11 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (10)

Wat er aan vooraf ging: De drie vrienden maken kennis met boer en boerin Buwalda en met hun boerderij die vol geheimen zit. Inderdaad blijkt dit het juiste adres te zijn om opgejaagde joden te verbergen voor de vreemde Duitse overheerser. Ook kwamen de V-2 plannen op tafel. Hoe zelfs de insecten ingeschakeld worden bij het verjagen van een gevaarlijk Duits obstakel gaan we nu ontdekken …

Kijk naar de vogels …

“Hmmmmm … wat lekker”, murmelt Babby en veegt zijn mondhoeken met zijn mouw af. Nadat Babby en Jee-Pee gesmuld hebben van de heerlijke tractatie van de boerin, mogen ze nog even wat rondlopen bij de boerderij. “Niet te ver hoor”, zegt de boerin. “Nee boerin”, zeggen de beide vrienden bijna gelijktijdig. Er is van alles te zien rondom de boerderij. Er staat een heel groot kippenhok met een ruime ren eromheen. Nieuwsgierig staren de kippen hen kakelend aan, alsof ze zeggen willen: “Waar komen jullie vandaan?” De boerderij zelf staat een heel eind van een weg af, het land in. Naar de boerderij toe loopt een smal zandweggetje, met aan weerszijden prachtige eikenbomen, waarachtig een sloot ligt. Het is hier heel rustig. “Wat een aardige mensen hè, Babby”, zegt Jee-Pee. “Ja, Jee-Pee, we hebben het wel erg geboft. Gelukkig hebben we nu ook adressen voor de familie Cohen”. Met bewonderende blikken kijken de jongens naar de prachtige schaduwen van de dennenbomen van het bos rondom de boerderij die over het land van boer Buwalda vallen. Het is inmiddels al gaan schemeren. Ondanks alle spanningen van deze reis genieten zij met diep respect van de natuur die – dat weten ze van thuis – door God in stand wordt gehouden. Van tussen de takken van het struikgewas langs de sloot zingt een nachtegaal zijn hoogste lied. De nachtegaal is een onopvallende vogel die verscholen leeft in het struikgewas. Hij is zelden te zien maar het geluid is duidelijk te horen, zodat je de vogel toch goed kunt opmerken. Omdat hij vaak ‘s nachts of in de schemering te horen is, wordt deze vogel nachtegaal genoemd. Hij heeft een roodbruine stuit en staart en zijn grote ogen zijn helemaal zwart. De jongens staan stil ervan te genieten. Babby herinnert zich iets uit de bijbel: “Daarbij woont het gevogelte van de hemel, een stem gevende van tussen de takken” (Psalm 104:12). Jee-Pee onderbreekt zijn gedachten met de uitroep: “Oh, wat prachtig Babby? Als je dit hoort, geloof je niet dat er vlakbij V-2’s staan en dat er oorlog is, hè”. “Nee, inderdaad”, zucht Babby diep. “Kom, laten we maar ons bed in duiken, Jee-Pee”, vervolgt Babby nu met een vermoeide stem. “Morgen komt er weer een lange dag, denk ik”. Hoewel ze alles nog lang niet gezien hebben, gaan de jongens nu toch maar naar binnen. Daar treffen ze de boerin aan, die hen net roepen wilde om zich voor de nacht klaar te maken. Nu, daar zijn ze wel aan toe. Samen volgen ze de boerin, die hen naar de stal voorgaat. Daar is een vaste houten trap naar boven waar twee slaapkamertjes zijn. ‘s Winters is het er heerlijk warm zo vlak boven de koeien die dan op stal staan, en ‘s zomers lekker koel zo direct onder het rieten dak. Het was die dag prachtig mooi weer geweest. De zon had volop geschenen en voor de nacht hebben de jongens niet veel dekens nodig. Maar de boerin wijst hen in de hoek op een stapel dekens, die ze mochten gebruiken als ze het te koud vonden. “Zo jongens, ik wens jullie een heel goede en rustige nacht. Hebben jullie die vogel die zo mooi floot gehoord vanavond?” Jee-Pee en Babby knikken heftig van ‘ja’. “Wel, God zorgt voor hen. De Heere Jezus heeft gezegd: ‘Kijk naar de vogels’. Wij moeten daar dus maar goed naar kijken en eraan denken dat God ook zo voor ons zorgt. Vergeet niet daarom de Heere te danken en te bidden. Zoals Hij voor de vogels zorgt, zo heeft Hij vandaag ook voor jullie gezorgd en wil ook vannacht zo voor jullie zorgen. Dank Hem en vraag Hem ook voor deze nacht maar om Zijn bescherming”. De jongens kijken haar stil en eerbiedig aan. Wat fijn dat zij dat vertelt. Ja, de jongens willen ook graag doen wat de boerin, die ondertussen alvast voor hun bed neerknielt. Het is nu net alsof ze weer thuis zijn. Ook Babby’s en Jee-Pee’s moeder deden dat bijna elke avond. Eerbiedig spreken Babby en Jee-Pee om de beurt hun gebed uit. De boerin krijgt tranen in haar ogen als zij het eenvoudige maar ernstige gebed van Babby en Jee-Pee hoort. Na het ‘amen’ geeft zij beide knapen een dikke zoen op de wang en strijkt liefdevol over hun bol. Daarvan kregen Babby en Jee-Pee op hun beurt een brok van in de keel en tranen branden er achter hun ogen. Wat een lieve vrouw en wat een zorg! Ook de boerin krijgt een dikke knuffel van de beide knapen en het klinkt gelijktijdig uit hun mond – zoals wel vaker gebeurt met die twee – : “Dank u wel voor alles, boerin, en welterusten”. Glimlachend zegt de boerin: ”Slaap maar lekker, jongens. Tot morgen hoor”. Eventjes later komt de boerin nog even kijken of ze al slapen, maar ze hoort hen beneden in de stal al snurken. “Het hele Rijsterbos krijgt een beurt als dat zo door gaat”, denkt de boerin. Dit zit dus wel goed. Stilletjes en dankbaar gaat de boerin weer naar beneden.

De imker

Boer Buwalda en Jan Snor zijn inmiddels vertrokken naar de vriend van de boer. Het is maar een klein eindje lopen vanaf de boerderij van Buwalda. Door een bospad dat vlakbij de boerderij begint, duiken beide mannen de bos in. Dit pad eindigt bij het huisje van de familie Algra, die ook aan de rand van het bos woont. Gjalt Algra, de bijenhouder – ook wel imker genoemd – woont met zijn vrouw Brechtje in een heel eenvoudige boerenhuisje. Het zijn beide blijmoedige en eenvoudige mensen. Ze worden heel vriendelijk ontvangen. Nadat zij kennis gemaakt hebben met elkaar, vraagt Brechtje: “Willen jullie een kopje koffie”, Jelte en Jan. “Graag, Brechtje”, zegt Jan Snor en boer Juwalda antwoordt grinnikend: “Héél graag Brechtje. Jouw koffie is altijd geweldig lekker en mooi bruin”. “Ja, dat weet ik”, antwoordt deze en kijkt haar man Gjalt met lichte pretogen aan. Daarom bied ik het jouw ook aan”. Nu hoort Jan Snor voor het eerst hoe de voornaam van boer Buwalda is. Ook de boer beseft plotseling dat hij zich nog steeds niet bij zijn voornaam voorgesteld heeft aan Jan Snor. Hij zegt dan ook: “O ja, Jan”, terwijl hij deze aankijkt, “sorry hoor, maar ik heet dus Jelte, zoals je hoort. Noem mij dus alsjeblieft voortaan ook zo”. “Ja Jelte, dat zal ik doen. Dat praat iets gemakkelijker hè?”, antwoordt Jan Snor.

Terwijl Brechtje de koffie inschenkt, die de hele avond al op de kachel stond te pruttelen, zegt Gjalt nu glimlachend: “Maar daarvoor zijn jullie toch niet gekomen, om hier jullie voornamen te leren kennen, veronderstel ik”. “Nee, zeker niet. Maar het is wel een prettige en nuttige bijzaak. Als wij vannacht elkaar iets moeten toeroepen bijvoorbeeld, dan is het wel fijn als je elkaar bij de voornaam kent, nietwaar”, is het slimme commentaar van boer Buwalda. “Wat zeg je me daar? Vannacht. Bedoel je dat we vannacht de boel op stelten gaan zetten in het Rijsterbos en dat kom je mij nu pas vertellen?”, roept Gjalt. Hij krapt zich daarbij met een bedenkelijk gezicht achter één van zijn grote oren en doet net alsof dit een heel groot probleem is. Bijna was zijn vriend Jelte erin getrapt maar zag gelukkig nog op tijd het knipoogje van Gjalt naar zijn vrouw. “Oh, je had mij bijna te pakken, Gjalt” zegt boer Jelte lachend. “Maar nu even serieus”, gaat deze verder. “Mijn vriend Jan hier is bereid om vannacht te helpen. Hij is net als jij en ik, lid van de Ondergrondse. Dus kunnen we mooi samenwerken deze nacht. Er is deze nacht bijna geen maan, dus dat komt ons goed van pas. Dan zien ze ons ook niet zo snel. Pottenkijkers hebben we immers niet nodig. Nu wil ik voorstellen dat jij, Gjalt, nu direct met ons meegaat. Dan zal ik je onderweg ook even uitleggen hoe ik nu aan vriend Jan kom. Oké?” Even is het stil maar dan zegt imker Gjalt: “Prima Jelte. Ik dacht al, het duurt nogal even voor we onze Duitse ongenode gasten kunnen verrassen met een prachtig cadeau. Maar beter laat dan nooit, dus laten we dan maar direct gaan”. Na de koffie staan de drie mannen snel op. Imker Gjalt geeft zijn vrouw Brechtje nog snel een dikke kus op de wang en nadat hij een dikke jas aangetrokken heeft, gaat hij de mannen voor naar buiten. Dan gaan de drie mannen over het al donkere bospad weer terug naar de boerderij van Buwalda.

Naar het tempeltje van de Vrede

Onderweg vertelt Jelte aan Gjalt hoe hij aan vriend Jan komt en overleggen de drie mannen druk hoe ze het een en ander zullen aanpakken. De bijenkorven en een kist met spullen voor imker Gjalt moeten eerst op een boerenwagen geladen worden. Bruin, het paard van boer Buwalda, krijgt het druk vannacht. Het sterke paard zal er vast wel zin in hebben. Bij de boerderij aangekomen gaan ze direct naar de bunkers waar de bijenkorven al klaar staan. Bij het binnenkomen hoor je ze al gonzen. Maar imker Gjalt heeft de korven afgesloten, zodat ze er niet uit kunnen. Dat mag pas als ze op hun plaats staan in het Rijsterbos en vooral op het juiste moment. Dat wordt door Gjalt bepaald.

Nu staat er al bijna 180 jaar een Vredestempeltje in het Rijsterbos. Het is een zeshoekig priëel die van voren open is. Het dak rust op twee pilaren1. Steeds weer kwamen er tijden, waarin de volgende tekst op de kroonlijst actueel werd:

“Vrede, groot geschenk van God,
blijf bestendig Neerlands lot,
Laat het dankbaar op U zien,
Altijd twist en wraakzucht vliên”.

Deze tekst werd aangebracht in het jaar 1814, toen Napoleon naar Elba werd verbannen en Nederland weer vrij was. Ook nu zal het weer een rol gaan spelen in het lot van Nederlandse onderdanen. Want daar moeten de bijenkorven naar toe omdat dit priëel vlakbij de V-2’s staat. Een prachtige lokatie voor de bijen en goed te bewerken door de imker. Gjalt zal ervoor zorgen dat de bijen op het juiste moment kwaad worden en zal ze dan los laten. Dat betekent dat hij eerst de bijen naar het priëel moet brengen. Als bijen verplaatst worden bijvoorbeeld op een dracht2 zoals fruit of koolzaad, gaan de bijen als ze uit de korf komen eerst goed om zich heen kijken om na de vlucht altijd hun huisje terug te vinden. Dat betekent, dat als je de korf loszet ze niet direct op een bepaald doel afgaan. Maar Gjalt weet wel dat bijen door alcohol agressief worden, zelfs rustige bijen. Daarom heeft hij een aantal flessen sterke drank bij zich waarvan hij vóór het openen van de korven enkele op de V-2 zal leeggieten en de rest zal hij er vlakbij neerzetten. Het plan is dan dat de Duitse soldaten de flessen sterke drank zullen vinden, en die zullen gaan drinken. De kans dat dit gebeurt is zeer groot omdat de soldaten hier nogal dol op zijn. Dat heeft Gjalt al ontdekt in de tijd dat zij hier bivakkeren. De korven staan dan wel zo dichtbij de V-2 dat de soldaten zeker bij gebruik van alcohol bezoek zullen krijgen van onze ‘vrienden’, de bijen. Ook is de zweetlucht van de soldaten voor de bijen een uitnodiging om eens een kijkje te nemen bij deze vreemde ‘Duitse wezens’.

Gjalt moet wel de hele nacht en een deel van de dag vlakbij het priëel doorbrengen. De bijen vliegen niet onder de 12º Celsius, dus moet het plan overdag gaan werken. Dat maakt het extra gevaarlijk voor Gjalt. De bedoeling is immers dat de bijen op de soldaten afkomen die daar vlakbij in de buurt van de V-2 rondlopen. Gjalt heeft inmiddels wel zijn huiswerk goed gedaan. Hij weet dat vanaf 1 uur ‘s nachts er geen wacht meer gelopen wordt bij de V-2. Dan is dat juist voor hem het ogenblik om actief te worden met zijn ‘vrienden’, de bijen. Deze vrienden zullen het hun vijanden knap lastig gaan maken, is de verwachting. Vooral als ze kwaad worden kunnen bijen flink van zich afbijten. Imker Gjalt weet dat de lucht van alcohol de bijen dol maakt. Dat is zijn methode om ze op stang te jagen. Hij weet ook dat waar de bij is uitgeteld, het met de natuur slecht gesteld is. Deze bijenwijsheid is in de omgeving van het Rijsterbos bijna waarheid geworden. Door de vernielingen van de V-2 en allerlei andere Duitse natuur-onvriendelijke acties komen er hier steeds minder bijen. Het is waar wat een spreuk zegt: ‘Wie de bij weert of gaat storen, heeft de liefde voor de natuur verloren’. En Gjalt en de meeste mensen hier op het platteland houden veel van de natuur. Zij weten dat dit Gods schepping is en dat ze er goed voor moeten zorgen.

Maar eerst moeten nu de strokorven met de bijen erin naar het Rijsterbos in het priëel gebracht worden, waarvan Gjalt een sleutel van het slot heeft. Dit is de taak van Gjalt Algra en van Jan Snor. Terwijl boer Juwalda zijn paard haalt, worden de korven voorzichtig op de boerenwagen geladen. Het zijn er vier. Misschien wel niet zoveel maar als er gebeurt wat verwacht wordt, is dit ruim voldoende, want in elke korf zitten ongeveer 40.000 bijen. Imker Gjalt heeft ook speciale kleding bij zijn korven liggen alsmede handschoenen en een kap voor zijn bescherming. Hij weet dat er ook zachtaardige bijen zijn waarmee je zonder handschoenen en kap mee kan werken, maar daarover beschikt hij niet! Dus bijen zijn niet alleen maar enge stekers. Helaas weten dit maar weinig mensen. Mocht Gjalt aangevallen worden, dan is hij dus goed beschermd. Ook ligt er een pijp, voor het geval ze agressief worden. De rook uit deze pijp wordt door de bijen gezien als: “alarm”. Zij worden door de rook verdoofd.

Een spannende rit

Het geluid van paardenhoeven kondigt de komst van Bruin aan. Hij wordt voor de wagen gespannen en mag nu zijn best doen. De rit naar het priëel in het Rijsterbos is niet erg lang maar moet wel heel voorzichtig gebeuren. De Duitsers mogen hen natuurlijk niet ontdekken. Maar Jan Snor heeft een ruime ervaring in het ontlopen van Duitsers en zal daar – hoewel hij nog niet weet hoe belangrijk dit zal zijn – ook deze nacht weer gebruik van moeten maken. Voordat de mannen vertrekken gaan ze eerst nog even naar binnen bij boer Buwalda. In de gezellige keuken heeft de boerin een heerlijke kop koffie voor hen klaar staan met een dikke eigengebakken snee krentebrood. Ze zullen nog wel energie nodig hebben, is de gedachte van de boerin. En dat klopt vast. Zulke nachtelijke avonturen kosten meestal veel kracht. Toen de koffie en het brood op was, zette boer Buwalda zijn pet af om met onbedekt hoofd tot God te bidden, zoals de bijbel hem dat geleerd had. De andere twee mannen volgen hem daarin en sluiten hun ogen en vouwen eerbiedig hun handen. Eerst willen ze de Heere aanlopen. Boer Buwalda doet een krachtig en ernstig gebed om bewaring en hulp. Na het gebed zit het gezelschap nog even stil om het gebed tot zich door te laten dringen en het in hun harten mee te nemen. Gjalt merkt op: “Die in de Schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw van de Almachtige”. Alle vier knikken met het hoofd ten teken van instemming. Dan staan ze op om hun opdracht te vervullen. Bruin hinnikt bij het horen van de stemmen die in het donker op hem afkomen. “Hiii… hiii…”, hinnikt hij, “eindelijk, kunnen we nu eens gaan”.

Bruin is een heel tam paard, dat nu wel van heel nuttig is. Na enkele instructies van boer Buwalda, neemt Jan Snor de leidsels in handen en klimt op de bok van de boerenwagen. Naast hem gaat imker Gjalt zitten en bij het klakken van de tong en het spreken van “vort Bruin”, komt de boerenwagen in beweging. Na een korte rit zijn ze al vlug aan het eind van de zandweg om linksaf een klinkerweg op te gaan. Hier ratelt de oude boerenwagen wel een beetje op de stenen maar tot hiertoe gaat gelukkig alles goed. ‘s Nachts kom je hier ook bijna nooit iemand tegen. Gjalt wijst de weg en zegt: “Jan, nu de eerstvolgende zandweg over ongeveer 200 meter linksaf in, dat is wel iets langer maar hier horen en zien ze ons niet zo gemakkelijk”. Toch gaat het deze keer iets anders. Voordat ze linksaf kunnen slaan, zien ze een groepje soldaten. Ze zijn al zo dichtbij dat het voor Gjalt niet meer mogelijk is om een andere weg in te slaan. “Jan, kijk Duitsers, voorzichtig. Ik doe het woord. Doe je pet wat verder voor je ogen. Hoe minder ze van je zien des te beter”. Dat begrijpt Jan helemaal. Hij had voor zijn werk als Ondergrondse al verschillende keren Duitse soldaten ontmoet. Hij weet dat je zo rustig mogelijk moet zijn. Daar komen ze … “Halt!”, roept een soldaat die nu vlak bij de boerenwagen loopt. “Was sagen Sie?” [dat betekent: “Wat zegt u?”] , roept Gjalt terug. “Halt!” Gjalt roept “Ho, Bruin, ho!” Bruin stopt gewillig en wacht af wat er verder gebeurt. Hij is heel rustig gelukkig. Ondertussen was de soldaat zo dichtbij gekomen dat beide mannen op de boerenwagen hem kunnen zien. “Was machen Sie hier jetzt”, [dat betekent: “Wat doet u nu hier”] zegt nu Herr Kommandant, want hij is het. Gjalt slaakt bijna een zucht van verlichting. Dit maakt het wel wat eenvoudiger voor hem want deze commandant is niet zo vijandig en vriendelijk voor de bevolking. “Ich muss mein bijen wegbrengen en dat muss ick in den nacht tun anders werden sie böse. Darum fahre ich nu hier met mein Freund”, probeert Gjalt wat in het Duits te praten, maar het is meer Nederlands dan Duits. Jan moet er een beetje om grinniken, maar houdt zich toch nog wat in. Herr Kommandant kan gaan denken dat je om hem lacht. Dat moet je niet hebben. Gjalt waagt op zijn beurt te vragen: “Maar was tun jullie hier?” Herr Kommandant kijkt daarbij Gjalt indringend aan. Dit heeft hij niet verwacht. Een poosje is het stil … Je kunt de soldaten horen fluisteren achter de rug van hun baas. Ze wijzen ook naar de bijenkorven die ze niet goed kunnen onderscheiden en kijken daarbij met grote angstige ogen. Ze begrijpen absoluut niet wat daar in zit. het lijkt hun in ieder geval wel griezelig. Dat blijkt later ook maar al te goed. “Wir”, knipoogt dan Herr Kommandant en zegt zachtjes, zodat de soldaten achter hem niets kunnen horen, “wir suchen Honig. Dann haben wir ein schönes Geschenk für unsere Familie” [dat betekent: “wij zoeken honing. Dan hebben wij een mooi geschenk voor ons gezin”]. Jan Snor schrik ervan. Wat denkt deze man toch. Zou hij soms iets vermoeden? Maar die knipoog bevalt Jan wel. Het is hem nu ook wel duidelijk dat deze Duitser hier liever ook niet zit maar thuis bij zijn vrouw en kinderen. Zo te zien maakt hij een grapje. Dan vervolgt de Duitser: “Gut, Herr Bauer, fahren Sie mal weiter. Und mache Vorsicht. Gute Nacht” [dat betekent: Goed boer, rijdt u maar verder en doe voorzichtig. Goedenacht”. Dit valt gelukkig mee. Nee, Herr Kommandant is de kwaadste niet. Na dit – gelukkig korte – oponthoud rijden ze langzaam weer verder en de soldaten vervolgen hun weg. “Zo Jan, dat liep goed af”, zegt Gjalt langzaam. “Ja, Gjalt, dat kun je wel zeggen. Die Herr Kommandant is ons niet ongunstig gezind, merk ik”, antwoordt Jan. Gjalt knikt instemmend en zwijgend gaan ze weer verder.

Al snel komen ze bij de zandweg die naar hun doel voert. Als ze deze weg zijn ingeslagen mag Bruin flink lopen. Jan spoort hem hiertoe ook een beetje aan. Hoewel het nogal donker is, kun je toch de zandweg vanwege zijn goudgele kleur goed zien. Aan het eind zien ze een donkere massa. “Dat is het Rijsterbos, Jan, terwijl hij in de verte wijst. Daar eindigt ook deze zandweg. Over een bospad, wat net breed genoeg is voor ons, kunnen we dichtbij het priëeltje komen. Maar we moeten daar wel heel voorzichtig zijn. Ook Bruin mag eigenlijk geen geluid maken”. Jan knikt en tuurt ingespannen in de verte. Hij heeft goede ogen en kan daarom in het donker goed zien. Dat komt nu ook heel goed van pas. Beide mannen zijn niet erg bang uitgevallen. Toch zijn ook zij afhankelijk van de bewaring van God. Dat beseffen beide mannen goed. Als zij het Rijsterbos naderen, laat Jan Bruin wat langzamer lopen. Hoewel de zandweg goed opvalt, is het toch aardedonker en moeten ze heel voorzichtig te werk gaan. “Ho, Bruin, ho!”. Bruin stopt nu en de mannen luisteren ingespannen of ze ook geluiden horen of stemmen van soldaten die het bos bewaken. Ze horen niets. Alleen een hond in de verte verbreekt de stilte die als een sluier om hen heen hangt. “We moeten nu bijna bij het pad zijn dat we in moeten, Jan”, fluistert Gjalt. Ze moeten nu wel fluisteren omdat de wind stemmen soms heel ver kan meedragen. Dat zou gevaarlijk voor hen kunnen zijn. Een tweede ontmoeting met Duitsers op deze plek is ook niet erg aan te bevelen. “Ja, ik zie daar een pad”, fluistert nu Jan. Zijn scherpe ogen laten hem ook hier niet in de steek. “Ja inderdaad, hier is het Jan”, fluistert Gjalt. Ze waren het pad tot op een tiental meters genaderd. Behendig leidt Jan Bruin het smalle pad binnen. De boerenwagen kan hier net door. Er is verder helemaal geen ruimte meer naast de wagen. Gelukkig is hier geen sloot, anders zou het nog gevaarlijker zijn. Heel voorzichtig gaan de beide mannen voort met hun trouwe paard. Het is alsof Bruin begrijpt, dat er veel afhangt van deze nachtelijke tocht. Hij is uiterst braaf en geeft zelfs geen enkel geluid. Bruin is hier wel vaker geweest met zijn baas om goederen naar het priëel te brengen. Mogelijk scheelt dat ook nog.

Ontmoetingen in het bos

Toch zijn ze in het bos ook niet de enigen, zoals krakende takken dit verraden. Jan ziet op enkele meters afstand enkele donkere schaduwen bewegen en laat Bruin stoppen. “Ho, Bruin, ho!”, fluistert hij. Het zijn gelukkig maar enkele wilde zwijnen die hier opgeschrikt worden door de naderende stoet. Ze lopen op het bospad en nemen de benen, of liever gezegd de poten. Het wordt daarna weer stil en de mannen kunnen verder. Heel voorzichtig gaat het nu. Ze zijn namelijk dichtbij het “Vredestempeltje” waar deze bosweg aan de achterkant ervan eindigt. “Ho Bruin, ho maar!”, fluistert Jan Snor en laat de wagen een 50-tal meters voor het einde stoppen. Aan de achterkant van het priëel is een behoorlijke grote open ruimte waar Bruin stopt. Alleen enkele struiken scheiden hen nu nog van hun einddoel. Links en rechts van het priëel zitten de struiken tegen het gebouwtje aan. Stil blijven de twee mannen op de bok zitten en luisteren scherp of ze iets vernemen. Het is nu toch wel heel erg spannend. Fladderend vliegt plotseling een duif uit de boom waaronder ze zich bevinden. “Zeker wakker geschrokken”, fluistert Gjalt. “Als het hier bij blijft, ben ik aardig tevreden hoor”. Jan fluistert terug: “Tot hiertoe gaat het allemaal nog aardig goed”. Maar dit wordt direct bestraft. Opeens horen ze stemmen. Onmiddellijk zijn de twee ‘nachtbrakers’ van de wagen af en verstoppen zich in de struiken. Bruin blijft gelukkig stil staan. Je kunt hem en de boerenwagen door de duisternis van de nacht haast niet zien onder de overhangende struiken vlak voor de open ruimte. “Het zijn de twee Duitse wachten”, fluistert nu Gjalt heel zachtjes. “Het is al bijna twee uur. Dat begrijp ik niet”, gaat hij verder. “Ik dacht dat ze om 1 uur stopten met controle. Toch heeft hij zich hier blijkbaar vergist en dat kan heel gevaarlijk worden. “Stttt… ze zijn heel dichtbij hoor”, fluistert Jan nu gehaast. Doodstil blijven de twee vrienden onder de struiken liggen. Dan horen ze duidelijk één van de soldaten zeggen: “Heinrich … ich möchte gern schlafen. Lassen wir etwas früher zu unserer Schlafhalle rückkehren. Niemand sieht es dennoch?” [dit betekent: Heinrich … ik wil graag slapen. Laten we iets vroeger naar onze slaapplaats teruggaan. Niemand ziet het immers?”] Even is het stil en dan horen ze Heinrich antwoorden: “Ja, das ist eine gute Idee. Es ist bereits zwei Uhr und nach uns kommt keiner mehr”. [dat betekent: “Ja, dat is een goed idee. Het is al twee uur en na ons komt er niemand meer”].

Wel, dat klinkt goed. De beide mannen onder de struiken houden wel hun adem is. “Als ze maar niet deze kant opkomen en achter het priëeltje komen neuzen. Soms doen ze dat wel eens”, fluistert Gjalt heel zachtjes in Jan’s oor. Ze moeten daarvoor echter wel door de struiken heen kruipen. En inderdaad, daar komen ze. Maar gelukkig voor de beide vrienden komen ze niet zo dichtbij, dat ze gezien kunnen worden. Wel zien zij de twee Duitsers. Ze hadden een sigaret in hun mond en daardoor zie je af en toe hun gezicht opgloeien. In het priëeltje kijken ze nooit, weet Gjalt. Dat is ook niet zo gemakkelijk want de sleutel ervan is in het veilige bezit van Gjalt en de deur zit aan de achterkant. “Alles gut, wir gehen” [dit betekent: alles is goed, wij gaan], horen ze dan zeggen. De twee Duitse soldaten verwijderen zich en verdwijnen in het duister van de nacht. Een zucht van verlichting wordt door de twee mannen geslaakt. “Poeh poeh, dat was wel op het nippertje, vriend. Als ze ons hier snappen, zijn wij de sigaar”, stamelt Gjalt. “Ja, zeg dat wel. Dan krijgen we zeker een zware pijp te roken”, antwoordt Jan zachtjes. Na een poosje stil wachten, staan de twee mannen op en gaan aan het werk. Gjalt opent het prieel. Voorzichtig halen ze daarna de vier korven van de wagen en de kist van Gjalt met zijn spullen, en brengen dit in het prieel. Het is binnen tien minuten gepiept. Snel wordt er een plekje voor Gjalt ingericht waar hij de rest van de nacht nog wat kan slapen. De Duitsers zullen hem wel wakker maken door hun gepraat en geloop in de buurt van het prieel, die immers vlakbij de V-2 staat. Gjalt bevindt zich dus eigenlijk vlakbij de Duitsers zonder dat ze het weten. Dat moet ook maar zo blijven, vindt hij natuurlijk. “Dus morgenvroeg rond 10 uur gaan de bijenkorven open, Gjalt?”, vraagt Jan zachtjes, terwijl hij aanstalten maakt om te vertrekken. “Ja, Jan, ik hoop tenminste dat het dan kan. Je weet het immers maar nooit. Maar het weer zal ongetwijfeld wel met ons meewerken want vandaag was het warm weer en morgen verwacht ik hetzelfde. Dat betekent ook dat de Duitsers wel zullen zweten want ze mogen hun uniformen niet uitdoen”. “Dat is goed voor ons plan. De bijen zijn dol op zwetende wezens, zegt Jan zachtjes terug”. En terwijl hij Gjalt een hand geeft, vervolgt hij: “Wel, beste vriend, dan wens ik jou veel sterkte toe en tot morgen zo de Heer wil. Ik wacht op je aan het begin van het bospad. Daar verberg ik mij ergens, maar als je drie keer fluit, sta ik zo voor je neus”. “Goed Jan, tot morgen zo de Heer wil”, antwoordt Gjalt en dan vertrekt Jan. Hij doet de deur voorzichtig open en stilletjes loopt hij dan naar Bruin die nog steeds geduldig wacht. Nu wordt het nog even moeilijk om de boerenwagen te keren maar gelukkig is er hier aan het eind, vlak op het priëel wel de ruimte om te keren. Bruin wordt bij de leidsels gepakt door Jan en voorzichtig wordt er gedraaid. Dan verdwijnt Jan in de donkere nacht. De boerenwagen moet nu weer teruggebracht worden naar boer Buwalda.

Het uitvoeren V-2 plan 1

Gjalt blijft alleen achter in het donkere bos. Na een half uur besluit hij om nu maar alvast het eerste deel van het slimme plan uit te voeren, namelijk het leeggieten van de flessen sterke drank – waar veel alcohol in zit – op de V-2. De kans dat ze Gjalt snappen, is wel heel klein geworden nu de laatste wacht-soldaten naar hun barak zijn vertrokken. Voorzichtig sluipt hij nu met een doos flessen uit het prieel en gaat op de V-2 af. Zijn hart klopt hem in de keel. Als ze hem betrappen, kan het heel slecht met hem aflopen, weet hij. Toch gaat hij moedig voort. Het moet gebeuren om de mensen én de natuur hier enige verlichting te geven van de Duitse bezetter. “Krakkk…”, klinkt het. Gjalt trapt op een dode tak. O wee, dat maakt zo’n hard geluid. hij blijft stilstaan en haalt diep adem. Het zweet breekt hem uit. Toch blijft het stil om hem heen. Hij kan haast niets zien maar hoort gelukkig ook geen Duitse soldaat. Na even stil gestaan te hebben, waagt Gjalt het om weer verder te sluipen. “Ja, daar zie ik ‘m”, denkt hij. Een grote zwarte gestalte rijst voor hem omhoog. Het is de V-2. Er staat met grote witte letters op geschilderd “Sieg Heil. V-2”. Dat “Sieg-heil” is de groet waarmee men tijdens deze wereldoorlog de Duitse tiran Hitler begroette. Daarbij hield men de rechterarm met vlakke hand schuin omhoog. Als Gjalt dit ziet, wordt hij niet echt blij. “Kom, niet langer naar kijken”, gromt hij en opent zijn eerste fles en giet deze op de V-2 leeg. Daarna volgt de tweede en de derde enzovoorts. De hele V-2 wordt grondig met de sterke drank onder handen genomen. Om helemaal bovenaan te komen moet Gjalt wel een beetje klimmen. Op een gegeven ogenblik zit hij er helemaal bovenop. Precies op het plekje waar de soldaten het ‘onding’ moeten bedienen. “Zo, hier maar wat extra’s”, mompelt hij. Laat ik hier ook maar een paar flessen neerleggen. “Krakkk … krakkk…”. Gjalt verstijft van schrik. “O nee toch. Help alsjeblieft, Heere”, smeekt hij in zijn hart. Hij blijft stil boven op de V-2 zitten. Wel een heel vreemde schuilplaats …

Nu hoort hij ook stemmen. Het zijn toch Duitse soldaten. Wat komen die hier nu doen? Dan hoort hij zeggen: “Hier ist es, Horst, ich habe es gefunden” [dat betekent: hier is het, Horst, ik heb het gevonden”]. Wat die soldaat daar vindt, kan Gjalt niets schelen, als hij maar weer snel verdwijnt. Hij ziet ze nu ook onder hem lopen, vlakbij de V-2. Het zijn dezelfde soldaten van een uurtje geleden. Blijkbaar hadden ze wat achter gelaten en wilden het toch nog ophalen, al was het pikdonker. “Glücklich Heinz, dann bekommen wir kein Problemen mit Herr Kommandant” [dat betekent: “Gelukkig Heinz, dan krijgen we ook geen problemen met Heer Kommandant”], antwoordt de andere soldaat. Gjalt ziet nu toch wat het tweetal hierheen heeft gebracht, zo dichtbij zijn ze. Ze houden twee bijna lege flessen sterke drank in hun hand. Gjalt knikt dankbaar met zijn hoofd en denkt: “Prima, prima, dit past heel goed in ons plan. Dan lusten jullie morgen vast ook wel een beetje van het spul uit mijn flessen”. Dan verlaten beide soldaten zonder ook maar omhoog te kijken waar Gjalt zich verborgen houdt. Dit loopt gelukkig weer goed af. Als de soldaten weg zijn, wacht Gjalt nog even en verlaat dan snel zijn schuilplaats. Hij heeft nog 4 flessen en giet 2 ervan nog leeg op de V-2 en de andere 2 legt hij vlakbij de V-2 neer. “Ziezo, 4 flessen sterke drank houden jullie nog wel even bezig, hoop ik”, denkt Gjalt. Dan verdwijnt hij weer in het duister en zoekt zijn slaapplaatsje op in het prieel van de vrede.
Wat zal er morgen gebeuren?

NOTEN:
1. Het werd in de loop der jaren verschillende malen hersteld en herbouwd. Voor het laatst in 1977.
2. Dracht is de periode dat planten stuifmeel en nectar leveren.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW