2 maanden geleden

Prediker (2)

Inhoud

  • Vers 1-3;
  • vers 4-11;
  • vers 12-19;
  • vers 20-23;
  • vers 24-26.

Voordat we de overdenking voortzetten, moet eraan worden herinnerd, dat het voorbije en het onzichtbare volledig vreemd zijn voor de Prediker en hier als onbekend aan hem getoond worden. Ze kunnen alleen worden gekend door een goddelijke openbaring, en het doel van de Geest van God in dit boek is precies om ons te laten zien “wat er onder de zon is” behalve zo’n openbaring. Dus afgezien van de kennis van God, de Allerhoogste, die ieder mens bezit die zichzelf niet heeft overgegeven aan afgoderij, kan de wijze hier alleen naar de zichtbare dingen kijken.

Vers 1-3

1. Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en zie daarom het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig1.
2. Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg?
3. Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen tijdens het getal van hun levensdagen.

Om kennis te verwerven waarover de Prediker in het eerste hoofdstuk sprak, gaf hij zich over aan de vreugde en het genot van het leven. Maar het leven bleek zinloos voor de wijze en tot zijn vreugde zei hij “Wat brengt die teweeg!”. Het was zonder zin en doel. Misschien moest hij het goede in de dwaasheid zoeken? Staat er niet in Spreuken: “Geef sterke drank aan wie dreigt om te komen, en wijn aan hen die bitter bedroefd van ziel zijn. Laat hem drinken en zijn armoede vergeten, en niet langer aan zijn moeite denken” (Spr. 31:6,7)? Hij probeerde dat ook te doen, voor zover zijn door God aan hem gegeven wijsheid onbezoedeld bleef, maar ook dat bleek ijdelheid, nietigheid te zijn, zonder duur en voordeel voor de mensen.

Vers 4-11

4. Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht: Ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.
5. Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan en plantte daarin allerlei vruchtbomen.
6. Ik legde mij waterbekkens aan om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen.
7. Ik verwierf slaven en slavinnen en de in huis geboren kinderen behoorden mij toe. Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.
8. Ik vergaarde mij ook zilver en goud, kostbaarheden van koningen en gewesten. Ik zorgde voor zangers en zangeressen, en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed.2
9. Ik werd groter en nam toe, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. Ook bleef mijn wijsheid bij mij.
10. Al wat mijn ogen verlangden, onthield ik ze niet. Ik ontzegde mijn hart geen enkele blijdschap, want mijn hart werd verblijd vanwege al mijn zwoegen. Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen.
11. Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.

Vervolgens onderzoekt de Prediker alles wat koninklijke macht en geluk hem zouden kunnen geven. Hij had grote dingen gedaan. Wat zijn ogen wilden, bezittingen, paleizen en tuinen, verfraaiing van de natuur, plantages, grote kuddes, landbouw en zijn producten, een leger van bedienden en dienstmeisjes, zilver en goud in overvloed, alle rijkdommen van de provincies die in zijn schatkist vloeiden, muziek en zang, dat de ziel verheft, bevrediging van de zintuigen in aardse liefde, toename van zijn macht, kortom, alles wat Salomo zich kon wensen had hem zijn koninklijke macht gegeven. “Ook bleef mijn wijsheid bij mij”, zegt hij, maar hij moet eraan toevoegen: “Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.”

Vers 12-19

12. Daarna richtte ik mijn aandacht op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, doen wat al gedaan is?
13. Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis.
14. De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.
15. Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig [1].
16. Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?
17. Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig [1] en najagen van wind.
18. Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal.
19. Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig1.

Wijsheid heeft ongetwijfeld een voorkeur boven dwaasheid, wie wil dat ontkennen. De wijze man is in het licht en ziet, terwijl de dwaas zich in de duisternis bevindt en daarin wandelt. Desalniettemin is het lot van beiden hetzelfde; waar is de winst? De dood treft zowel de wijze als de dwaas, en de vernietigende worm ligt aan de basis van alle genot (Pred. 2:16; 3:19,20; 5:15; 6:6; 9:3). Hier moet nogmaals worden opgemerkt, dat in Prediker, volgens de aard van dit boek, de dood niet tot het hiernamaals leidt, maar het heden afsnijdt op het moment, dat de mens op het punt staat de vruchten van zijn werk te oogsten. Wat is dan de winst? Daarom roept de wijze uit: “Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind.” Hij haatte zelfs “al zijn zwoegen”, waarmee hij “zwoegde onder de zon”. Als zijn erfgenamen in ieder geval goed gebruik maakten van zijn nalatenschap! Maar nee, het werk van de wijzen wordt de erfenis van de dwaas!

Vers 20-23

20. Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon.
21. Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die als zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.
22. Ja, wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon?
23. Want al zijn dagen zijn vol leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.1

Deze overdenkingen leiden de prediker tot wanhoop van alles. Zelfs het meest inspannende en winstgevende werk van de mensheid brengt hem alleen maar verdriet, ergernis en rusteloze nachten. Dus, van hoofdstuk tot hoofdstuk herhaalt deze sombere klaagzang zichzelf, de steeds vernieuwde vaststelling van de vluchtigheid (ijdelheid) van alle dingen, totdat uiteindelijk de wijze de oplossing vindt voor alle wegen, waarop God hem laat gaan.

Vers 24-26

24. Is het dan niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.
25. – Wie eet en wie geniet er immers meer van dan ikzelf? –
26. Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren, om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig1 en najagen van wind.

Er is evenwel nog een principe in Gods regeringswegen: Hij geeft wijsheid, kennis en vreugde aan degenen die Hem aangenaam zijn, en voegt, net als bij Salomo, de materiële genoegens van deze wereld toe, zoals eten, drinken en profiteren van zijn werk , terwijl de zondaar gedwongen wordt te verzamelen en te vergaren voor degene, die aangenaam is voor God. Maar heeft deze ordening in Gods regeringswegen blijvende gevolgen voor de mens? Ook dat is ijdelheid (vluchtig) en een najagen van wind.

Henri Louis Rossier

 

NOTEN:
1. Het woord ‘vluchtig’ wordt ook wel vertaald met ‘ijdelheid’.
2. Vers 8: ‘genot in overvloed’ – De vertaling van deze woorden is onzeker.

 

© RM Hückeswagen; www.soundwords.de

Online in het Duits sinds: 12.03.2006; geactualiseerd: 06.08.2016.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW