10 jaar geleden

Rinus laatste Kerstfeest

Het is een donkere avond. Dikke, grauwe wolken pakken zich samen en het is maar goed dat de straat lantaarns branden, want anders zou je geen hand voor de ogen kunnen zien. Niet dat er veel lantaarns in de straat staan, maar die paar die er staan, geven net voldoende licht om te zien waar je loopt. Het is een heel verschil met de winkelstraten verderop, daar is het één en al licht. Daar merk je ook niet veel van de dikke grauwe wolken. Daar zorgt de kerstversiering met haar kunstlicht voor een schril contrast met de nauwe, donkere straten. Er zijn niet veel mensen op straat, maar dat is te begrijpen, het is de avond voor kerst en dan blijven de mensen liever gezellig thuis. Straks zal het drukker worden als er mensen naar de kerstnachtdienst gaan. Maar nu zie je bijna niemand. Toch klinken daar voetstappen. Twee haveloos geklede mensen lopen gebogen door de straten van de grote stad. De één met een oud boek onder zijn arm, de ander met een gitaar.

“Je ken niet zegge dat et warm is”, merkt de één op. “Ken je wel zegge”, antwoordt de ander, “lekker is anders”.
“Datti nou niet meeging”komt de één weer. “Eigenwijze vent”, moppert de ander.
“’Liet em nog m’n boek zien om te vrage of tie een dominee kende uit m’n boek”.
“Daar zou ‘k ook niet op geantwoord hebbe”, zegt de ander.
“Jij altijd met je boek. Je sleept het overal mee naar toe. Laat het toch thuis”.
“Mot jij nodig zegge, jij sleept altijd die gitaar van je mee. Dat ding is nog stuk ook”.
“Maar je ken er nog op spelen en dat ken je niet met die mooie meneren uit dat boek van je”. “Toch benne et domenees”. “Al wazze ’t pastoors dan zou ‘k nog niks zegge as je mijn vroeg of ik er een ken”.
“Maar ’t ben jammer dat tie niet meeging”. “Jaaa”, zucht de ander.

Ze lopen verder en ze denken allebei aan hun makker die ze achter gelaten hebben.
Die Rinus is me er één. Op een dag had hij zomaar in hun kamer gestaan en hij had zijn plastic zakken op de grond gezet. Uit één van die tassen had hij een opgerold matrasje gepakt. “Waar ken ik het neerleggen?” had hij gevraagd.
“Buiten op de stoep”, hadden ze hem geantwoord. “Ho,ho”, had Rinus gezegd, “een kraakpand hoort iedereen toe”.
Tja daar viel weinig op te zeggen en zo was Rinus bij hen gekomen. Het zou maar van korte duur zijn, want het huis werd gesloopt, maar na drie jaar staat het er nog steeds.
Voor hen had er een jong stel in het huis gewoond, maar toen de rekeningen niet werden betaald en daardoor het gas en het elektrisch werden afgesloten, zijn ze eruit  getrokken. Nu wonen zij er met z’n drieën: Jacco, Dave en Rinus.
Ze hadden ieder een eigen kamer in bezit genomen, maar toen het dak begon te lekken zijn ze met z’n drieën in de droogste kamer getrokken. Op die manier hebben ze ook nog wat gezelschap aan elkaar.

Maar met Rinus gaat het niet goed. Hij blijft steeds langer op bed liggen en hij hoest ook zo lelijk. Soms kunnen ze er niet van slapen. Maar ja, zeg nu eens tegen zo’n ziek iemand dat hij weg moet gaan. Voor zover zij weten heeft hij, even als zij, niemand die voor hem kan zorgen. Nou ja, zij kennen de mensen van het Leger des Heils. Daar zijn ze vanavond naar op weg. Ze zijn uitgenodigd om te komen eten en als ze willen, mogen ze morgenavond ook komen. Vanavond gaan ze zingen en er zou wat verteld worden.Wat er verder op het programma staat, zijn ze alweer vergeten. Jacco heeft zijn boek meegenomen.
Dat boek is al oud, het is nog van zijn opa geweest. Er staan verhalen in van zendelingen met foto’s erbij. Hij neemt het boek overal mee naar toe en als hij de kans krijgt, laat hij de foto’s zien. Hij moet dat wel ongemerkt doen want als Dave het in de gaten heeft, krijgt hij een stoot. Dave moet niets van dat boek van Jacco hebben en Rinus nog minder. Die begint te schelden als Jacco een foto wil laten zien.
“Huichelaars zijn het, allemaal”, roept hij dan kwaad. “En als je niet weggaat, geef ik dat boek een schop’.  Eerst schrok Jacco daar van, maar nu niet meer, want Rinus is zo zwak geworden. Hij staat soms te trillen op zijn benen. En mager dat hij is. Brr. Je zou denken dat hij zo door zijn knieën zakt.

Vanavond hadden ze Rinus mee willen nemen. Beneden staat nog een oude fiets en daar hadden ze hem op kunnen zetten. Maar ja, hij wilde niet.
Even later zijn Jacco en Dave bij het gebouw aangekomen. Ze stappen naar binnen en dan zijn ze Rinus vergeten.

In de donkere kamer van het oude sloophuis ligt Rinus op zijn matrasje. Hij hijgt en steunt. Hij voelt zich nu toch wel héél ziek. Maar hij wilde het niet weten voor Jacco en Dave. Die twee bleven maar zeuren of hij meeging. Op het laatst had hij ze afgesnauwd:
“Denkie dat ik meega naar die halleve zachte lui. Mooi niet en maak nouw dat je wegkomt anders zallek jullie”.
Ze waren gegaan en hij was er blij om. Ze hoefden niet te weten dat hij zich ziek voelt.
Kerstavond. Het mocht wat. Dat was voor kwezels en oude vrouwen. Voor hem geen Kerstavond.

Met zijn ogen halfdicht ligt hij op zijn matrasje. Hoe lang hij gelegen heeft weet hij niet, maar daar is opeens de schijnsel van de maan. De kamer is nu niet meer zo donker.
Rinus komt moeizaam overeind. Hij voelt naar de plastic tassen die hij altijd naast zijn matrasje heeft staan. Wacht, daar voelt hij wat. Uit de tas diept hij een doosje lucifers en een stuk kaars op. Dave heeft van een blikje een kaarsenstandaard gemaakt. Rinus zet het stuk kaars erin. Als het licht van de maan straks weer verdwijnt, heeft hij het licht van de kaars nog. Stil ligt hij naar het flakkerende vlammetjes te kijken.

Maar wat is dat? Wat hoort hij daar? Het is een stem die zingt. Maar dat kan niet, er is niemand in het huis. Hij droomt toch niet? Zijn shaggie heeft hij nog niet gerookt, daar is hij te ziek voor. Hoe komt het dan dat hij een stem hoort? Hij blijft stil liggen luisteren. Wat klinkt het mooi.

Maar dan schokt hij omhoog. Dat lied kent hij. Dat zong zijn moeder vroeger. Hij ziet het opeens weer voor zich. Moeder op de bank en hij naast haar en met haar arm om hem heengeslagen, zong ze dit lied. Wat vreemd, hij weet zich niet veel meer van vroeger te herinneren en nu opeens schiet hem dit te binnen. Maar nu herinnert hij zich nog meer. Als moeder gezongen had, vertelde ze hem van het Kindje in de kribbe, Jezus was Zijn Naam en Hij was gekomen om mensen blij en gelukkig te maken.
Nu hem had dat Kindje niet gelukkig gemaakt. Zijn leven was een puinhoop geworden.
Hij staart weer naar het schijnsel van de kaars. Er komen nog meer herinneringen boven.
Op een morgen was hij wakker geworden, hij had iets vreemds gehoord. Het was of hij zacht hoorde huilen. Hij was zijn bed uitgegaan en hij was naar de kamer van vader en moeder gelopen. Daar kwam het geluid vandaan.
Hij wilde de deur open doen, maar opeens stond daar een zuster voor hem. Hij weet nog hoe hij schrok. Ze had hem meegenomen de kamer in. Daar lag moeder en naast haar stond een bedje met een baby erin.
“Dat is nu je broertje”, had de zuster gezegd. Maar hij had naar moeder gekeken, ze lag zo stil en ze zei helemaal niets.
’s Middags was moeder gestorven. Zijn hele wereld was eensklaps ingestort. Maar daar was Japie. Die leefde nog. Voor dat kleine Japie zou hij zorgen.

Veertien jaar was hij geweest, hij weet het nu heel precies. Aan vader had hij niet veel gehad, die had altijd al zijn eigen leven geleid. Vader ging ’s nachts werken, overdag sliep hij en tussendoor zorgde hij wat voor Japie en voor hem. Maar hij, Rinus, zorgde ook voor Japie, zoals de zuster het hem had geleerd. Het was zijn Japie. Wat kende dat kleine broertje hem goed. Zodra hij uit school kwam, rende hij naar boven, naar het ledikantje. Oh, dat eerste lachje van Japie, die zachte geluidjes die hij maakte. Knuffelen zou je dat jochie en dat had hij meermalen gedaan. Hij ziet zich nog staan met Japie in zijn armen. “Japie, Japie, lief ventje”. “Als ik van school kom, ga ik werken en dan koop ik het mooiste speelgoed voor je”, had hij beloofd. Hij zou een trein voor Japie kopen en een fiets. Samen hadden ze het goed. Maar het ging niet goed op school, dat kon ook niet anders. Hij had het zo druk met zijn kleine broer. Vaak ging hij er ’s nachts ook nog uit om te kijken of Japie wel goed lag, of hij het niet koud had.

Die nacht was hij ook zijn bed uitgegaan, want Japie had kou gevat. Hij hoestte al een paar dagen zo lelijk. Hij had het tegen vader gezegd en hij had gevraagd of de dokter kon komen om naar Japie te kijken, maar vader had het niet nodig gevonden. Die nacht lag Japie zo raar te hijgen en hij was zo warm. Maar toen hij zijn grote broer zag, kwam er een lach op zijn gezichtje. “Japie”, je lijkent wel een engel”, had hij gezegd.
De volgende morgen was Japie er niet meer. Toen was Japie begraven en hij had zelf het kistje gedragen. Na de begrafenis was hij weggegaan, het huis uit. Gezworven had hij langs de straat. ’s Nachts sliep hij op een bank of in een leegstaand schuurtje. Hij ontmoette jongens die ook van huis waren weggelopen. Ze hadden hem meegenomen en hij had leren drinken en was er geen geld voor drank, dan gingen ze stelen. Hij ging drugs gebruiken en hij leefde met meisjes. Toen was hij ziek geworden en hij was op zoek gegaan naar een onderkomen. Zo was hij in dit kraakpand terecht gekomen bij Jacco en bij Dave. Aardige kerels waren het. Wel wat vreemd, maar ja, wie was er nu niet vreemd? Hij staart voor zich uit, hij is moe en zijn borst doet pijn.

Hij denkt aan zijn kleine Japie.
“Oh Japie” fluistert hij zacht, “dit is er nu van je grote broer geworden. Een wrak, mislukkeling. Japie, ik heb zoveel slechte dingen gedaan. Als ik je dat allemaal zou vertellen. Ik begrijp dat je niet naar me kan lachen”.

Hij had eens een autootje van een vriendje gestolen. Moeder had het ontdekt. Hij had gezegd dat hij er spijt van had. “Kom, dan gaan we het aan de Here Jezus vertellen”, had moeder gezegd. De Here Jezus. Het is of  Rinus een ander Kindje voor zich ziet. Maar dit Kindje is veel mooier dan Japie. Helder ziet Rinus het voor zich. Hèt Kindje.
“Er is een Kindeke geboren op aard”. Dat lied zong moeder voor hem.
“Jezus”, fluistert Rinus. Maar dan ziet Rinus zichzelf naast het Kindje staan, zo zwart en zo vies. Wat schaamt hij zich. “Ach Kindje”, fluistert hij, “ga ook maar weg; mijn moeder en Japie zijn ook weggegaan”.
Weer hoort hij het lied: “’t Kwam op de aarde en droeg al Zijn kruis. Kwam op de aarde voor ons allemaal”. Ook daar heeft moeder hem van verteld, hij had daar nooit meer aan gedacht. Dat Kindje werd een man en die Man is gestorven aan een kruis. Wat zei moeder ook al weer toen hij dat autootje had gestolen? “Kom maar Rinus, we zullen samen knielen en de Here Jezus vertellen dat je autootje hebt gestolen en dat je er spijt van hebt. De Here Jezus is aan het kruis gestorven voor al die slechte dingen die wij gedaan hebben en nog doen. Als wij Hem vertellen wat wij gedaan hebben en we zeggen dat we er spijt van hebben, dan kan Hij het ons vergeven”. “Ja, zo had moeder het gezegd: vergeven, alle slechte dingen die we gedaan hebben”.
“Japie”, fluistert Rinus. “Japie”, mot ik het nu ook allemaal vertellen? Al die rottigheid, al die smeerboel? Maar jochie, ik kan niet meer knielen. M’n benen zijn te slap geworden. Ik merk dat ik me niet eens meer kan oprichten. Maar dat geef niet, ik kan het toch zo ook wel vertellen? Zal ik het dan maar doen?” Rinus vouwt zijn magere handen en zacht prevelen zijn lippen …

Er klinkt gestommel op de houten trap. Jacco en Dave komen thuis. Ze hebben het goed gehad. Lekker gegeten, gezongen en een mooi verhaal gehoord. Jacco heeft zijn boek laten zien en Dave heeft op zijn oude gitaar gespeeld. Mooie avond en morgen gaan ze weer en nemen ze Rinus ook mee. Ze hebben een sinaasappel en een koek voor Rinus meegenomen.

“Het lijkent hier wel Kerstfeest”, zegt Dave. Ze blijven in de kamer staan.
“Rinus”, roept Jacco en hij zwaait met zijn boek. “Rinus”.
Maar het blijft stil.
Op hun tenen lopen ze naar het matrasje. Een klein stompje kaars staat nog te branden.
Ze buigen zich voorover.
“Rinus”.
“Hij is t’er niet meer”, zegt Dave verschrikt.
“En toch was het hier ook feest”, zegt Jacco zacht.

De nacht vlood heen,
’t is helder dag!
Er is blijdschap in mijn ziel!
Mijn vrees is weg, Gods vree woont daar,
Er is vreugde in mijn ziel!

Er is vreugde, hemelvreugde,
hemelvreugde hier op aard.
Te weten: Jezus mint ook mij.
is mij meer dan alles waard.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW