11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (13)

Nehemia 8-10 vormen een soort tussenvoegsel. Hier zien we de geestelijke toestand van het volk. Het toont duidelijk de genade van God in hun harten en het gezag van Zijn Woord over hen. Dit geeft in hun harten aan het Woord de juiste plaats. In de voorgaande hoofdstukken hebben wij ons afgescheiden van het kwaad. Wat blijft ons dan over om te doen? Deze belangrijke vraag wordt in dit hoofdstuk beantwoord: Luisteren naar wat de Heer ons te zeggen heeft en Zijn aanwijzingen gehoorzamen. Doen wij dat ook?

Nehemia 8:1-9

Daar Nehemia 11:1 aansluit op Nehemia 7:73, vormen de hoofdstukken 8-10 een soort tussenvoegsel. Hierin worden we bepaald bij de geestelijke toestand van het volk. Het schildert een heerlijk werk van Gods genade in hun harten en het gezag van Zijn Woord God over hen die in hun harten dit Woord de juiste plaats geven. Als wij ons in de voorgaande hoofdstukken afgescheiden hebben van het kwaad, wat blijft ons dan over om te doen? Deze belangrijke vraag wordt in dit hoofdstuk beantwoord: Luisteren naar wat de Heer ons te zeggen heeft en Zijn aanwijzingen gehoorzamen.

Onder het Woord

In Ezra 3:1-3 verzamelden de Israëlieten zich op de eerste dag van de zevende maand om het altaar van de God van Israël te bouwen en daarop brandoffers te offeren, om de eredienst naar Gods wil te herstellen! Het altaar, de Heer Jezus is het Middelpunt van onze eredienst. Hier is het ook op de eerste dag van de zevende maand, dat het hele volk bijeenkomt (vers 1). Over deze dag had God in Leviticus 23:23-25 gezegd: “In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult gij een rust hebben, een gedenkdag des geklanks, een heilige samenroeping”. Ook Numeri 29:1 spreekt over deze “dag des geklanks”, aangekondigd door bazuingeschal. Dan werden de zilveren trompetten tot het samenroepen van de vergadering gebruikt (Numeri 10:1-10). Mogelijk werd het geluid van de bazuin ook gehoord op deze dag in Nehemia 8, hoewel het niet vermeld wordt. De Israëlieten woonden immers in hun steden en het geluid van de bazuin was voor hen het teken om samen te komen in Jeruzalem. De eigenlijke vervulling van dit feest van het geklank ligt nog in de toekomst. Dan zal heel Israël samengeroepen worden. Er zal op een grote bazuin geblazen worden, de kinderen van Israël zullen één voor één ingezameld worden uit alle landen, waarheen ze verdreven zijn, en de Heer aanbidden op de heilige berg in Jeruzalem (Jesaja 27:12-13). Dan wordt Psalm 89:16-17 vervuld: ‘Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht van Uw aanschijn wandelen. Zij zullen zich de ganse dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden”. Maar nog vóór die dag van de samenroeping van Israël komt de dag van de samenroeping van de gemeente. Dan komt de Heer Jezus Zelf en blaast op de laatste bazuin. Het geluid van “de bazuin van God” zal klinken en alle gelovigen worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht om voor altijd met de Heer te zijn (1 Korinthe 15:51-52 en 1 Thessalonika 4:13 18). Kennen wij nu al het geklank van de bazuin? Velen horen het wel, als ze het evangelie horen, maar geven er geen gehoor aan. Zij zullen in Babel, in de verwarring achterblijven. Het hele volk verzamelde zich als één man (vers 2). Het is geweldig om, ondanks verschil in karakter en opvattingen, eendrachtig en eensgezind samen te kunnen zijn met één doel: Luisteren naar het Woord van God. Het volk wilde luisteren naar het wetboek van de Heer, dat door Mozes aan Israël gegeven was. Dit wetboek is eens verloren en door de priester Hilkia weer teruggevonden in het huis des HEEREN ten tijde van Josia (2 Kronieken 34:14-15). Zo mogen ook wij als gelovigen eensgezind en eendrachtig samenkomen rondom de Heer Jezus op de grondslag van het ene lichaam van Christus, in gehoorzaamheid aan het Woord, tot verheerlijking van de God en Vader van onze Heer Jezus Christus (Romeinen 15:5-6). Zoals zij zich verzamelden als een enig man, zo horen ook wij bij elkaar, zijn we één volk en hebben we elkaar nodig. Deze bijzondere bijeenkomst vond plaats op de straat voor de Waterpoort (Nehemia 3:26). Water is een beeld van Gods Woord, dat volmaakt en eeuwig is. Tijden mogen veranderen, maar het Woord blijft hetzelfde en is niet aan veranderingen onderhevig. De Heer Jezus is het eeuwige onveranderlijke Woord en Hij blijft Dezelfde (Hebreeën 1:11 12 en 13:8). Gods Woord is volmaakt (Psalm 19:8; 119:140 en Spreuken 30:5-6) en eeuwig (Johannes 1:1-2; Psalm 119:152; Jesaja 40:8 en 1 Petrus 1:25).

Ieder heeft zijn eigen plaats

Nu het volk samengekomen is om te horen naar Gods Woord, treedt Ezra op de voorgrond (vers 3). Voor het eerst komen we hier zijn naam tegen in dit Boek. Hij is hier de juiste man op de juiste plaats. Het verzoek wordt aan hem gericht, het boek van de wet te halen en eruit voor te lezen. “Welgelukzalig hij die (voor)leest, en zij die horen de woorden van de profetie en die bewaren, wat daarin geschreven is” (Openbaring 1:3). Ezra wordt priester en schriftgeleerde genoemd. Hij had zijn hart erop gezet om de wet van de Heer te onderzoeken, te doen en te onderwijzen. Hij was “schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en van Zijn inzettingen over Israël” (Ezra 7: 10-11). Nehemia, de stadhouder, neemt hier juist een ondergeschikte plaats in. Ieder heeft zo zijn eigen terrein. Er is geen sprake van onderlinge naijver. Ezra laat Nehemia bouwen en Nehemia laat Ezra de Schrift verklaren. Alleen in vers 10 verenigen zij zich om een woord van vermaning tot het volk te spreken. Verder houdt ieder rekening met de arbeid van de ander. Zo dient het ook onder ons te zijn. Ieder heeft zijn eigen plaats in het lichaam van Christus, zijn eigen gave met zijn eigen arbeidsterrein gekregen. Er zou onder de gelovigen geen sprake mogen zijn van onderlinge naijver of hoogmoed (1 Korinthe 3:5-9; 12:14-27; Galaten 2:7-9 en Filippi 2:2-4).

Wie zijn de toehoorders?

De toehoorders bestonden uit mannen, vrouwen en “allen, die verstandig waren om te horen”. Misschien mogen we hierbij denken aan de kinderen, die tot de ‘jaren des onderscheids’ waren gekomen. Toen het altaar op de berg Ebal gebouwd werd en daar ook de woorden van de wet voorgelezen werden, waren de kleine kinderen erbij aanwezig (Jozua 8:35). Toen Jósafat met geheel Juda stond voor het aangezicht van de Heer om hun nood in het gebed voor Hem te brengen, waren ook de kinderen aanwezig (2 Kronieken 20:13). Toen Jeruzalem’s muur plechtig werd ingewijd en de Heer talrijke offers werden gebracht, was er een grote vreugde, waarin ook de vrouwen en de kinderen deelden (Nehemia 12:43). Het Bijbelse beginsel: “Gij en uw huis” (Handelingen 16:31) geldt ook voor ons. De kinderen horen erbij! Dit “verstandig om te horen” heeft betrekking op allen, die kunnen begrijpen, wat uit Gods Woord wordt voorgelezen. Paulus schreef “als tot verstandigen” (1 Korinthe 10:15), tot hen, die geestelijk kunnen beoordelen, wat geschreven of gesproken wordt. Dat zijn mensen, die van God het vermogen hebben ontvangen om tijdens het onderwijs uit het Woord de gedachten van God te kunnen beoordelen. Elke geestelijk gezinde gelovige is hiertoe in staat (1 Korinthe 14:29).

Belangstelling voor het Woord

Het zou geweldig zijn, als er bij ons net zo’n belangstelling voor Gods Woord zou zijn als bij Israël (vers 4). Maar waarom is dat bij ons soms zo gering? Israël had ook niet altijd zo’n belangstelling. Juist omdat zij van de woorden van de wet waren afgeweken, was het volk in ballingschap gegaan. In Babel hebben zij zitten wenen aan de rivier en hun harpen aan de wilgen gehangen (Psalm 137:1-4). Een diepe weg van lijden heeft het volk gelouterd en nu is het vol belangstelling om te luisteren naar de woorden van de wet van Mozes. “Als iemand oren heeft om te horen, die hore” (Markus 4:23 en Openbaring 2:7). In Lukas 5:1 drong de menigte op de Heer aan, niet om brood of om genezing van hun zieken, maar “om het Woord van God te horen”. Kunnen we met Job zeggen: “Onderricht Gij mij. Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord …”? Dan zullen we ook kunnen zeggen: “… maar nu ziet U mijn oog”. Als het nodig is, zullen we dan met Job en het volk in Nehemia 8-9 onszelf veroordelen en boete doen in stof en as (Job 42:4-6). Ezra las voor uit het boek van de wet van het morgenlicht tot op de middag. Het hele volk, niet één uitgezonderd, luisterde al die uren aandachtig. Wat een zegen, zo’n volharding bij het volk om zo lang aandachtig te kunnen luisteren! Wat een beschamend voorbeeld voor ons. Wij zitten heel comfortabel in een verwarmd lokaal en hoe lang luisteren wij met aandacht naar Gods Woord? Hier is een heel volk, dat ongeveer zes uur lang aandachtig staat te luisteren naar wat voorgelezen wordt uit het wetboek van Mozes. Wat een verlangen om het Woord van God te horen. De dorst van hun harten wordt gelest.

Het Woord gaat ‘open’

De schriftgeleerde Ezra staat op een, speciaal voor die gelegenheid gemaakte, houten verhoging (vers 5). Rechts van hem staan zes en links zeven mannen. Deze dertien mannen, misschien oudsten of familiehoofden, staan daar om Ezra te ondersteunen in zijn dienst. Wat zij verder deden, wordt niet vermeld. Toch was hun dienst zo belangrijk dat de Geest van God het nodig vond, dat hun namen bewaard bleven. Het is een geschenk van God als medegelovigen aanwezig zijn bij het bekendmaken van Gods gedachten, bijvoorbeeld tijdens een lezing. Toen Paulus op weg was naar Rome en de hem tegemoet komende broeders zag, dankte hij God en vatte moed (Handelingen 28:15). Toen Ezra het wetboek opende voor de ogen van het volk, stond het hele volk eerbiedig op (vers 6). Daar was eerbied voor Gods Woord. Hebben wij ook de nodige eerbied en belangstelling voor Zijn Woord, ook als het door middel van mensen tot ons komt? Bij Cornelius wordt dat wel gevonden: “Wij zijn dan nu allen aanwezig voor God, om te horen alles wat u door God bevolen is” (Handelingen 10:33). “Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God” (1 Petrus 4:11). In de samenkomst rondom het Woord luisteren we niet naar de broeder, die spreekt, maar naar wat de Heer, naar wat God tot ons te zeggen heeft. In deze gezindheid samengekomen zal de Heer ons rijk zegenen. Uit eerbied voor Gods Woord stond de Heer Jezus in de synagoge te Nazareth op om het Woord te lezen, terwijl Hij later gaat zitten om het Woord uit te leggen (Lukas 4:16-20). Na het openen van het wetboek looft Ezra de HEERE, de grote God (vers 7). Voor Israël toen en voor ons nu is daar inderdaad alle reden voor. Het volk antwoordt met de woorden: “Amen, amen!”, met opheffing van hun handen. Ze strekken hun handen uit tot de Heer. Vervolgens neigen ze zich, knielen ze als teken van de bereidheid van het hart om naar het Woord te handelen. Daarna aanbidden ze de Heer met hun aangezichten ter aarde. Door de woorden van het volk, maar vooral door hun houding wordt hun goede gezindheid openbaar. Eerst zit het volk op de straat, maar als Ezra het boek opent, staan ze op. Daarna knielen ze en buigen zich neer met het gelaat ter aarde. Vervolgens staat het volk weer op om naar het onderricht in de wet te luisteren (vers 8). In tijden van geestelijke achteruitgang en dorheid wordt vaak uiterlijk een gemakkelijke houding aangenomen en is er ook innerlijk geen belangstelling voor Gods Woord. Maar in tijden van opwekking verandert dit direct en wordt een voor Gods tegenwoordigheid passende houding aangenomen, is er weer belangstelling voor Zijn Woord en een toenemen in de genade en in de kennis van Zijn gedachten. Hier zijn nog dertien andere mannen, die samen met de Levieten het volk onderwijzen in de wet, terwijl het volk op zijn plaats blijft staan.

Heldere taal …

Deze dertien mannen en de Levieten lezen voor uit het boek, de wet van God. Zij doen dit duidelijk (vers 9). Zij verklaren de zin, geven uitleg, en helpen zo het volk om het voorgelezene te begrijpen. Noch deze dertien mannen, noch de priesters zijn belangrijk, en Ezra evenmin: Zij geven alleen maar Gods Woord door. Alleen het Woord is belangrijk. Wij mogen de mannen, die ons de Schrift verklaren, hoogachten, maar zitten niet aan hun voeten, maar aan de voeten van de Heer. Enerzijds mogen we de gaven niet gering achten, anderzijds mag er geen ziekelijke verering zijn van gevierde sprekers. Deze mannen lazen duidelijk voor en gaven uitleg. Dit was ongetwijfeld nodig, daar het volk immers lang in Babel had gewoond. Velen hadden niet alleen de gewoonten, maar ook de taal van Babel overgenomen. Hun eigen taal, in dit geval ook de taal van de Schrift, kenden velen niet meer. Ook hadden veel joden heidense vrouwen genomen en van hun kinderen sprak de helft Asdodisch – “zij konden geen joods spreken” (Nehemia 13:23-24). Als gelovigen omgang hebben met de wereld of met de godsdienstige wereld, waarvan Babel een beeld is, gaan ze werelds denken, nemen wereldse gewoonten over, worden wereldgelijkvormig. Als gevolg daarvan verstaan zij de taal van de Schrift niet meer en wordt er bij hen grote onkunde aangaande de Schrift gevonden. De waarheden van de Schrift spreken niet meer tot hun hart en geweten. Wordt D.V. vervolgd. J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM