10 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (13)

Dietrich krabt zich achter het oor. Hier moet hij wel even over nadenken. Na een korte stilte antwoordt hij in half Duits en half Nederlands: “Ik las onder andere het volgende in de bijbel: ‘Vertrouw op de HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. Ken hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken” (Spreuken 3:5-6). God heeft mij hier gebracht, Hij heeft mijn pad geleid naar jullie toe. Zal Hij ons dan ook  niet verder willen leiden?” Daarop knikken ze allen van harte ‘ja’. Bram Snor oppert het volgende idee: “Als boer Buwalda nu gewoon weer terug naar huis gaat, en jij, Dietrich, brengt ons naar Lemmer. Het adres waar schipper Zandstra woont, weet boer Buwalda. Als hij ons dat adres meegeeft, vinden we het vast wel. Het voordeel van dit plan is, denk ik, dat we allemaal het veiligst reizen, zonder al te veel op te vallen. Bescherming van een Duitse auto, dat kan immers niet beter”. Boer Buwalda en soldaat Dietrich kijken elkaar aan en beseffen beiden, dat dit inderdaad de beste oplossing lijkt. Zij knikken daarom ook van “ja”. “Ja, Jan, dat lijkt mij ook het beste”, zegt boer Buwalda langzaam. “Het scheelt mij een heel stuk en jullie reizen veilig; eigenlijk kan het niet beter”. Jan Snor kijkt nu ook Babby en Jee-Pee vragend aan. De jongens begrijpen dat ook zij iets mogen zeggen. Daarom antwoordt Babby dan ook: “Ja, oom Jan, met de komst van vriend Dietrich zie ik toch ook dat de HEERE ons pad recht maakt”. Jee-Pee knikt daarbij ook heftig van “ja”. Dan is het even heel stil na deze toch wel wijze woorden. “Wel, geliefde vrienden”, zegt Jan Snor dan heel nuchter, zó moet het dan maar gaan. Maar voor we verder gaan, laten samen de HEERE bidden en danken”. De mannen nemen hun pet af en sluiten hun ogen. Bram Snor dankt de HEERE voor Zijn leiding dat Hij vriend Dietrich gezonden heeft. Daarna vraagt hij om verdere bescherming en besluit als volgt: “HEERE, wij leggen het allemaal voor U neer en geven ons over in Uw handen. Amen”. “Amen”, zegt de rest van dit wonderlijke gezelschap. Boer Buwalda grijpt de handen van Jan Snor vast en zegt: “Beste Jan, fijn dat ik jouw mocht ontmoeten en graag help ik jou. Laat ze maar komen”. Jan Snor begrijpt dat de boer de joden bedoelt. Nadat boer Buwalda het adres van schipper Zandstra Jan Snor in het oor gefluisterd heeft, nemen ze afscheid van elkaar. Ook Dietrich geeft boer Buwalda een hand en zegt: “Wieder ein Freund dabei” {dat betekent: “Weer een vriend erbij”}. De reisspullen van de drie passagiers worden nu vlug over gedragen naar de Duitse dienstauto.

“Hi-hi-hi”, hinnikt Bruin. Het is alsof hij ook afscheid neemt. Dan nemen de beide jonge vrienden eveneens afscheid van boer Buwalda en danken hem hartelijk voor alles. Het was ook echt heel fijn die korte tijd bij de boer en boerin. “Kom maar weer eens bij ons logeren, jongens!”, roept de boer nog en klakt daarna met zijn tong. Dit is het teken voor Bruin dat hij weer mag lopen. “Doen we vast”, roepen de beide vrienden en daarbij vriendelijk zwaaiend naar de boer. Voorzichtig draait deze zijn wagen. Dat lukt hier precies. “Vooruit, Bruin!” Daar raast Bruin weg en hinnikt van plezier. Hij mag weer hollen. De dappere vrienden zwaaien heftig richting de boerenwagen die intussen al een eindje op weg is, terug naar Reis.

“Het was toch wel erg leuk bij Bruin op de bok, hè Babby?”, fluistert Jee-Pee in Babby’s oor. “Nou en of!”, fluistert deze terug. Ze fluisteren, want ze willen niet dat vriend Dietrich denkt dat ze het bij hem niet leuk vinden in de Duitse dienstauto. Dat vinden ze zeker wel maar het is heel anders. Ze hebben deze dagen al zoveel bijzondere dingen meegemaakt, dat ze dat bijzondere zo lang mogelijk vast willen houden.

“Kom op jongens, wij gaan ook verder”, roept Jan Snor. Intussen is Dietrich al in de auto gestapt en wacht op zijn passagiers. Eén ervan zouden de Duitsers graag gevangen willen nemen, omdat zij hem als hun vijand zien, namelijk Jan Snor. Als ze wisten dat deze man in hun dienstauto zat en gebruik maakte van de diensten van een Duitse soldaat, wat zouden ze dan zeggen? Hoe zou het gezicht eruit zien van Herr Commandant Der Frits? Dat kun je wel raden. Maar gelukkig weten zij het niet en kan soldaat Dietrich met zijn Nederlandse vrienden rustig aan zijn reis naar Lemmer beginnen. De jongens zitten voorin naast Dietrich en Jan Snor op de achterbank om niet al te veel op te vallen. Op aanwijzing van Jan Snor zullen ze naar Lemmer reizen. Daar moeten ze op zoek gaan naar het schip van schipper Zandstra.

De reis naar Lemmer

De reis naar Lemmer verloopt ook voorspoedig. Vooral Babby en Jee-Pee genieten van deze tocht door het Friese landschap. Ze kijken hun ogen uit. Ook Dietrich geniet en is heel erg blij dat hij zijn vrienden op zo’n wonderlijke manier weer mocht ontmoeten. En Jan Snor? Ook hij is blij dat zijn nieuwe Duitse vriend hun weer van dienst kan en wil zijn. Hij heeft diepe bewondering voor deze vriendelijke, moedige Duitse soldaat. Het is niet zomaar een kleinigheid als je – zoals Dietrich – je leger moet verlaten, omdat je weet dat de HEERE dit van je vraagt. Daar is vertrouwen op de HEERE voor nodig. En dat toont Dietrich. Jan Snor voelt zich nu ook verantwoordelijk voor zijn vriend om hem een veilige schuilplaats aan te bieden. Dat moet niet in Friesland zijn, want daar zullen ze ongetwijfeld naar Dietrich gaan zoeken. Zeker als deze lang wegblijft en de Duitsers begrijpen, dat hij niet meer terugkomt. Ze weten immers dat hij naar Friesland zou gaan. Nee, denk Jan Snor, mogelijk is het iets om vriend Dietrich in de buurt van Sundal onder te brengen, dat wil zeggen hem te verstoppen. Een stil gebed stijgt in zijn hart op. “HEERE, wijst U ook hierin de weg”, bidt hij heel zachtjes. Ondertussen houdt hij de weg ook goed in de gaten. Jan Snor weet, op aanwijzing van boer Buwalda, waar ze langs moeten rijden. Dus wijst hij Dietrich de weg.

Het is al bijna 12 uur in de middag en het gezelschap krijgt trek. “Zullen we hier even stoppen, Dietrich”, vraagt Jan Snor in gebroken Duits. “Natürlich, gute Freund”, {dat betekent: “natuurlijk, beste vriend”} antwoordt Dietrich en stopt onder een grote boom. Er is nauwelijks verkeer op deze stille landweg. Alleen af en toe een boerenwagen die met hooi heen en weer rijdt. De zon schijnt nog steeds volop. Ze stappen uit en pakken hun tassen met eten en drinken uit de auto. “Kwak, kwak, kwak”, roepen de kikkers hen vanuit de sloot langs de weg al als welkom toe. Verder is het hier zo stil dat je denkt “waar is de wereld en waar is het oorlog?” Na een kort dankgebed van Jan Snor eten ze samen gezellig hun brood in dit geweldige landschap. Ook Dietrich en Jan Snor genieten van deze picknick. De jongens verkennen de directe omgeving nadat ze hun boterhammen verorberd hebben. Er is hier van alles te zien en te horen. De zangvogels doen extra hun best om het deze ‘vreemde wezens’ die in hun nabijheid picknicken naar de zin te maken. En … dat lukt ze heel goed. Terwijl de jongens wat rondkijken overleggen Jan Snor en soldaat Dietrich hoe het nu verder moet. Jan Snor vertelt van zijn gedachten om zijn Duitse vriend te verstoppen in de buurt van Sundal. Dit is ver genoeg verwijderd van Herr Commandant “Der Fritz”. Mogelijk kan Dietrich nog van veel nut zijn voor de Ondergrondse. Je begrijpt dat dit wel heel iets anders is, dan wat deze moedige soldaat tot voor kort moest doen. Maar zo’n Duitse vriend kan heel goed helpen omdat hij veel weet van de Duitse overheerser. Als de jongens terug komen spreken ze af er later verder over te spreken. Hun ‘jonge’ vrienden kunnen in verband met de veiligheid beter maar niet weten, wat zij bespreken. Na deze korte picknick gaat de reis verder. Het duurt nu niet lang meer. In de verte zien ze al enkele kerktorens van Lemmer. Na ruim een half uur gereden te hebben, komen ze in Lemmer aan. “Tot nu toe hebben we nog geen Duitser gezien. Dat zal hier wel anders zijn, Dietrich”, zegt Jan Snor. “Dus … voorzichtig”. “Jawohl, Jan. Ich denke daran” {dat betekent: Jawel Jan. Ik denk eraan”}, antwoordt Dietrich. Ze komen op aanwijzing van Jan nu dicht bij de haven. Hier moet immers ergens het schip van schipper Zandstra liggen. “Goed kijken jongens naar een schip met de naam: ‘Goede hoop’. Daar moeten we zijn”, zegt Jan Snor. Terwijl ze goed rond kijken, ziet Babby iets wat ze niet graag zien. “Een Duitse auto”, zegt hij snel. Een Duitse dienstauto komt in hun richting. Gelijk duikt Jan Snor met zijn hoofd naar beneden. Hem moeten ze in ieder geval niet zien. Maar Dietrich heeft inmiddels een beetje ervaring opgedaan hoe hij daar mee moet omgaan. Uitbundig zwaait hij naar de chauffeur van deze auto en rijdt vervolgens rustig verder. De Duitse chauffeur van de andere auto zwaait eveneens uitbundig terug. In de buitenspiegel zien ze dat deze zijn weg vervolgt. Ze zijn alle vier wel blij dat dit zo verloopt. Je weet immers maar nooit. Jee-Pee gebruikt zijn ogen ook en ziet dat er een schip ligt met de naam: “Goede Hoop”. Hij trekt Dietrich aan zijn arm en wijst hem op het schip, dat helemaal achteraan ligt. “Dáár … vriend Dietrich, Goede Hoop”. Deze begrijpt direct wat zijn jonge vriend bedoelt en rijdt in de richting van het schip. Hier moeten ze zijn.

Op de “Goede Hoop”

Vlak bij het schip stopt de vluchtauto van deze bijzondere vriendenkring. “Wir sind bei dem Schiff, Freunden” {dat betekent: “We zijn bij het schip, vrienden”}, roept Dietrich vrolijk. “Wel, dat is heel voorspoedig gegaan, hè jongens?”, merkt Jan Snor op, zonder antwoord te verwachten. Maar de jongens roepen blij in koor: “Nou en of”.

Ook op het schip is er schrik ontstaan. Schipper Zandstra heeft de Duitse dienstauto aan zien komen en is extra op zijn hoede. Hij bespiedt vanuit zijn schip door een klein raampje wat deze auto gaat doen. “Rika, oppassen hoor. Er komt een Duitse dienstauto in onze richting”, roept hij naar zijn vrouw. Het schippersechtpaar houdt nauwkeurig de verrrichtingen van onze vrienden in de gaten. Ze moeten ook heel voorzichtig zijn, want zij vervoeren ook vaak joodse vluchtelingen. Zij brengen ze dan naar een onderduikadres en geven zo weer hoop aan deze arme stakkers. Op het schip kun je je ook goed verstoppen. Je vindt niet zo snel iemand. De schipper kent zijn schip van boven tot onder en weet heel slimme schuilplaatsen te maken. Meestal onder de vracht die hij vervoert. “Wat zal dit nu zijn? Zojuist ging er ook al een Duitse dienstauto langs. Wat wil deze dan?”, zo gaan vluchtig de gedachten van schipper Zandstra. Hij krabt zich eens zenuwachtig onder zijn grote zwarte pet. De auto stopt precies voor zijn schip. Er stapt een Duitse soldaat uit de auto die in de richting van zijn schip loopt. De soldaat bekijkt aandachtig de naam van zijn schip. Maar nu ziet de schipper dat deze ook niet alleen is. Twee jonge knapen komen eveneens uit de auto zetten en komen achter de Duitse soldaat aan. “Wat heeft dat te betekenen, Chris”, zegt zijn vrouw angstig. Tot overmaat van ramp ziet het schippersechtpaar ook nog een vierde persoon uit de auto komen. Alle vier komen ze nu op de loopplank af, ondertussen waakzaam om zich heen kijkend. Immers hoe minder mensen dit zien, des te beter. Vlug lopen ze de loopplank op en kloppen op het roefdeurtje. “Binnen”, roept de schipper. Het deurtje gaat open en het viertal stapt zo vlug mogelijk naar binnen. “Hè, hè, ook goede middag”, zucht Jan Snor. Schipper Zandstra en zijn vrouw kijken hen met niet begrijpende ogen aan. Ook de andere bezoekers begroeten met “goede middag” en blijven bij het roefdeurtje staan. “Wat heeft dit te betekenen en wie zijn jullie eigenlijk en wat komen jullie hier doen?”, waagt de schipper nu te vragen. Hij was eigenlijk een beetje verbluft van dit bezoek. Jan Snor neemt het woord en zegt: “Beste meneer en mevrouw Zandstra. Maakt u zich niet ongerust. Wij komen hier op advies van boer Buwalda uit Rijs”. Nu zucht op hun beurt het schippersechtpaar. “Gelukkig … oh, gelukkig, dan is het goed volk”, roept de schippersvrouw dan en slaat haar handen van blijdschap in elkaar. “Gaat u toch vlug zitten en vertel de reden van uw komst”. Bij het noemen van de naam van de boer is opeens alle spanning verdwenen. Daarom noemde Jan Snor dit ook. Dit heeft hij ook verwacht. Ze zoeken nu allen een plekje aan de ronde tafel in de “vooronder” (dat is het benedendeel van het schip bij de boeg, de voorpunt van het schip). Het is een klein, maar gezellig kamertje. Daarna gaat Jan Snor verder en stelt zijn vrienden en zichzelf voor. Natuurlijk komt ook soldaat Dietrich aan de beurt. De schipper en zijn vrouw verstaan redelijk goed Duits en zo kan Dietrich zichzelf voorstellen en hen duidelijk maken dat ze niet bang behoeven te zijn voor hem. Het is onvoorstelbaar als je dan de verandering ziet bij dit schippersechtpaar. Ze laten nu duidelijk merken dat dit gezelschap van harte welkom is. Jan Snor krijgt niet eens de gelegenheid om zijn verhaal voort te zetten want eerst moet er iets gedronken en gegeten worden. Vrouw Zandstra is nu heel druk bezig om een kopje thee voor allen klaar te maken. Dat gaat heel snel want zij heeft de thee net gezet. Ze vraagt niet eens of ze dit wel lusten. Dat drink je gewoon. Als ze allen een dampende kop thee en een flink stuk koek voor zich hebben staan, krijgt Jan Snor de gelegenheid om verder te gaan. “We komen uit Rijs bij boer Buwalda vandaan. Hij heeft ons heel goed geholpen en ons jullie naam gegeven om ons verder te helpen. We hebben gehoord dat jullie regelmatig op Zwolle varen met jullie vracht en nu willen wij vragen of jullie ons kunnen meenemen. Jullie kunnen dan onder bescherming van vriend Dietrich varen. Is dat misschien mogelijk?” Het is nu een poosje muisstil in het kleine schipperskamertje. Schipper Zandstra kijkt hen allen een voor een ernstig aan. Maar dan komt er een brede grijns op zijn verweerde gezicht en zegt: “Natuurlijk, beste mensen, natuurlijk. Als we kunnen helpen dan doen wij het graag. Nietwaar Rika?”, daarbij zijn vrouw vragend aankijkend. Vrouw Zandstra antwoordt kort maar beslist met een “uiteraard, beste Chris, met de hulp van de HEERE”. Nu, dit is geweldig nieuws voor onze vrienden. Dat laten ze ook direct blijken door allen bijna tegelijk te zeggen: “Dank u wel”, waarbij ook Dietrich zijn best doet om zijn dank te laten blijken. “Maar wie moeten er allemaal mee?”, vraagt dan schipper Zandstra. “Wel, wij allemaal, schipper. Is dat mogelijk?”, antwoordt Jan Snor. Schipper Zandstra haakt hier direct op in. “Jazeker, jazeker hoor …, dat komt best voor elkaar. Maar die auto daar buiten, moet die ook mee? Dat zal niet gaan namelijk”. Dan komt Dietrich in actie. “Nein Herr. Dieser muß verschwinden. Ich weiss allein nicht wie” {dat betekent: “Nee hoor, die moet verdwijnen. Ik weet alleen nog niet hoe?”}. Daarop kijkt de schipper Jan Snor aan en zegt: “Wel, daar weet ik wel een oplossing voor. Alleen dat moeten we dan vanavond direct maar doen, want morgenvroeg wil ik vertrekken. Ik moet dan naar Zwolle en daarna doorvaren naar Sundal”. Dan springen de beide jongens overeind en roepen: “Sundal … daar wonen wij schipper. Mogen we dan helemaal meevaren?” “Natuurlijk jongens”, zegt de schipper dan lachend. “Ik kan wel enkele flinke knechten gebruiken onderweg, dus dat zit helemaal goed”. Babby en Jee-Pee krijgen allebei tranen in hun ogen. Ze zijn al bijna een week van huis en hebben nu al zoveel beleefd alsof het een heel jaar is geweest en ze verlangen bij het woord Sundal nu zó naar huis. Verheugd kijkt het viertal elkaar aan. Wat boffen zij toch. Dan moet Jan Snor iets kwijt en zegt: “Ja, de HEERE zorgt heel goed voor ons en maakt onze paden recht. We hebben immers Hem ook in onze wegen gekend. Dit schip heet niet voor niets ‘Goede Hoop’. Ja, de HEERE geeft ons goede hoop”. Dan wordt het stil in het gezellige schipperskamertje. Schipper Zandstra en zijn vrouw hebben ook tranen in hun ogen. Het treft hun harten dat zij door de HEERE gebruikt mogen worden, om landgenoten en zelfs een Duitse soldaat tot hulp te mogen zijn.

Nadat zij nog wat met elkaar gesproken hebben, krijgen ze een rondleiding door het oude schip. Als ze bij het ‘achteronder’ – dat is een ruimte onder het dek aan de achterkant van het schip – komen, laat de schippersvrouw hen zien waar ze die nacht kunnen slapen. Je kunt zien dat hier vaker geslapen is, want alles is al klaar. Dan toont de schipper hun de schuilplaats. Alleen als er gevaar is, moeten ze hier naar toe. Deze is onder de vracht aangebracht. Een ruimte die vlak aan de wand van het schip is, maar die afgesloten wordt door de vracht die er bovenop ligt. Aan één zijde van de vracht kun je er gemakkelijk in komen, tenminste als je weet waar die ingang is. De toegang is door een luik. Het houten luik is weer afgedekt met een laag turf dat vast zit aan het luik. Het is niet zwaar en kan gemakkelijk opgetild worden. De schipper heeft enkele turflagen aan elkaar vastgeplakt en deze aan aan het luik bevestigd. Zo zie je niet dat er een luik onder is. “Heel slim gedaan, schipper”, zegt Jan Snor. De schipper antwoordt: “Nou ja, het moeilijkste was om de lagen turf aan elkaar te bevestigen. Met een speciaal soort dierlijke lijm die gebruikt wordt door boekbinders, blijft het goed vastzitten”. Binnen in de schuilplaats kun je gemakkelijk met zes personen verblijven. Aan de kant van de wand van het schip zit een tinnen pijp die in de zijkant van het schip bevestigd is met een open verbinding naar buiten. Dat zit ongeveer een halve meter boven de waterspiegel en zorgt voor frisse lucht. “Er zijn hier al verschillende Duitse soldaten aan boord geweest maar hebben nooit iets kunnen vinden”, vertelt de schipper. Hij voegt er nog aan toe: “We bidden dan ook of de HEERE hun ogen wil verblinden. Dat is tot nu toe ook altijd gebeurd”. Jee-Pee en Babby kijken elkaar aan en denken hetzelfde. Het is de zoveelste Schuilplaats van deze week …

Als de rondleiding klaar is, worden ze allemaal door de schippersvrouw uitgenodigd om te komen eten. Dat gebeurt in het ‘achteronder’. Hier wordt gegeten en kun je ook lekker zitten. Het is ongeveer vijf uur, dus nog wel een beetje vroeg voor het eten, maar er moet vanavond nog wel wat gebeuren. Vrouw Zandstra heeft dat goed begrepen en roept hen daarom vroeg aan de tafel. Hier krijgen ze een heerlijke maaltijd aangeboden. Eerst wordt er gebeden, want ook deze schipper en zijn vrouw zijn kinderen van God. Door twee kleine ronde raampjes komt er licht binnen vallen en kun je prachtig naar buiten kijken. Als de maaltijd beëindigd is, leest de schipper ook iets voor uit de Bijbel. Dietrich, die stil alles heeft gade geslagen, veert op. Wat hoort hij? De schipper zegt: “Laten we een vers lezen uit het boek Spreuken en wel uit hoofdstuk 3 vers 5-6. Langzaam maar duidelijk leest hij: “Vertrouw op de HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. Ken hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken”. Dan slaat hij Jesaja 43 op en leest daar uit vers 2 voor: “Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen”. Dit klinkt vriend Dietrich bekend in de oren. Ja, hij weet het. Dit heeft hem ook zo bemoedigd en nu opnieuw weer. Ook de anderen luisteren met stil ontzag naar de prachtige woorden uit de Bijbel. Babby denkt: “Ja, ook als wij door het water gaan, is de HEERE bij ons. Dat hebben we al meer meegemaakt en nu zijn we weer op het water … Wat geweldig!”. En Jee-Pee voelt rust in zijn jonge hart door deze heerlijke belofte. Jan Snor beaamt de woorden met: “Amen!!!”. Dan is het weer een poosje stil. Tenslotte dankt de schipper en is de maaltijd voorbij. De jongens worden door de schippersvrouw meegenomen naar het vooronder. Daar gaan ze nog gezellig een spelletje doen en zullen de jongens volgens afspraak vroeg in bed gaan. Morgen staat er ook weer veel te gebeuren en mogen ze de schipper ook helpen.

Een mysterieuze verdwijning

Maar de drie mannen in het achteronder hebben ook nog iets te doen vanavond. Ze bespreken samen ‘hoe’ en ‘waar’. De schipper stelt voor om de Duitse dienstauto onder een hooiberg te verbergen bij een bevriende boer in de buurt van Lemmer. Vanaf hier is het met goed een half uur te bereiken. Terug kunnen ze dan wel lopen, zover is het ook niet. Hij weet wel een wandelpad om de weg wat in te korten. Zo spreken ze af en nemen afscheid van vrouw Zandstra en de twee vrienden. Schipper Zandstra, Jan Snor en soldaat Dietrich stappen in de auto en verdwijnen. Na een klein kwartier komen ze in het buitengebied waar de bevriende boer ergens woont. Toch zijn ze deze avond niet alleen op het stille landweggetje waar ze nu rijden. In de verte zien ze een Duitse dienstauto verschijnen. Dietrich en Jan Snor schrikken daar wel een beetje van. Het is al te laat om terug te rijden om een andere weg te nemen. “Ze mogen mij niet zien, Dietrich, want dat zou wel eens verkeerd kunnen aflopen”, zegt Jan Snor haastig. “Gewoon doorrijden dan maar, Dietrich”, zegt de schipper in redelijk goed Duits. “Als ze ons willen laten stoppen, geef dan gas en probeer aan hen te ontkomen”, voegt Jan in zijn gebroken Duits eraan toe. “Ja, dat is goed”, zegt schipper Zandstra, “ik weet nog wel meer wegen hier die naar de boerderij van mijn vriend leiden. Dat gaat dan wel over een smalle bosweg, maar zo zijn we die Duitsers ook snel kwijt, denk ik”. Dus Dietrich rijdt gewoon verder. Als ze dichtbij zijn, zien ze dat de Duitse auto langzamer begint te rijden en stopt. Twee Duitse soldaten stappen uit en steken hun hand op. Ze moeten stoppen. Als Dietrich vlak voor hen is, stopt hij, draait zijn zijraampje open en roept in het Duits: “Aan de kant. We hebben haast, want we hebben een speciale opdracht van de SD ….”. Hij wil nog meer zeggen maar verder komt hij niet want deze Duitse soldaten zijn niet zo erg vriendelijk en gaan midden op de weg vlak voor de auto staan. “Halt!”, roepen ze. “Neen”, roept Dietrich terug, “daar komt niets van in. Ik heb bevel van hogerhand, dus snel wegwezen …”. Daarbij kijkt hij hen streng en bevelend aan. Toch gaan deze soldaten niet opzij. Dan neemt Dietrich een besluit. Hij drukt op zijn toeter en geeft gas. Daar hebben de Duitse soldaten niet op gerekend en schrikken zich wild van deze aktie en springen opzij. Dietrich geeft nog meer gas en scheurt met zijn passagiers verder. Jan Snor en schipper Zandstra kijken achteruit en zien dat de Duitse dienstauto probeert te keren. Het is daar niet zo breed dus dat gaat niet zo gemakkelijk. Toch lukt het uiteindelijk en komt de “vijand” achter hen aan. Nu wordt het spannend. Gelukkig weet schipper Zandstra hier goed de weg en leidt Dietrich naar het bos waardoor de smalle bosweg loopt. Doordat de “vijand” hun auto moest keren, hebben de “vluchtelingen” een mooie voorsprong gekregen die ze heel handig benutten. “Zet ‘m op Dietrich, je kunt het wel”, roept Jan boven het lawaai van de motor uit. “Hier rechtsaf, Dietrich”, roept schipper Zandstra. Dietrich gooit zijn stuur naar rechts en gaat vol gas door de bocht. Het stuift geweldig want hier begint de zandweg die naar het bos leidt. Gelukkig zitten er verschillende bochten in deze zandweg en is het voor de vijand moeilijk om te zien hoe zij moeten volgen. Er zijn verschillende zijwegen en één ervan moeten ze hebben. Op aanwijzing van schipper Zandstra vliegen ze ook hier met een vaart in, en zijn door de bomen aan de zijkant van de weg aan het oog van de vijand onttrokken. Ze racen voort en Dietrich bewijst dat hij deze auto al vaker heeft gereden. Met een geweldige stuurmanskunst komt hij steeds verder van de vijand weg. Deze weet nu al niet meer welke weg zij in moeten slaan. Het is een ware dollemansrit. Nu komen de “vluchtelingen” bij het bos en vliegen de smalle weg het bos in. Nu zijn ze helemaal niet meer te zien en de Duitsers die hen achtervolgen zijn het spoor helemaal bijster. Gelukkig maar. Toch rijdt het drietal met een flinke vaart verder. Na een tijdje verlaten ze het bos aan de andere kant en komen ze op een andere zandweg uit. “Hier weer rechtsaf, Dietrich”, roept schipper Zandstra. Dietrich neemt als een ervaren coureur zo snel mogelijk ook deze bocht. “Deze weg brengt ons bij mijn vriend, Jan. Hij zal wel vreemd opkijken, maar hij is altijd bereid te helpen. Hij is heel snel van begrip”, zegt de schipper. Na enkele minuten over deze zandweg gereden te hebben, moeten ze linksaf slaan. Aan het eind tegen een ander bos zien ze een boerderij tegen de al dalende zon oprijzen. De boerderij is het einde van deze weg en ligt tegen een bos aan. Dit bos grenst weer aan het bos waardoor ze zojuist gereden hebben. Hun achtervolgers zijn in geen velden of wegen meer te bekennen. Dankzij de kennis van schipper Zandstra zijn ze nu weer op veilig terrein. Dietrich stopt de auto vlakbij een stal, waardoor de auto niet meer te zien is vanaf de weg. “So, das ist das” {dat betekent: “Zo, dat is dat”}, mompelt hij. Hij doet de motor uit en alle drie stappen nu vlug uit. Het is hier wel heel stil. Maar toch horen ze in de verte de motor van een auto ronken. Ongetwijfeld onze “Duitse vrienden, schipper”, lacht Jan. “Ja, dat denk ik ook”, zegt nu ook de schipper lachend en gaat verder: “die zijn voorlopig ook nog wel even zoet. Maar nu moeten we wel vlug deze auto door mijn vriend laten ‘verdwijnen’. Ik zal eerst even naar binnen gaan”. De schipper verdwijnt in de stal en komt enkele minuten later terug met de boer, een heel grote man met vriendelijke blauwe ogen en een lange baard. “Goede avond, vrienden”, dat was op het nippertje, hoor ik van mijn vriend Chris hier”, en klopt daarbij vriendschappelijk op de schouder van de schipper. “Als ik jullie was, zou ik direct weer verdwijnen. Als de Duitsers hier onverwachts toch nog aan komen waaien, mogen ze jullie in geen geval ontmoeten. Maar eerst mogen jullie mij even helpen om dit ‘vehikel’ te verstoppen”, en klopt op de motorkap van de Duitse dienstauto. “O ja, ik heet Sibble Joustra. Dat zou ik bijna vergeten”. Hij geeft aan Jan Snor en Dietrich een ferme hand en wenkt hen vervolgens met de hand. “Kom maar achter mij aan. Dan zullen we dit ‘apparaat’ even verbergen voor de ogen van te nieuwsgierige vreemdelingen”, daarbij natuurlijk doelend op de Duitsers. Hij verdwijnt om de hoek van de stal en Dietrich start opnieuw de auto en volgt hem evenals de andere twee mannen. Achter de stal staat een hooiberg. De boer is al bezig om hooi opzij te gooien met een hooivork. Hij wijst om de hoek waar nog meer hooivorken staan. De mannen begrijpen direct wat er gebeuren moet. De vier sterke mannen maken een nu groot hol voor de auto. Dat lijkt eenvoudig maar dat is het niet. Eerst maken ze een soort inham waar de auto goed inpast. Daarna leggen ze enkele houten balken over de beide hooibergjes die nu is ontstaan. Over die houten balken komen dwars weer kleinere balken te liggen, waardoor een soort zolder ontstaat. Dan komt daarover weer hooi te liggen zodat er als het ware een dak ontstaat. Nu heb je een inham in de hooiberg waarin de auto past. Het is wel zweten voor de mannen, maar dat merken ze niet eens. Het moet immers heel snel gebeuren in verband met de “achtervolgers”. Stel je voor dat deze toch nog hier aan komen waaien. “Wel, Dietrich”, hij is bijna klaar. Zet de auto er maar in”. Eerst pakken de vluchtelingen hun spullen nog uit de auto. Daarna rijdt Dietrich de Duitse dienstauto voorzichtig achteruit in de ‘schuilplaats’ van hooi. Vervolgens stapt hij uit. Opnieuw pakken de mannen hun hooivorken en gooien zoveel mogelijk hooi voor en op de auto. Na enkele minuten is de auto helemaal niet meer te zien. “Ziezo, dat was dat mannen. Dit hebben we weer gehad. En nu … maak dat jullie wegkomt … en Dietrich … kom na de oorlog je auto maar weer ophalen. Ik zal er goed op passen, hoor”. Hij knipoogt naar vriend Dietrich. Hij weet nog maar net van deze vreemde, maar moedige Duitse soldaat. Schipper Zandstra, zijn vriend, heeft hem heel kort uitgelegd hoe de vork in de steel zit. Dan pakken de mannen stevig de handen van de robuuste boer en nemen afscheid van hem. “Herzlichen Dank, Bauer” {dat betekent: “Hartelijk dank, boer”}, stamelt Dietrich nog en dan verdwijnen ze alle drie snel in het bos.

Gelukkig weet schipper Zandstra hier ook goed de weg. Een rode gloed in het westen verraadt waar de zon is onder gegaan. Een prachtig gezicht. Het begint al te schemeren dus moeten ze wel voortmaken om nog een beetje te kunnen zien. Enkele zangvogels fluiten nog lustig hun avondlied. Een prachtig concert bij hun wandeltocht. Stil lopen de mannen al luisterend naar wat de natuur hen op deze avond nog biedt. Nu horen ze een plotseling geritsel vlak naast hen in de struiken. De mannen blijven stil staan om te zien wat er tevoorschijn komt. Enkele meters voor hen uit steekt een ree het pad over waar zij op lopen. Het prachtige dier heeft een zandgele tot roodbruine vacht; dit is de zomervacht. Het is zeker geschrokken van de late wandelaars. Het duurt niet lang of het is verdwenen in het bos op zoek naar een andere slaapplek. Na een kwartiertje lopen verlaten ze het bos en volgen een pad met aan beide kanten een haag, dat dwars door de weilanden loopt. “Dit moet je wel weten, Chris”, zegt Jan vertrouwelijk tegen zijn nieuwe vriend. “Jazeker, het is ook niet zo bekend en dat moet ook maar zo blijven. Dat maakt dat het hier ook zo rustig blijft”, antwoordt deze zachtjes terug. Terwijl de mannen voor hem zachtjes met elkaar praten, volgt Dietrich op korte afstand zijn nieuwe vrienden en is in diep gepeins verzonken. “Gelukkig dat het zo afliep vanavond. Stel je voor dat ze ons te pakken gekregen hadden. Dan was het niet best geweest voor hen allen. Voor Dietrich al helemaal niet, immers hij onttrekt zich aan het Duitse leger …”, zo mijmert hij. Hij is zo in gedachten dat hij er geen erg in heeft, dat ze het landelijke voetpad verlaten hebben en al vlak bij de haven zijn aangekomen. Nu is het maar een kippeneindje meer naar het schip. Het drietal komt bij het schip en loopt snel de loopplank op. Gelukkig hebben ze op de terugweg geen Duitse pottenkijkers ontmoet. Vrouw Zandstra staat al in de roefdeur op hen te wachten. “De koffie is al klaar hoor, mannen. Kom maar gauw binnen. Is het gelukt allemaal?” Haar man knikt dankbaar en geeft haar een dikke zoen. “Ja hoor, de HEERE heeft ons geholpen en beschermd en ook vanavond ons pad recht gemaakt”, antwoordt de vriendelijke schipper. Dan schuiven ze alle drie aan de tafel in het gezellige vooronder en slurpen genoeglijk aan hun koffie. Er wordt nog even nagepraat over hun avontuur. Dankbaar besluiten ze samen deze bijzondere avond met een dankgebed en gaan naar bed. Jee-Pee en Babby liggen al lang op één oor en slapen al, vast dromend over morgen. Want morgen wacht hen vast weer een nieuw avontuur op weg naar huis …

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW