bij ons binnen. Een kop koffie zal er wel in gaan, nietwaar? Mijn vrouw heeft net de koffie klaar. En … neem ze allemaal maar mee naar binnen schipper”, daarbij wijst hij in de richting van de rest van het gezelschap op het schip. “U hebt een hele ‘familie’ bij u, zie ik”. “Wel, dank u wel, boer, graag”, antwoordt schipper Zandstra die zich omdraait en de anderen op het schip met zijn hand wenkt. Dezen begrijpen direct wat hij bedoelt en lopen nu ook voorzichtig over de loopplank naar de wal in de richting van de boer en de boerin. Dan maakt de rest van het gezelschap ook kennis met de boer en zijn vrouw. “Kom, lieve mensen, ga maar gauw mee naar binnen. Het is hier niet erg droog en koffie is er hier ook niet”. Inderdaad is het niet erg droog, integendeel het giet zelfs van de regen. Dan haasten ze zich allemaal achter de boer en de boerin aan en komen Babby en Jee-Pee opnieuw in een voor hen onbekende boerderij. Deze week hebben ze al meer nieuwe mensen ontmoet en nieuwe vrienden erbij gekregen. In deze oorlogstijd waarin zij leven, trekken mensen wel steeds dichter naar elkaar toe in de wetenschap dat zij elkaar nodig hebben. Hoe het ook zij … Babby en Jee-Pee kijken hun ogen uit als ze langs de grote stal een brede deur binnenkomen, die toegang geeft tot een gezellige boerenkeuken. Het ruikt hier heerlijk. De boerin is bezig met het maken van jam. Niets gaat er boven eigengemaakte jam. Zo uit de eigen moestuin van de boerderij. Terwijl de boerin haar gasten vlug koffie inschenkt en de jongens een flinke beker verse melk, vraagt de boer honderduit over hun reis. Een gezellige prater, merken de jongens. Dan vraagt de boer of ze nog last hebben gehad van de Duitsers onderweg en daarbij kijkt hij nadrukkelijk in de richting van Dietrich. Dietrich ziet er wat kleding betreft nu wel uit als een schippersknecht maar de boer heeft duidelijk zijn twijfels. Dan vraagt Jan Snor: “Hebt u er hier dan wel eens last van?”. Boer Fedde antwoordt: “Oh, ja hoor, elke week komen ze hier op de boerderij loeren of ze iets van hun gading kunnen vinden. Maar dan moeten ze wel iets slimmer zijn dan ons, en daarvoor geef ik ze eigenlijk maar weinig kans. We hebben ruime ervaring in …”. Maar voor hij verder kan gaan, valt de boerin hem bezorgd in de rede: “Kunnen we hier wel over spreken nu? Je weet wat er hier zo al aan de hand is, Fedde”. Nu is de nieuwsgierigheid gewekt bij Jan Snor. Er begint een lampje bij hem te branden. Deze boer is vast ook van de Ondergrondse. Met een nogal opvallend gebaar haalt hij een rond speldje uit zijn zak en speldt deze op zijn rechterborst. Boer Fedde begin hartelijk te lachen en roept: “Had ik het niet gedacht. Iets aan jullie gaf mij de overtuiging dat het “goed” zat met jullie. Kijk eens …”. Dan haalt ook hij een rond speldje uit zijn zak en speldt deze op zijn rechterborst. Nu kunnen de jongens ook eens zien wat er op dat speldje staat. Het zijn twee letters, namelijk de O en de G. De O is natuurlijk van ‘Onder’ en de G van ‘grondse’. Opgelucht lachen ze nu allemaal. Dit geeft toch wel een veilig gevoel. Nu kunnen ze ook rustig verder praten en hoeven ze niet zo op hun woorden te letten. Dit gezelschap is van hetzelfde gevoelen wat betreft de Duitse bezetter. Dat blijkt ook wel uit dat wat de gastvrije boer nu gaat vertellen en voorstellen.

Een nieuwe “schuilplaats”

Dan begint boer Fedde te vertellen. “Kijk … ik ga hier nu niet alles uitleggen wat wij doen of laten in verband met de Duitsers, maar wij hebben hier veel last van de Duitsers. Soms stelen ze zelfs de groenten uit onze tuin en rooien de aardappelen zonder te vragen. Ze doen het gewoon. Ze halen wat ze denken nodig te hebben en gedragen zich daarbij alsof zij het volk zijn die het alleen in de wereld voor het zeggen heeft. Ook hebben ze mensen doodgeschoten die zich voor de Joden hadden ingezet. Nu wil ik wel direct bij zeggen dat ze niet allemaal zó zijn. Over het algemeen genomen zijn hun leiders zo en hun meeste bazen in het leger. Gelukkig ook niet allemaal. Nu proberen wij hier in deze streek de Joden te helpen omdat zij erg te lijden hebben onder de Jodenhaat van Hitler. Zij worden namelijk opgepakt en weggevoerd naar Duitse kampen en wat daar gebeurt, is nogal geheimzinnig. Niemand weet er het rechte van te vertellen. Wel dat er zijn die daar in zulke kampen sterven. Hele joodse gezinnen worden uit elkaar gejaagd door die vervolging. Ook hebben wij hier Joden verborgen gehad, maar dat werd toch een beetje té gevaarlijk en hebben voor hen een ander schuilplaats gezocht en gelukkig gevonden. Dat ik dit allemaal durf te vertellen, komt door het volgende. Toen ik jullie schip zag aankomen varen, dacht ik dit schip eerder gezien te hebben. Maar toen stond er wel een andere naam op, ik meen ‘Goede Hoop’. Klopt dat?” Even is het stil na dit trieste verhaal van de boer. “Klopt”, antwoordt schipper Zandstra. “Welnu, dan zijn jullie degenen die door de Duitsers gezocht worden. Ze zoeken een schip met de naam ‘Goede Hoop’ waarop ze eens willen kijken naar een Duitse deserteur. Die wordt al enkele dagen vermist en is er vandoor met een Duitse dienstauto; hij is ook al eens gesignaleerd met twee jonge knapen met een man met een snor. Wel, ik denk zo maar dat deze meneer – en daarbij wijst hij in de richting van Dietrich – die gezochte deserteur kan zijn. En vraag nu niet hoe ik dit allemaal weet. Ik heb zo mijn contacten. Meer wil en kan ik er niet van zeggen. Maar … klopt dat?” Verschrikt kijken ze nu allemaal naar boer Fedde. Dietrich – die wel een beetje Nederlands kan verstaan – is wel heel erg geschrokken. Hij weet wel een heleboel. Dan antwoordt Jan Snor: “Wel, boer Fedde. Het klopt helemaal. Ik weet nu dat u en uw vrouw aan de goede kant staan en ons niet zult verraden. Inderdaad is dit onze vriend Dietrich die niet langer meer in het Duitse leger kan en wil dienen. Hij heeft ons – daarbij wijst hij naar Jee-Pee en Babbie en zichzelf – al heel veel geholpen om uit de handen van de Duitsers te blijven. Hij heeft ons zelfs een lift gegeven naar Friesland. Maar als de zaken er zo voor staan, is het dan wel veilig om door te varen met schipper Zandstra?” Ja, nu neemt alles wel een heel bijzondere wending. Dit hadden ze geen van allen verwacht. De Duitsers weten toch iets meer dan ze dachten. Na een korte stilte antwoordt boer Fedde: “Nu, luister. Het lijkt mij toch veiliger om het schip ‘Nooitgedacht’ te verlaten, hoe beroerd dat ook is. Het is voor jullie veiligheid. Dan kan ik jullie wel verder helpen. Ik heb zelf een kleine overdekte boot. Daarmee kan ik door de kleinere vaarten en geulen varen en komen jullie toch in de richting waar jullie zijn moeten. Ik kan morgen wel gemist worden hier. Ik vraag wel aan de buurman of hij wat werk van mij wil overnemen. Dat doen we wel vaker als ik op pad moet voor … dan wijst hij op zijn speldje op de rechterborst. Als jullie dit wat lijkt, vertel mij dan maar waar jullie heen moeten. Dan kan ik een route bepalen. Mijn belangstelling voor de natuur en … mijn taak voor de Joden – daarbij wijst hij weer naar zijn rechterborst – heeft mij al heel wat tochten over het water opgeleverd. Daarom weet ik hier aardig goed de weg tussen al die plassen en meren, zelfs tot in de buurt van Zwolle”. Opnieuw neemt Jan Snor het woord. “Kijk”, zegt hij, daarbij nadrukkelijk de jongens aankijkend, “ik voel mij verantwoordelijk om deze jonge vrienden naar hun ouders terug te brengen. Maar ook om vriend Dietrich een veilig onderdak te bezorgen. Daarom zeg ik direct ‘ja’ tegen dit goede plan. Ik zie hierin de hand van onze hemelse God en Vader. Hij zorgt immers voor de wind en de storm. Die zijn in Zijn hand. Daarom moesten we wel aan wal en mochten we jullie hier ontmoeten. Wonderlijk, deze leiding van onze God!” Het is nu heel stil in de warme en gezellige keuken. Een ieder heeft zo zijn gedachten na de woorden van boer Fedde en het antwoord van Jan Snor. Gedachten die vervuld zijn met dankbaarheid en bewondering voor de Heere die alles zo besturen kan. Jee-Pee en Babby kijken elkaar met een begrijpende blik aan. Ja, nu begrijpen zij ook waarom ze aan wal moesten. Dan verbreekt boerin Harmpje de stilte: “Willen jullie nog iets drinken? En hier … pak nog een plak krentenbrood”. “Graag, boerin”, antwoorden ze allemaal. Dan eten en drinken ze samen nog wat. Buiten horen ze de wind loeien en de regen klettert nog steeds tegen de ruiten van de keuken. Boer Fedde staat op en zegt: “Wel, laten we dan maar geen tijd verliezen. Als jullie nu jullie spullen overbrengen naar de wal dan kunnen we die direct in mijn boot leggen en varen we zo spoedig mogelijk verder”. “Ja, dat is een goede zaak”, antwoordt schipper Zandstra. Kom op, mannen”. Zo gezegd, zo gedaan. Jee-Pee, Babby, Jan Snor en vriend Dietrich spoedden zich met de schipper en zijn vrouw door de regen en de wind naar het schip. Intussen is het door de storm bijna donker geworden. Dat bevordert wel dat ze rustig ongezien kunnen verhuizen naar hun nieuwe ‘schuilplaats’, de boot van boer Fedde. Haastig brengen ze nu alle hun spullen daarheen over. “Eén ding vind ik nu wel jammer”, zegt Jee-Pee zachtjes tegen zijn vriend Babby. “Nu moeten we weer afscheid nemen van twee mensen die zo gastvrij voor ons zijn geweest en ons helpen wilden”. “Ja,” antwoordt Babby, “dat is waar. Maar gelukkig krijgen we er weer een nieuwe vriend bij”. Daar is ook Jee-Pee het helemaal mee eens. Dan komt het afscheid van het schippersechtpaar. Schippersvrouw Zandstra pakt de beide jongens bij hun armen en zegt: “Nu, jongens, het allerbeste, misschien zien we elkaar wel weer in Sunne. In ieder geval moeten we nog wel een keertje een potje dammen, dat hebben we immers afgesproken? En misschien kunnen jullie nog eens een keertje bij ons logeren op het schip. Hoe dan ook … welkom en … tot ziens hoor”. Dan geeft ze aan de beide vrienden een heel dikke knuffel zodat deze er rode wangen van krijgen. “Wat een lieve vrouw was dat toch en wat kon zij ook prachtig zingen”, gaat het door Babby’s hoofd. Dan geven de jongens haar ook een dikke zoen op haar rode wangen en krijgt de schipper een stevige hand van de jonge vrienden. “Nu, jongens”, zo zegt de schipper nog, “jullie komen mij toch nog wel een keertje helpen op het schip? Dat zou ik heel fijn vinden”. “Ja, als we mogen van onze ouders, dan heel graag, schipper”, antwoordt Jee-Pee. Natuurlijk is Babby het daar helemaal mee eens. Ook Jan Snor neemt afscheid van het schippersechtpaar – dat later als hen zal vertrekken – na nog het een en ander overlegd te hebben met hen.

Het gevaar tussen het riet

Ondertussen heeft de boerin wat lekkers voor onderweg voor hen klaargemaakt, zodat zij ook wat te eten hebben tijdens hun vaartocht. “Het is nog steeds morgen, dus kunnen we als we nu vertrekken al een heel eind komen”, zo onderwijst boer Fedde. Dan nemen ze weer afscheid van de boerin die ze maar kort meegemaakt hebben. Jan Snor en de jongens volgen nu hun nieuwe vriend, boer Fedde en stappen in zijn boot. Deze is veel kleiner maar ook wel gezellig. Je kunt er in ieder geval ook droog in vertoeven en het roer van de boot is in de ruimte waar je ook zit. Er zit hier geen keuken in maar je kunt er wel slapen in een speciale ruimte. Natuurlijk ook veel kleiner als het “Goede Hoop”. Maar als het een beetje lukt zijn ze morgen al vlakbij Zwolle, en dat betekent dus niet zover meer naar Sundal. Dan vertrekken ze en zwaaien nog naar de boerin die ondanks de regen toch naar hen staat te zwaaien. Gelukkig is de wind afgenomen en wordt het in het westen al weer wat lichter. Boer Fedde kent hier de vaarmogelijkheden op zijn duimpje, dat is al snel duidelijk. Soms varen ze door smalle geulen met aan weerszijden alleen maar rietvelden. Dan zie je alleen maar riet. Verschrikt vliegt een koppel eenden voor hen op. Ze kwaken hevig alsof ze zeggen willen: “Waarom verstoren jullie hier de rust”. Vanuit de boot kunnen ze toch nog goed om zich heen kijken. Prachtig is het hier en zo heerlijk stil. Jan Snor en boer Fedde praten zachtjes uitvoerig over de route die ze volgen moeten en hoe ze het bij Zwolle zullen aanpakken om zo stil en veilig mogelijk in Sundal te kunnen komen. Terwijl ze enkele uren door prachtige natuurgebieden varen, is er geen huis of boerderij te ontdekken. De serene rust omringt hen geheel, je kunt bij wijze van spreken de stilte horen. Ze komen nu iets dichter bij de bewoonde wereld. Dat betekent ook dat ze iets meer op moeten letten dat geen Duitser hen ontdekt. Dat is beter voor hen allemaal. Boer Fedde kent ook hier verschillende mensen van het platteland, die hem zeker zullen helpen als het nodig is. Het is niet de eerste keer dat hij van dit soort tochten maakt. De boot van waarmee ze nu varen, is een behoorlijk snelle boot. Een blauwe reiger kijkt hen nieuwsgierig aan. Je ziet haar als het ware denken: “Wat komen jullie hier doen. Ook vissen soms? Wel, er zit hier genoeg hoor”. Babby en Jee-Pee genieten weer volop. Wat zijn ze deze week al in prachtige gebieden geweest. En nu weer. Ze kijken hun ogen uit. Als ze weer thuis zijn, hebben ze een heleboel te vertellen. “Brrrrmmmm, ssstttt”, horen ze nu. Wat is dat voor geluid. Ze schrikken er allemaal van. Het kwam ook zó plotseling. Het zal toch niet waar zijn, dat ook hier de Duitsers op de loer liggen. Boer Fedde vaart nu snel een heel smalle vaart in, waar hij precies met zijn boot in kan. Aan de ingang van de vaart staat een struik die de ingang een beetje verspert. Zo zie je deze vaart bijna niet. Fedde stuurt zijn boot behendig onder de takken van de struik door de smalle vaart in, een beetje het riet in en legt zijn boot stil onder een wilg en schakelt de vrij rustige motor uit. Het geluid van een boot met nogal veel lawaai komt steeds dichterbij. Nu horen ze ook stemmen. Tot hun schrik horen ze iemand roepen: “Schneller bitte, Wilhelm. Der Jude ist schon verschwunden” {dat betekent: “Sneller alsjeblieft, Wilhelm. De Jood is al verdwenen”}. O, het zijn blijkbaar toch Duitsers die op zoek zijn naar een Jood. Ontsnapt zeker. Hier tussen het riet is hij gelukkig niet zo gemakkelijk te vinden maar voor een lang verblijf is het hier natuurlijk niet zo erg geschikt. Je moet immers ook slapen en eten. Waar moet je je dan verbergen? Jan Snor en boer Fedde kijken elkaar aan. Zij weten wat ze doen moeten. Helpen natuurlijk! Maar hoe? Eerst maar eens wachten dat zijzelf ontkomen aan de Duitsers, die hen tot nu toe nog niet hebben ontdekt. Ze zijn ook bijna niet te zien. Ze liggen tussen het riet en hebben hun toevlucht genomen onder een wilg met laaghangende takken. Die heeft wel zoveel bladeren dat ze bijna onzichtbaar zijn. Jee-Pee en Babby trillen van de spanning. Het zal toch niet misgaan, juist nu ze niet zover meer van huis zijn. Jan Snor gluurt voorzichtig tussen de takken en bladeren door naar de ingang van de smalle vaart waar ze in gevaren zijn. Als de Duitsers nu maar niet beslissen om ook hier in te varen. Boer Fedde heeft ondertussen snel iets onder een deken weggegrist. Het is een zelfgemaakte handkatapult. Hij heeft het gemaakt van een stevige tak met een V-vorm aan het uiteinde. Aan de beide uiteinden van de V-vorm zit een elastiek van een wekfles, waaraan weer een stukje leer is bevestigd. Hiermee kun je een prop papier of een kastanje of zelfs een steen wegschieten. Doordat het elastiek uitrekt wanneer je het naar je toetrekt, kun je een behoorlijk eind schieten. Het is wel een beetje gevaarlijk om hier mee om te gaan, maar boer Fedde is er een meester in. Hij heeft al een steen in het stuk leer gedaan, houdt dit tussen zijn duim en wijsvinger en trekt dit naar hem toe, terwijl hij richt op de ingang van de smalle vaart. Babby en Jee-Pee kijken verbaasd wat boer Fedde doet. Zij snappen er niets van. Dan laat de boer de steen los en … zoefff … daar vliegt de steen met een vaart in de richting van de ingang van de vaart. Met het grootste gemak vliegt het zelfs over de ingang heen in de richting van de andere kant van de bredere vaart waar de Duitsers varen. De steen vliegt zover dat het zelfs de bredere vaart oversteekt en daar ergens tussen het riet plonst. Ze kunnen het in hun boot nog horen. Dan zullen de Duitsers het zeker horen. Dat nu is ook de bedoeling van de slimme boer, want dan kijken de Duitsers precies de andere kant op van waar zij nu verstopt zitten. Dat leidt hun af – hoopt boer Fedde – en zal hen er mogelijk toe brengen om op te sporen waar dat geluid vandaan komt. “Zoeff …”, daar gaat weer een flinke steen, en nog een. Steeds iets verder bij de ingang van hun smalle vaart vandaan. “Hör mal. Was ist das …?” {dat betekent: “Hoor eens. Wat is dat …?”}, horen ze nu een Duitser roepen. Het lijkt erop dat hun slimme plan lukt en de Duitsers afgeleid zijn. Inderdaad … Jan Snor ziet nu dat er een grote Duitse patrouilleboot langs de ingang van hun smalle vaart tuft. Blijkbaar hebben ze niet gezien waar de steen vandaan kwam, anders waren ze ongetwijfeld gestopt voor de ingang van hun smalle vaart. Duidelijk horen ze nu het gesputter en gezoem van de motor van de boot. Dan is de boot verdwenen. Aan het roepen van de Duitsers horen ze dat ze inderdaad aan het zoeken zijn, waar dit geluid nu vandaan kwam. “Zo, laat ze nu maar mooi zoeken naar een steen. Dat is beter dan naar een Jood die op de vlucht is”, bromt boer Fedde. Dat vinden Jee-Pee en Babby ook. Aan het geluid te horen vaart de Duitse boot steeds verder bij hen vandaan. Gelukkig maar … Geduldig blijven ze zo nog een kwartier zitten zonder te spreken en luisteren naar wat er om hen heen gebeurt. De Duitsers zijn verdwenen en in de verte horen ze nog het tuffen van de boot. “Die zijn voorlopig wel zoet, hè Fedde?”, zegt Jan Snor met een brede lach op zijn gezicht”. “Dat moet je wel rekenen, Jan”, antwoordt deze, en vervolgt: “Maar nu, Jan. Heb jij een idee hoe wij die Jood vinden kunnen zonder de Duitsers weer tegen te komen?” Jan Snor trekt eens nadenkend aan zijn zwarte snor, alsof deze hem raad moet geven. Hij kijkt eens rond en zegt dan: “Laten we eens deze smalle vaart verder in varen. Die Jood zal waarschijnlijk wel hier in de buurt zijn, want de Duitsers zaten hem zo te horen vlak op de hielen. Nu zijn die hielen van de Duitsers vrij groot dus heeft die Jood kans gehad om te ontsnappen. Maar voor mijn gevoel zit hij hier in de buurt …”. Zonder verder te antwoorden start boer Fedde weer de boot en vaart verder de smalle vaart in. Nu wordt die nog smaller dan hij al was zodat ze vlak langs de kant varen. Op een gegeven ogenblik kunnen ze niet meer verder, de vaart is té smal voor de boot. Ze zitten nu zo vlak aan de wal dat je zo uit de boot kunt stappen. Jan Snor bedenkt zich dan ook geen ogenblik en stap aan wal. “Ik zal eens even verderop kijken, je kunt hier vrij goed lopen, hoewel het wel een beetje drassig is. Wachten jullie hier maar …”, zegt hij. Het is maar even of je ziet hem niet meer door het riet. Jan Snor kijkt voorzichtig en behoedzaam om zich heen. Misschien is die Jood zo geschrokken dat hij zich zo lang als mogelijk is verborgen houdt. En zo is het ook.

De redding van Samuël Polak

Samuël Polak – een jonge Joodse man – gluurt vanuit zijn schuilplaats naar de man die regelrecht op hem af komt. Het zal niet lang duren of dan staat deze vlak voor hem. Samuël heeft zich ook onder een paar wilgen verstopt en wat riet over zich heen gevleid, om nog meer onzichtbaar te zijn. Ternauwernood kon hij vanmorgen vroeg aan de Duitsers ontsnappen in de smalle roeiboot van de boer, bij wie hij ondergedoken zat. Hij was verraden! Daarom kwam de patrouilleboot langs om hem op te pakken. Gelukkig is hij wel de enige Jood op de boerderij en heeft hij de Duitsers met hun patrouilleboot aan zien komen. De boerderij ligt aan het water en zo konden de Duitsers vlak bij de boerderij komen. Maar gelukkig weet Samuël ook hoe je ongezien weg kunt komen. Voor dit soort gevallen had de boer een eindje verderop in het riet een boot verborgen om te kunnen ontsnappen als dat nodig was. Nu was het vanmorgen zover. Het voordeel van die smalle boot was, dat je zonder problemen door heel smalle vaargeulen kunt varen. Zo kon hij toch aan de aandacht van de Duitsers ontsnappen. Maar het was wel op het nippertje, want ze hadden hem toch nog gehoord toen hij een brede vaargeul over moest steken. Gezien hadden ze hem niet, anders was hij nu vast en zeker hun gevangene, of misschien nog erger … Maar de man die er nu zo voorzichtig aan komt lopen, herkent hij niet. “Toch maar even afwachten. Misschien is het wel die verrader die vast ook uit deze buurt moet komen, anders had hij toch niet geweten dat ik op die boerderij zit. Of zit het toch anders?”, zo gaan zijn gedachten door zijn hoofd. Inmiddels is Jan Snor al heel dichtbij. Zonder te zien waar Samuël zit, weet hij dat als er hier iemand zit, deze wel heel dichtbij moet zitten, want het rietveld houdt hier op. Het is namelijk dicht aan de rand van een brede vaargeul. Samuël was hierheen gevlucht in de hoop, dat als het nodig zou zijn, hij naar de overkant zou zwemmen om dan door het riet aan de overkant verder te vluchten. Hij durfde niet meer verder te gaan met zijn smalle boot, omdat je hier ook verder geen smalle watergangen hebt. Dan hoort Samuël een zachte vriendelijke stem, die – uiteraard – zachtjes roept: “Komt u maar tevoorschijn. Ik zie u niet maar de Duitsers zijn weg, precies de andere kant op. Kom maar gerust tevoorschijn, ik wil u helpen”. Samuël kijkt de man vanuit zijn schuilplaats nog eens goed aan. Ja, de man lijkt heel betrouwbaar en vriendelijk. Als hij verder zoekt vindt hij mij toch, laat ik het er maar op wagen. Ik kan anders altijd nog vluchten … Dan staat Samuël voorzichtig op, kruipt onder de struik vandaan en loopt met voorzichtige stappen op Jan Snor af. Jan Snor schrikt ervan als hij opeens iemand van onder die struik ziet kruipen en op hem ziet toelopen. Hij kijkt hem daarom verwonderd aan. Hij heeft Samuël nog niet gezien, ondanks zijn scherpe ogen. “Goedenmorgen meneer”, stamelt Samuël. “Goedenmorgen ja, zeg dat wel”, antwoordt Jan Snor. “Hoe raakt u hier zo verzeild?”, gaat Jan Snor verder. “U bent ongetwijfeld die gevluchte Jood waarover wij een half uur geleden die Duitsers in hun boot hoorden roepen. Zij zoeken u, weet u dat?” “Nou en of, meneer. Daarom zit ik hier om niet in hun handen te vallen, want dan is het niet best met mij, denk ik”. “Eh … hoe heet u eigenlijk”, vraagt dan Jan Snor. “Mijn naam is Samuël Polak. Ik zat hier in de buurt als onderduiker op een boerderij. Ik ben verraden en moest vanmorgen vluchten”. “Wel, jij boft Samuël, ik ben Jan Snor en zit in de OG, je weet wel … Laten we maar gauw maken dat we uit deze rietvelden komen. Als de Duitsers terug komen moeten ze ons zeker niet kunnen vinden. Daar wil ik graag voor zorgen. Kom maar mee”, zegt dan Jan Snor. Samuël krijgt nu volledig vertrouwen in de man tegenover hem, knikt dankbaar en zegt: “Dank u wel, meneer. Heel hartelijk dank. Het is voor mij hier wel heel gevaarlijk geworden, dus ga ik graag met u mee”. Dan draait Jan Snor zich om en loopt terug in de richting waar hij vandaan kwam. Samuël volgt hem gedwee. Hij is dolgelukkig maar beseft dat ze er nog niet helemaal veilig zijn. Voorzichtig lopen ze naar de boot van boer Fedde. Daar aangekomen kijken de jongens en boer Fedde verrast op. Warempel, Jan Snor heeft gelijk. Hier zit toch die gevluchte Jood. Dan worden er handen geschud en kennisgemaakt. Boer Fedde heeft nu opeens veel haast. En terecht. Hij maant: “Opschieten nu mannen, wij moeten hier zo vlug mogelijk verdwijnen, anders is het misschien met ons allemaal gedaan en belanden we op een plaats waar we liever nooit komen. Kom op!” Voordat de motor wordt gestart, luisteren ze allen eerst nog eens heel goed of ze geen verdachte geluiden horen. Behalve de aalscholvers, de meerkoeten en de eenden en andere watervogels is dat gelukkig niet het geval. De motor wordt gestart en daar scheert de boot van boer Fedde over het water, terug naar de ingang van de smalle vaargeul om daar de brede geul in te varen in de richting van de boerderij waar Samuël onderduiker was. Was … want dat kan nu niet meer, dat begrijp je. Toch gaan ze wel eerst naar de boerderij om daar Samuël afscheid te laten nemen van zijn beschermelingen. Dat wil Samuël ook graag. Hij heeft zoveel goeds ondervonden van dit moedige boerenechtpaar, die met gevaar voor hun eigen leven hem onderdak verleenden. Als Samuël verdwijnt, hebben de Duitsers ook geen aanleiding om de boer te straffen voor zijn hulp aan de onderduiker. Samuël Polak neemt afscheid en gaat ook mee in de boot in de richting van Sundal. Maar voordat ze vertrekken, vraagt boer Fedde een korte stilte. Zittend in de boot wordt er een kort dankgebed uitgesproken door boer Fedde. De Heere heeft immers hen allen geholpen? Ook de boer en boerin aan de kant van de wal bidden mee. “Heere, dank u wel voor uw hulp en voor Uw leiding. Uw hulp en leiding hebben we zeker ook verder zo nodig wanneer we verder trekken met onze nieuwe vriend Samuël aan boord. Weest U onze vaste geleide, op ‘t smalle pad. Alleen kunnen we het niet. Amen!”. “Amen!”, klinkt het eenparig, luid en duidelijk uit de monden van Jan Snor, de boer en boerin op de wal en ook van vriend Dietrich, Jee-Pee en Babby. Samuël Polak zit er ontroerd bij. Dit heeft hij nog nooit meegemaakt … Hier moet hij nog eens diep over nadenken … Dan wordt de motor weer gestart en gaat het gezelschap verder. “Tot ziens”, en “dank u wel voor alles” klinkt het uit de boot richting de wal waar de boer en de boerin heftig staan te zwaaien.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW