1 jaar geleden

Thema redding (behoudenis) – Vraag en antwoord

Bijbelplaatsen: Hebreeën 5:9; Romeinen 13:11; Efeze 2:8; Titus 3:5; Lukas 19:10*;

Vragen

1. Een ander woord voor redding is ….?
2. Redding staat in tegenstelling tot … (zie 1 Kor. 1:18; Luk. 19:10)?
3. Redding heeft volgens het Nieuwe Testament betrekking op de persoon die tot geloof gekomen is, op:

  1. het verleden;
  2. heden;
  3. toekomst.

Pas de volgende verklaring toe op één van de drie tijden:

a. “We zijn allen eens en voor altijd vrij van de eeuwige straf op de zonde”;
b. “We zullen eens uit de wereld van de zonde weggenomen worden”;
c. “We zijn gered van het voortdurende gevaar van de zonde”.

4. Pas de volgende passages toe op de drie verschillende aspecten van de redding (dat wil zeggen: verleden, heden en toekomst):
Hebr. 5:9; Rom. 13:11; Ef. 2:8; Titus 3:5; 2 Tim. 1:9; Luk. 19:10; Hand. 16:30; Rom. 5:10; Hebr. 7:25; 1 Thess. 5:8,9; 1 Petr. 1:5,9.
5. Jakobus vraagt: “Wat baat het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem soms behouden?” (Jak. 2:14). Wat betekent dit? Is dan het geloof alleen niet genoeg voor de redding (Hand. 16:30 etc.)?
6. Wat betekent het vers: “… bewerkt uw eigen behoudenis [redding] met vrees en beven” (Fil. 2:12)? Om welk aspect van de redding gaat het, en hoe is deze uitspraak te verstaan?
7. “Redding” betekent in het Nieuwe Testament ook: Bewust op een plaats zijn, waar men gescheiden van de wereld en vrij van het oordeel van God is. Op deze plaats kan men innerlijk en dan ook uiterlijk zijn. Verklaar daarmee in overeenstemming de volgende verzen: Mark. 16:16; Hand. 2:40,41; 1 Petr.3:21; Rom. 10:10.

Antwoorden

1. Heil.
2. Verloren gaan.
3. De volgorde:

a. 1; b. 3; c. 2

4. Verleden tijd: Ef. 2:8; Titus 3:5; 2 Tim. 1:9; Luk. 19:19; Hand. 16:30; Hebr. 5:9; 1 Petr. 1:9;
Tegenwoordige  tijd: Rom. 5:10; Hebr. 7:25;
Toekomst: Rom. 13:11; 1 Thess. 5:8,9; Rom. 5:9; 1 Petr. 1:5.
5. Een geloof dat niet met werken gepaard gaat, is een dood geloof. Het is slechts een overtuiging, zoals ook de demonen hebben. Zo’n geloof redt niet. Er is een persoonlijk, levend geloof in Jezus Christus nodig (en dit geloof brengt werken voort).
6. We moeten zelf geestelijk actief zijn, zodat we niet zullen vrezen voor de gevaren, doordat we ons bijvoorbeeld door de vijanden laten afschrikken (Fil. 1:28). Het gaat om het tegenwoordig aspect van de redding, waarbij onze verantwoordelijkheid wordt benadrukt. De Heer komt in de hemel zeker voor ons op – maar de vraag is of wij Gods woord gehoorzaam zijn en of we voor de zonde beven. Dat is ons aandeel om het gevaar van de zonde te vermijden.
7. Door de doop maken we een scheidslijn met de wereld, en zonderen ons af van dat systeem, dat onder het oordeel van God ligt. – Ook de toewijding aan Christus scheidt ons (uiterlijk) af van de wereld, dat onder het oordeel van God ligt, en bewaart ons dan letterlijk ook voor vele valkuilen.

Online (in het Duits) sinds 10.08.2017;

Gerrid Setzer, © Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol