10 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (14)

Het vertrek per schip

Dietrich is al weer vroeg wakker. Hij mijmert over zijn vrouw en kinderen en verlangt erg naar hen. “Hoe zou het met hen gaan? Kan zijn lieve vrouw Birgit het gezin wel aan?” Maar Schwarzwald, waar hij woont, is zo ver weg. Dietrich zou er heel wat voor over hebben om zijn vrouw en kinderen te ontmoeten. Ondertussen zijn ook Babby en Jee-Pee wakker geworden en Jan Snor zit zelfs al aan tafel in het gezellige achteronder. De schipper en zijn vrouw zijn druk bezig met het klaar maken van het ontbijt. Er komt een heerlijk luchtje uit de oven van de kachel. het is eigengebakken brood. “Mmmmm … heerlijk!”, glundert Jee-Pee. Daar heeft hij nu net zin in. Ook Babby wrijft met een breed gebaar over zijn bolle buikje. Wat treffen ze het hier weer. Het duurt niet lang of iedereen zit gezellig aan tafel. Het kan prima zo met z’n zessen. Door de oven is het lekker warm in de knusse ruimte. Schipper Zandstra zet nu zijn pet af en gaat voor in gebed. Hij dankt de Heere voor Zijn bewaring en voor de nieuwe dag en dankt voor de komst van Dietrich, Bram Snor, Jee-Pee en Babby, die hij bij naam noemt. Hij besluit met de bede om bewaring vandaag voor de reis die zij allen hopen te maken. “Heere, weest U onze vaste Bootsman, ook vandaag, uit genade. Amen!” Even is het stil en dan klinkt het “amen” ook van de anderen. “Eet smakelijk, allemaal, en doe flink je best”, roept de schippersvrouw. “Wel, dat zal best lukken, mevrouw, als ik zo op tafel kijk. Het ziet er allemaal heerlijk uit. Tsjonge, tsjonge ..”, zegt Jan Snor. Nu, daar zijn ze allemaal roerend mee eens. De twee jonge vrienden hebben de aanval al geopend en smullen al snel van het heerlijke brood met het heerlijke beleg, dat eveneens door de schippersvrouw zelf gemaakt is. De warme melk gaat er bij iedereen ook goed in deze morgen. Het duurt niet lang of ieder is heerlijk aan het smullen. “Als iedereen verzadigd is”, zo neemt nu schipper Chris het woord, wil ik nu graag als afsluiting van de maaltijd nog iets uit de Bijbel lezen. Hij leest met grote eerbied uit Mattheüs 8 de geschiedenis van storm op het meer.

“22 En het gebeurde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, Hij en Zijn discipelen, en Hij zei tot hen: Laten wij oversteken naar de overkant van het meer. En zij staken van wal. 23 En terwijl zij voeren viel Hij in slaap; en er sloeg een stormwind neer op het meer zodat zij volliepen en in nood verkeerden. 24 En zij gingen tot Hem en wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! En Hij stond op en bestrafte de wind en de golfslag, en zij hielden op en er ontstond stilte. 25 En Hij zei tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij werden bevreesd en verwonderden zich en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat Hij zelfs de winden en het water gebiedt en zij Hem gehoorzamen?” (Matth. 22:25).

Schipper Zandstra stopt met lezen en kijkt allen ernstig aan. Het is muisstil in de kleine ruimte. De klok tikt zachtjes door terwijl ze allen met hun gedachten bij het prachtige verhaal zijn. Dan klinkt het zacht maar duidelijk: “Beste vrienden, onze Meester is ook bij ons aan boord, laten we dat niet vergeten als we straks op reis gaan. Hij heeft alles in Zijn hand, ook de wind en de golven. Ons schip heet ‘de Goede Hoop’ en wij mogen samen goede hoop hebben omdat de Meester Zelf bij ons is. Als we angstig zijn, laten we dan alleen op Hem rekenen, Hem geloven dat Hij ons veilig leiden zal”. De jongens luisteren – net als de anderen aan tafel – met grote belangstelling. Zij zijn nu immers óók op een schip? De eenvoudige woorden van de schipper dringt diep door in hun jonge hart. Jee-Pee en Babby krijgen een brok in hun keel. Ze verlangen nu nog meer naar huis. Dit samenzijn herinnert hun aan hun eigen keuken thuis, als vader aan tafel uit de Bijbel leest. Soms duurde dat hun wel eens een beetje te lang. Babby denkt daar nu aan en schaamt zich er wel voor. Hoe heerlijk en hoe belangrijk immers is het dat de Heer Jezus bij hen is? Onze beide vrienden hebben door hun gedachten er geen erg in dat er naar hen gekeken wordt. Ze hebben helemaal niet gehoord dat de schippersvrouw Rika na een korte stilte had gezegd: “goede bekomst!”. Dat betekent dat de maaltijd een zegen mag worden voor hun lichamen maar ook dat de maaltijd afgelopen is. Nu kan het schip gaan varen. “Wel … kom op mannen, dan gaan we het schip losmaken en varen wij af richting Sundal”, zegt nu de schipper. “Oké”, zegt Jan Snor, “dan kan ik tenminste weer eens wat doen”. Vriend Dietrich voegt eraan toe, terwijl hij het schippersechtpaar dankbaar aankijkt: “Gute Freunden, danke herzlich für alles. Ich bin sehr froh das ich auch mitfahren darf” {dat betekent: “Beste vrienden, hartelijk dank voor alles. Ik ben erg blij dat ik ook mee mag varen”}. Vrouw Rika antwoordt in het Duits: “Goed … goed … Dietrich, maar jij mag niet naar buiten hoor. Als ze jou zien en herkennen ben je de sigaar. Wees dus heel voorzichtig, vriend. Jij mag mij helpen met de afwas en andere huishoudelijke karweitjes. Maar eerst moet je andere kleren aan doen, anders kan iedereen al op kilometers afstand zien dat jij een Duitser bent. Dat lijkt ons geen goed idee. Ik heb al andere kleren voor je klaargelegd, dus kleed je maar snel om, dan lijk je op een echte schippersknecht. Oké?” “O, ja natürlich, Frau Rika, sehr gerne” {dat betekent: “O ja natuurlijk, vrouw Rika, heel graag”}. De jongens mogen met schipper Zandstra mee naar het dek om te kijken hoe alles gaat. Ze gaan naar de stuurhut. Het woord zegt het al, hier wordt het schip bestuurd. Deze stuurhut is van hout. “Blijf hier maar eventjes, dan ga ik eerst de motor van het schip starten, anders komen we niet vooruit”. De schipper verdwijnt ergens beneden het dek en al spoedig vernemen de jongens dat het schip trilt. De motor is gestart. Al spoedig is de schipper terug en maakt Jan Snor de touwen waaraan het schip vastligt aan de kade los. Babby en Jee-Pee kijken zeer geïnteresseerd toe. Dat zij dit ook allemaal mogen meemaken is voor hen wel heel bijzonder. Zij komen van de boerderij en de scheepvaart is wel heel iets anders, dat zien zij nu ook. Zonder problemen komt het schip los van de kade en varen ze weg. Een enorm mooi gezicht om zo de haven uit te varen. De jongens genieten van het prachtige uitzicht. Maar vooral ook omdat ze nu echt naar huis gaan. Nu het zo ver is, hebben ze er heel veel zin in en verlangen ze erg naar hun vader en moeder en broertjes en zusjes. Eigenlijk hebben ze deze week haast geen gelegenheid gehad om er eens goed over na te denken omdat ze zoveel beleefd hebben. “Hoe is het nu het thuis?”, denken beiden nu.

Hoog bezoek

Vanuit de stuurhut kunnen de jongens alles goed zien. Stil genietend zien ze nu ook Jan Snor in actie. Hij heeft een bijzondere opdracht van de schipper gekregen. Hij moet namelijk de houten schilden, waarop de naam van het schip “de Goede Hoop” staat, omdraaien. Aan beide kanten van het schip hangt zo’n schild. De jongens kijken geboeid toe. Wat heeft dat nu te betekenen? Wel, dat zien we heel snel. Aan de andere kant van het schild staat een andere naam, namelijk: “Nooitgedacht”. Ja, dat hebben de jongens ook nooit gedacht. Schipper Zandstra, die het roer van het schip goed vasthoudt, kijkt ook glimlachend toe. “Ja, jongens, dit is om de Duitsers een beetje in de war te brengen. Als ze ons zoeken onder de naam ‘de Goede hoop’ kunnen ze de hoop wel opgeven, want dan vinden ze ons niet zo snel. Immers, als we varen, heet ons schip ‘Nooitgedacht’?” “Ha, ha, ha …”, barst nu Jee-Pee in lachen uit en roept daarbij proestend uit: “Dat is een goede mop. Ja, dan kunnen ze lang zoeken … ha, ha, ha”. Babby voegt eraan toe: “Ha, ha, ha, slim .. héél slim …, ha, ha, ha …”. Ondertussen zijn ze de haven al een heel eind uit zodat niemand kan zien wat Jan Snor aan het doen is. Is ook helemaal niet nodig immers! En Jan Snor … hij geniet. Ook hij vindt dit een heel goed plan van de schipper. Uit ervaring weet hij dat je de Duitsers altijd een beetje te slim af moet zijn, anders pakken ze je op en heb je een dik probleem. Dan gaat schipper Chris de jongens uitleggen hoe ze gaan varen. “Hebben jullie op school aardrijkskunde?” De jongens knikken heftig van ‘ja’ met hun hoofden. “Nou, kijk, we varen nu richting het IJsselmeer om dan, als alles goed gaat tenminste, het Keteldiep op te varen om dan via het Woldorper Diep en het Zwarte Meer en het Zwarte Water richting Woldorp te varen. Daar gaan we de Sunne op. Dat weten jullie wel, want dat loopt immers langs jullie dorp door het Sundal”. Nu knikken beide vrienden nog heftiger van ‘ja’.

Terwijl de schipper de jongens druk aan het uitleggen is, kijkt hij ook goed om zich heen. Dat moet ook wel anders varen ze zo buiten de vaargeul en komen vast te zitten of varen tegen de oever op. Jan Snor heeft intussen zijn klusje geklaard en zit nu op het dek. Hij kijkt langs de oevers en ontdekt steeds meer watervogels. Wat een prachtige dieren zijn dat en wat hebben die hier een ruimte en stilte ook om te vertoeven. Ook ziet hij prachtige ‘rietsigaren’, dat zijn de grote Lislodden. Een prachtige rietgors strijkt neer op deze ‘bruine sigaren’. Zijn rug is bruin met zwarte strepen. Als je ze eens van dichterbij bekijken kunt, ontdek je aan de onderzijde dat hij vaalwit van kleur is. Het is een mannetje, ziet hij, want het vogeltje heeft een zwarte kop en een zwarte bef en een witte halsband. Ook is er een witte snorstreep aanwezig en de staartzijden zijn wit van kleur. Om deze zangvogel te vinden moet je in de buurt van moeras, landbouwgebied en meren zoeken. Hij zit vaak bovenin een struik of rietstengel luid te zingen en is ongeveer zo groot als een mus. Het vrouwtje van de rietgors is een onopvallende vogel, met een lichtgekleurde onderzijde met donkere lengtestrepen. De bovenzijde is bruin met zowel lichte als donkere strepen. Het mannetje is in het zomerkleed goed te herkennen aan de zwarte kop met de witte halsband. De zang van het mannetje bestaat uit een herhaling van drie tonen die lang aan kan houden en meestal voorgedragen wordt vanaf een hoge zangpost. Deze vogels maken hun nesten in laag struikgewas en brengen twee of drie nesten per jaar groot. De rietgors zwerft in de winter soms rond in het gebied waar de vogel ook gebroed heeft, maar trekt ook vaak naar het zuiden. Vogels uit het noorden van Europa overwinteren soms in Nederland. Deze rietgors is blijkbaar dol op de zaadjes van de grote Lislodde. Hij gaat er bovenop zitten en pikt de zaadjes tussen het pluis weg. Daar wordt de rietsigaar niet mooier van. Bij Jan Snor thuis stonden ze vroeger in de herfst wel eens op een vaas, opgevuld met gekleurde droogbloemen. Een prachtig gezicht voor het raam.

Als hij in de verte kijkt, ziet hij iets heel anders, iets wat hij liever niet ziet. Op een brug staat een Duitse patrouille hen op te wachten. Ongetwijfeld willen ze een kijkje nemen op het schip. Deze gedachte maakt hem wat onrustig. De laatste dagen heeft hij al te veel met deze makkers te maken gehad. Blijkbaar zijn de Duitsers de laatste maanden wat nerveuzer geworden. Dat komt natuurlijk omdat ze er niet in slagen om de ‘Ondergrondse’, waartoe Jan Snor ook behoort, niet te pakken kunnen krijgen. Dat zou ook niet best zijn, want Hitler en zijn ‘duistere’ kameraden zijn daar niet blij mee. Integendeel, ze zijn heel erg boos op de mannen – en soms ook vrouwen – van de ‘Ondergrondse’, die hen steeds te slim af zijn. Helaas lukt het de Duitsers af en toe om er een te pakken te krijgen en deze worden ook zonder pardon neergeschoten. Onlangs was dit ook in Sundal gebeurd. Daarom zijn de Duitsers vooral daar erg fanatiek aan het zoeken naar joden en naar mensen die de joden helpen. Dat heeft evenwel helemaal geen effect want steeds meer Sundalers zien in dat de joden geholpen moeten worden en proberen dat met hun mogelijkheden te doen. Helaas zijn er ook enkele anderen die juist hun eigen landgenoten verraden aan de Duitsers, waardoor er een levensgevaarlijke situatie ontstaat en er soms brave en moedige burgers zonder pardon worden gefussilleerd (doodgeschoten). Ook de schipper heeft de Duitsers ontdekt en wenkt dan naar Jan, die snel naar de stuurhut komt. “Het lijkt me beter dat jij ook in de schuilplaats gaat, Jan, samen met Dietrich. De jongens kunnen wel hier bij mij blijven”, zegt schipper Chris, de naam waarmee ze hem nu inmiddels ook mogen noemen. “Oké, Chris, dan ga ik maar snel”. Jan Snor verdwijnt zo snel hij kan naar het “achteronder”, waar ook de schuilplaats is. Daar is Dietrich bezig met schippersvrouw Rika om de afwas te doen. Ze zijn druk aan het keuvelen als Jan binnenstormt en roept: “Vlug, Dietrich, in de Schuilplaats”. Dietrich reageert supersnel want hij begrijpt dat er gevaar is. De schippersvrouw opent voor hen het met een laag turf afgedekte houten luik van de ‘Schuilplaats’ en de twee mannen duiken bijna naar binnen. Stil zijn en sterkte hoor, jongens. Onder het bed staat een doos met eten als het wat lang duurt”. Snel sluit Rika het luik weer en je ziet niets meer. Voor alle zekerheid gooit ze nog enkele losse turven erover heen. “Ziezo”, mompelt ze in haarzelf, “dat is dat. En nu maar vlug de borden en bekers van Jan en Dietrich opruimen. Anders hebben ze nog in de gaten dat er hier meer personen zijn”.

Ondertussen is het schip al dichtbij de brug gekomen. De vier Duitsers die bovenop de brug staan, zwaaien met hun armen ten teken dat de schipper moet wachten. Natuurlijk snapt schipper Chris daar zogenaamd helemaal niets van en zwaait enthousiast terug. Als ze onder de brug varen horen ze de Duitsers roepen en zien ze hen nog wilder met hun armen zwaaien. “Pas op, jullie armen vallen er nog af”, gilt Jee-Pee. Schipper Chris begint te grijnzen en kan een lach niet onderdrukken. De jongens hebben blijkbaar deze week meer met Duitse rakkers te maken gehad. “Ze zijn helemaal niet zo bang als je mag verwachten van zulke jonge knapen”, gaat het door het hoofd van de schipper. Ook Babby begint nu hevig te zwaaien naar boven richting de Duitsers. “Hallo, hallo”, roept hij, “wat mooi weer is het hè?” De Duitsers op de brug begrijpen er helemaal niets van wat hij roept maar ze begrijpen wel dat de schipper gewoon doorvaart en daar zijn ze absoluut niet zo blij mee. Eén van de soldaten pakt zijn geweer en schiet in de lucht. “Pang … pang …”. Daar zullen die ‘domme Ollanders’ op dat schip wel van schrikken en naar hen luisteren. Maar de schipper doet alsof hij niets hoort en vaart rustig verder. Ze zijn nu onder de brug en de Duitsers vliegen naar de andere kant om hen daar toe te roepen. “Halt! Halt!”, roepen ze nu in koor. Weer klinken er enkele schoten. “Pang … pang … pang … pang …”. De eenden en andere watervogels vliegen op uit het riet van de oevers en maken dat ze weg komen. Wat gebeurt er hier toch vandaag. Dit maken ze hier gelukkig niet zo vaak mee maar vandaag is het wel heel erg. Er is al enkele malen geschoten en de vogels zijn helemaal in de war. Nu moet de schipper wel reageren en hij laat het schip vaart minderen. Hij steekt zijn hoofd buiten de stuurhut en roept omhoog: “Was ist los? Die Vögel erschrecken von euch” {waarmee hij bedoelde: “Wat is er aan de hand? De vogels schrikken van jullie”}. De Duitsers gapen hem met open monden aan. Dat die schipper zo reageren zou, hadden ze niet verwacht. Deze Duitsers gaan ervan uit, dat wanneer zij een bevel geven, jij dat direct opvolgt en je diep voor hen neerbuigt in het stof. Wel, dan kennen ze zeker niet die ‘domme Ollanders’. Die zitten zo niet in elkaar, dat blijkt ook hier wel weer. Dan brult er een: “Wir möchten an Ihnen einfassen und betrachten, wenn Sie auch Juden verstecken. Und wohl sehr schnell!” {dat betekent: “Wij willen bij u aan boord en kijken of u ook joden verbergt. En wel heel snel!”}. De schipper kijkt bedenkelijk en antwoordt in zijn beste Duits: “Hoe moet dat dan? Ik kan mijn schip hier niet afmeren”. Daarop antwoordt de boze Duitser weer: “Bringen Sie Ihr Schiff zur Brücke an. Dann klettern wir” {dat betekent zoiets van: “Maak uw schip vast aan de brug. Dan klimmen wij erop”}. De schipper knikt en draait het schip terug naar de brug. Daarna gooit hij zonder iets te zeggen een touw omhoog, die vast wordt gemaakt aan de brugleuning. Zo kan het schip niet meer afdrijven. Dan gooit hij een touw naar boven waarlangs de soldaten naar beneden kunnen klimmen. Dit touw wordt ook aan de brugleuning geknoopt. Hoewel dit touw niet lang genoeg is, klimt nu een van de vier Duitsers over de brugleuning en wil zich voorzichtig langs het touw op het schip laten zakken. Hij hangt nu aan de brugleuning en pakt het touw beet. Toch gaat het niet zo gemakkelijk als het lijkt. Het schip gaat immers ook op en neer op de golven van het water. Net als hij bijna op het schip is, tilt een golf het schip op maar komt niet aan de voeten van de Duitser. Toch laat hij zich los om op het schip te springen en komt met een vaart op het schip. Door zijn vaart verliest hij zijn evenwicht maar probeert zich overeind te houden. Maar dat lukt hem niet. Hij struikelt en valt pardoes overboord met een plons het frisse water in. Even zie je helemaal geen Duitser meer … hij is onder water. Maar gelukkig komt hij snel weer boven. Al proestend gilt hij direct met een angstige stem: “Hilfe! Hilfe!” {dat betekent: Help! Help!”}. De andere drie soldaten schrikken zó, dat ze stokstijf stil blijven staan en toekijken. Schipper Zandstra zag het allemaal wel aankomen en hoopt dat dit de Duitsers zó afschrikt dat ze snel weer verdwijnen. Toch gooit hij vlug een touw, die hij aan het schip heeft vastgemaakt, naar de drenkeling die dit dankbaar vastgrijpt. “Gut festhalten, dann komt alles wieder gut” {dat betekent: “goed vasthouden, dan komt alles weer goed”}, gilt hij in zijn beste Duits naar beneden in het water. Ondertussen kijken de andere drie soldaten op de brug met ingehouden adem toe. Voorzichtig trekt schipper Zandstra de soldaat weer naar het schip. Proestend en kreunend klimt deze dan weer met grote moeite op het schip. Kletsnat natuurlijk. “Brrrrr brrrrr …”, hoor je hem kreunen. Beteuterd kijkt hij de schipper aan en stamelt bedeesd: “Herrzlichen dank, Kamerad! herrzlichen dank” {dat betekent: “hartelijk dank, kameraad, hartelijk dank!”}. Dan klinkt het van de brug: “Heinz, kom mal hier nach oben, dann gehen wir wieder zurück. Es ist doch nicht das gute Schiff. Es heisst gar nicht ‘Gutte hoffnung’, aber ‘Nooitgedacht’” {dat betekent: Heinz, kom maar hier naar boven, dan gaan we weer terug. Het is toch niet het goede schip. Het heet helemaal niet ‘Goede Hoop’, maar ‘Nooitgedacht’”. Die moeten ze dus niet hebben. Niet dat Heinz dat nu echt iets schelen kan, want hij heeft de schrik goed te pakken en is al lang blij dat ze weer terug gaan. Dan kan hij tenminste weer droge kleren aantrekken. Vlug geeft hij de schipper nog een hand, mompelt nog een “vielen dank” {dat betekent: “heel veel dank”} en klimt dan vliegensvlug langs het touw omhoog om zich weer bij zijn ‘echte’ kameraden te voegen. Nadat hij weer veilig boven op de brug is, maakt een van zijn kameraden de touwen weer los en gooit deze dan weer naar beneden op het schip. “Auf wiedersehen, und einen guten Reise”, roept schipper Zandstra de “waterhelden” op de brug nog toe. Of deze dit wel gehoord hebben is zeer de vraag, want zij zitten al in hun auto en racen met een vaart weg.

“Ook deze storm is weer voorbij. De Heer Jezus heeft de storm gestild”, zo denkt nu de schipper met dankbaarheid in zijn hart. Ondertussen loopt hij weer naar de stuurhut waar de jongens hem al tegemoet komen. “Oom Chris, is alles goed met u?”, roept Babby. Samen met Jee-Pee hebben ze gezien hoe de Duitser aan boord wilde klimmen en hoe deze in het water viel. “Komen ze nog weer terug?”, vraagt Jee-Pee. “Nee, hoor, daar hoeven jullie niet bang voor te zijn want ze hebben het verkeerde schip. Ze zoeken ‘de Goede Hoop’, maar vonden ‘Nooitgedacht’. Jullie vriend Jan Snor heeft goed werk verricht, door het schip een andere naam te geven. Maar gaan jullie samen maar even naar het vooronder om de boodschap door tegeven dat de Duitsers weer weg zijn. Vlug maar wel voorzichtig, anders moet ik jullie ook nog uit het water vissen”. “Ja, oom Chris”, roepen ze tegelijk en weg zijn ze al. Ze haasten zich naar het ‘vooronder’ waar schippersvrouw Rika druk in de weer is. Zij heeft alles ook wel gehoord maar is toch maar beneden gebleven, om in het geval de Duitsers toch het schip zouden doorzoeken, zij een beetje in de buurt kon zijn. Dan kan ze die Duitsers een beetje sturen, waar zij hen hebben wil. Daar is ze namelijk wel goed in. “Ze zijn weg!”, gillen ze alle twee tegelijk. “Kom maar tevoorschijn oom Jan en oom Dietrich”. Met behulp van schippersvrouw Rika komen de beide mannen uit de ‘Schuilplaats’. Met z’n allen gaan ze nu naar de stuurhut om te horen hoe het allemaal verlopen is en waar ze nu de rest van hun reis rekening mee moeten houden. Immers je weet het maar nooit. Misschien komen de Duitsers nog een keertje terug. Je moet overal rekening mee houden. Daar vertelt de schipper hoe alles verlopen is. Na zijn verhaal is iedereen stil. Schippersvrouw Rika verbreekt de stilte en citeert en oud lied: “Wij hebben ‘s Vaders Zoon aan boord, en veilig strand voor oog”. “Ja, inderdaad”, antwoordt Jan Snor en Dietrich knikt heftig met zijn hoofd ten teken dat hij zich daar geheel bij aansluit. Opnieuw beleven de jongens dat God hen helpt en bestuurt. Dat beseffen ze ondanks hun jonge leeftijd maar al te goed. Dan gaat schipper Chris spontaan voor in gebed en dankt hij voor de bijzondere bewaring en leiding van de Heere. Na zijn gebed zegt hij: “Welaan, kom op vrienden, we moeten nu weer verder. We zijn nog niet zo lang onderweg en hebben nog een lange reis voor de boeg. Aan de slag”. Dit was dus een zeer leerzaam begin van een reis die nog spannender zal worden, maar dat weten de jongens nog niet …

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW