14 jaar geleden

Ruth (32) – slot

WAT GOD GEEFT …

God schenkt een zoon


Ruth 4:14-22:

14 Toen zeiden de vrouwen tot Naómi: Geloofd zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israel! 15 Die zal u zijn tot een verkwikker der ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, die u beter is dan zeven zonen. 16 En Naómi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijn voedster. 17 En de geburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naómi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader. 18 Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron; 19 En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminádab; 20 En Amminádab gewon Nahesson; en Nahesson gewon Salma; 21 En Salmon gewon Boaz, en Boaz gewon Obed; 22 En Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David.

Dan geeft de genade van God aan Ruth een zoon. De vrouwen van de stad spreken nu niet tegen Ruth maar tegen Naómi. Toen deze uit Moab naar Bethlehem teruggekomen was, zei ze met een stem van bitterheid: “… de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. Vol trok ik weg, maar leeg heeft de HEERE mij doen weerkeren”. De vrouwen zeiden nu: “Geloofd zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven” (4:14). Hier is in de losser aan Obed te denken. Deze naam wijst op een wederopleving in het getuigenis van God aan het einde van de dagen, zowel met betrekking tot de kerk als met het oog op Israël. In verbinding met de geschiedenis van de kerk hebben wij dat in het tijdvak, die in het zendschrijven aan Filadelfia is voorgesteld. Met het oog op Israël wijst dat op het gelovige overblijfsel aan het einde van de verdrukkingstijd, wanneer zij de Heer Jezus als hun Verlosser erkennen en door Hem dan in hun zegening worden ingevoerd.

Dan zal de volgende plaats pas goed begrepen worden: “Want een Kind is ons geboren” (Jesaja 9:5). Dan zullen zij weten dat dit Kind, dat ongeveer 2000 jaar geleden geboren werd, hun Messias was die God hen gezonden had maar die door hen verworpen werd. Zij zullen dan erkennen dat deze Zoon het was van wie gezegd werd: “… en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst” (Jesaja 9:5). Dan zal er vrede op aarde zijn in het rijk van de Messias, de grote Vredevorst.
Obed betekent dienaar of ook aanbidder. “En zijn naam worde vermaard in Israel! Die zal u zijn tot een verkwikker der ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard” (4:14-15). Zij hebben dat waargenomen en vastgesteld. Moeten de mensen uit onze omgeving ook niet van ons kunnen zeggen: ‘Wat een liefde hebben zij toch voor en onder elkaar. Hoewel zij elkaar in vele gevallen nog nooit gezien hebben en alleen door de een of andere omstandigheid elkaar hebben leren kennen, zijn zij toch nauw met elkaar verbonden’. Dat bewerkt de liefde, de liefde van Christus.

De vrouwen in de stad zeggen nog iets zeer moois: “…die u beter is dan zeven zonen” (4:15). Voor die tijd was Ruth onvruchtbaar, zowel als Machlons vrouw zo ook als weduwe. Maar in verbinding met Boaz is zij vruchtbaar voor God en voor Naómi beter als zeven zonen. Er was als het ware leven uit de dood voortgekomen, zoals het in veel andere gebeurtenissen in beeld ook het geval was, zoals het met het oog op de geschiedenis van Israël op de dag van hun aanneming zijn zal (Romeinen 11:15). Hoe hoog werd Ruth gewaardeerd. Zo zullen de volken van de aarde in het duizendjarig rijk Israël, de aardse bruid van de Messias, waarderen. Dan zal Hij op de aarde heersen als de ware Salomo, de koning van de gerechtigheid en van de vrede, waarvan Melchzédek het eerste voorbeeld is. Voor Israël zal Hij dan alles zijn. In deze tijd zullen tien mannen de slip van de jas van een joodse man grijpen om met hem mee te gaan. Israël is dan het gezegende volk op aarde. Dat zullen alle naties erkennen. Ze zullen hun delegaties niet meer naar Moskou of naar andere landen zenden. Nee, ze zullen zeggen: “Komt, laat ons opgaan tot de berg des HEEREN, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden” (Jesaja 2:3).

“Zij die u beter is dan zeven zonen!” Dat is een heerlijk getuigenis. God laat het haar uitreiken door de vrouwen van Bethlehem. God eert, die Hem eren. Mochten wij toch ook zulken zijn, van wie Hij de namen lovend zou kunnen noemen.

God verbloemt niets …

Nog een korte gedachte over het geslachtsregister dat ons tien namen van de voorvaders van David noemt (4:18-22). David is de laatste. Deze namen hebben een plaats in het geslachtsregister van de Heer Jezus in Mattheüs 1, waar wij de Heer Jezus als koning, als zoon van David en als Messias zien. Daar is van vier vrouwen sprake, waarvan er drie bij naam genoemd en één omschreven wordt, zodat wij weten welke naam zij droeg. Het gaat om Bathséba, de vrouw van Uría. Zou een ongelovige jood dit geslachtsregister hebben moeten schrijven, zijn pen zou tegengestribbeld hebben deze vrouwen ook maar te noemen, zoals zij alleen onder de inspiratie van de Heilige Geest daar hun plaats gevonden hebben.

Als eerste verschijnt Thamar, de vrouw van Juda, de moeder van Peres. Haar geschiedenis wordt volgens Genesis 38 door hoererij gekenmerkt. De tweede is Rachab, ook zij was een hoer. Salmon verwekte Boaz bij haar. Boaz verwekte Obed bij Ruth. Zij was van de vijanden van God en Zijn volk, van Moab. Obed echter verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning. Maar David verwekte Sálomo bij Bathséba, die weliswaar niet zelf als ongepast verschijnt, maar die door Davids schuld en hoererij de moeder van Sálomo werd. Vanwege haar werd David echtbreker en moordenaar van haar man. Daarom wordt mogelijk haar naam hier niet genoemd.

Wanneer wij nu de korte overdenkingen van dit boek Ruth, dit boek van genade, afsluiten en in het geslachtsregister van de Heer in Mattheüs door de genoemde personen aan zulke verschrikkelijke zonden herinnerd worden, dan moeten wij werkelijk zeggen: ‘de genade kent geen grenzen!’ Alle kinderen van God zijn alleen uit genade behouden, die ons ook bewaart, ons terecht brengt wanneer wij afgedwaald zijn, en die wij echter ook daarin herkennen, dat de Heer Jezus boven onze voorspraak is, opdat ons geloof niet ophoudt. Laten wij neervallen en Hem aanbidden. Spoedig zullen wij Hem zien, die door Zijn diepe vernedering en Zijn werk op Golgotha de genade en de waarheid aan het licht gebracht heeft. Wij zullen Hem zien, het Centrale Punt van het hele universum, het Middelpunt van de hemel, als het geslachte lam. Wij zullen de wonden in Zijn handen en het teken in Zijn zijde zien, en ieder persoonlijk mag altijd daaraan denken: ‘Hij heeft het werk van de verlossing voor mij volbracht’. Wij gevoelen nu een beetje dat wij in eeuwigheid daarmee niet ten einde komen om Zijn liefde en genade en die van onze Vader te roemen en in passende aanbidding te verheffen.

Wij zullen spoedig voor Uw troon
U onze Vader, en de Zoon
het eeuw’ge loflied zingen.
Dan wordt volmaakt Uw Naam geloofd
door de gemeente die haar Hoofd
vol blijdschap zal omringen.
Ook alle tong geeft U de eer
en noemt dan Jezus Christus Heer
tot eer van God de Vader.
Maar ook reeds hier in deze tijd
wordt roem, aanbidding, dank gewijd
aan ‘t Lam en U, o Vader!

 

Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht tot in alle eeuwigheid” (Openbaring 5:13).

(Slot)

De Schriftplaatsen van deze overdenkingen zijn aangehaald uit de Statenvertaling 1991 (Oude Testament) en uit de z.g. Voorhoevevertaling 4e druk (Nieuwe Testament).

Vertaling: Frisse Wateren – rm

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM