12 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (1)

De Bijbel zegt dat “alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en de vertroosting van de Schriften hoop zouden hebben” (Romeinen 15:4). Bij dit woord “alles” behoort dus ook het boek Nehemia. Het is daarom van het grootste belang om dit woord, – dat ook behoort tot de “heilige Schriften” – serieus te nemen, met andere woorden ons daaraan te onderwerpen als “van God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid” (zie 2 Timotheüs 3:15-16). Het boek Nehemia heeft onder andere dit als overeenkomst met onze tijd, dat het – wat de geschiedenis betreft – het laatste tijdperk voor de joden in het Oude Testament beschrijft, terwijl wij ons bevinden in de laatste tijdsperiode van het Nieuwe Testament. We kunnen heel veel van deze man leren! De schrijver van deze eenvoudige maar diepe overdenkingen over Nehemia neemt ons mee, om iets van het onderwijs uit dit prachtige bijbelboek voor ons vandaag “praktisch” toe te passen en toont duidelijk dat het Woord van God “levend en krachtig is, en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten en merg, en is een oordelaar van de gedachten en overleggingen van het hart” (Hebreeën 4:12). Het Woord leeft … en maakt levend. Moge de Heer ons allen hierdoor zegenen!

Nehemia 1:1-11.

Iets van de geschiedenis

We weten uit Ezra 1-6, dat in het eerste regeringsjaar van koning Kores een deel van de Israëlieten, die in ballingschap waren, naar Jeruzalem terugkeerde onder leiding van Zerubbábel. Daarna, in het zevende jaar van koning Arthahsasta, trok een tweede deel van het volk op samen met Ezra (Ezra 7-8). De geschiedenis van Nehemia begint in het twintigste regeringsjaar van deze koning. Hieruit kunnen we opmaken, dat tussen het begin van Ezra’s geschiedenis en die van Nehemia een tijdvak van dertien jaar ligt.

Ezra had tot taak door zijn dienst als schriftgeleerde of leraar, het volk te onderwijzen, hen met de gedachten van God bekend te maken, het huis des HEEREN te bouwen en vervolgens het volk tot aanbidding te brengen. Nehemia’s taak lag op een heel ander terrein, namelijk het herbouwen van de muur en de poorten van Jeruzalem. De muur moest tot ware afzondering en afscheiding en tot bescherming dienen, terwijl de poorten naar de gedachten van God bedoeld zijn om recht en gerechtigheid uit te oefenen, zowel ten opzichte van God als ten opzichte van de mensen. De historische boeken van Ezra, Nehemia en Esther sluiten eigenlijk de geschiedenis van Israël af en lopen in vele opzichten parallel met de profetische boeken van Haggaï, Zacharia en Maleáchi.

De zorg van Nehemia voor het volk van God

Dertien jaar nadat Ezra het volk van God begon te onderwijzen, bewerkte God, dat ook Nehemia zich met het volk ging bezighouden. Toen Nehemia de tijding van Hanáni hoorde, was hij in dienst van koning Arthahsasta in zijn paleis te Susan (vers l). Nauwkeurig wordt het tijdstip aangegeven: Het was in de maand Chisleu in het twintigste jaar van de koning. Nehemia (“God troost”), de zoon van Hachálja (“die op de HEERE wacht”), was innerlijk met het volk des HEEREN verbonden. Hij stamde uit een familie, die het van de HEERE wilde verwachten. Nehemia had het verwachten van, het wachten op zijn God in zijn leven meegekregen en rekende nu ook op Zijn troost, zeker nu hij de indroevige boodschap hoorde over de toestand van het volk te Jeruzalem, door de mond van één van zijn broeders (vers 2). Deze heette Hanáni welke naam “de HEERE bewijst gunst” of “de HEERE is genadig” betekent. Wat is het een genade van God als er broeders zijn, die bezorgdheid tonen over en ook zorg dragen voor Zijn volk, in het bijzonder met betrekking tot hen, die uit Babel (“de verwarring”) zijn teruggekeerd. Zij waren immers in grote nood, zoals Hanáni aan Nehemia boodschapte. Hanáni bevond zich in zeer goed gezelschap. Hij kwam met enkele mannen (in type zijn dat degenen, die geestelijk krachtig zijn) uit de stam van Juda (“zij, die God prijzen of loven”). In welk gezelschap bevinden wij ons? Als we belijden, dat de Heer gunst bewijst of genadig is (Hanáni), wie gaan dan met ons? Is ons gezelschap zo geestelijk en krachtig, dat ze in dit opzicht “mannen” genoemd kunnen worden? Behoren zij ook tot hen, die God prijzen en loven? Hanáni, welk een navolgenswaardig voorbeeld is hij! Zorg hebben voor het volk van God, zorg voor hen, die uit de christelijke verwarring zijn teruggekeerd; hoe is dat bij ons?

De toestand van het volk

God had tientallen jaren tevoren aan het land en Zijn volk bijzondere beloften gegeven. Bijvoorbeeld wat in Deuteronomium 11:11-12 geschreven staat: “Het land waarheen gij overtrekt om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel; een land, dat de HEERE uw God bezorgt; de ogen van de HEERE uw God zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar”. God had echter aan al deze beloften een voorwaarde verbonden, namelijk die van de gehoorzaamheid aan al Zijn geboden. Nu, dat is juist tijdens de dertien jaar tussen Ezra 7 en Nehemia 1 totaal verloren gegaan. Daarover spreekt Hanáni, die de HEERE als de genadige en gunst bewijzende God kent, met Nehemia, die troost van God verwacht. Ze spreken over de toestand van hen, die uit de gevangenschap in Babel ontkomen waren en in Israël, het land van de beloften, waren overgebleven (vers 3).

1. Het volk was in grote geestelijke armoede en ellende, omdat het niet had gehandeld naar Gods gedachten. God moest Zijn handen van Zijn volk aftrekken. Iets dergelijks overkwam de verloren zoon in Lukas 15. Wie de Heer Jezus liefheeft, bewaart Zijn Woord (Johannes 14:21 en 23). Daarvan af te wijken heeft treurige gevolgen.

2. Bij al hun ellende vervielen zij in versmaadheid. Was de geestelijke armoede nog niet genoeg? Nee, satan gaat nog verder en werpt ook smaad op het volk van God. Als wij min of meer gescheiden van God onze weg gaan, zullen wij eveneens gesmaad worden. Dit houdt tevens in, dat de Naam van God gesmaad wordt. God en Zijn Naam zijn immers zeer nauw met Zijn volk verbonden, zoals bijvoorbeeld blijkt in Handelingen 9:4, waar de Heer zegt: “Saul, Saul, waarom vervolgt je Mij?” Saulus vervolgde de gelovigen, maar de Heer riep hem toe: “Je vervolgt Mij!” Welk een eenheid is er tussen de Heer en allen, die met Hem verbonden zijn! Wanneer wij als Christenen van twee wallen willen eten en dan door de wereld gesmaad en miskend worden, wordt in werkelijkheid de Naam van God gelasterd. Hoe ernstig is die gedachte!

Vervolgens was de muur van Jeruzalem verscheurd. Het is erg, dat het volk van God getracht heeft, zijn natuurlijke verlangens van de oude mens te bevredigen in deze wereld, en niet binnen de muren van afzondering is gebleven. Daardoor is de wereld in het midden van het volk van God binnengedrongen en de afzondering prijsgegeven, vindt vermenging met de wereld plaats tot in het huis des HEEREN. Ze waren niet daar gebleven, waar de bazuinen van God werden geblazen. Daar, vanuit de tegenwoordigheid van God, worden Zijn Woord en gedachten openbaar gemaakt (Nehemia 4:20 en 1 Petrus 4:11). De wereld kon binnendringen. Had Eljásib, de priester, niet de grote tegenstander Tobia (Nehemia 2:10) in het huis van God een woonplaats gegeven? Nehemia heeft dit later veroordeeld (Nehemia 13:4-9). Als wij ontrouw worden, blijft de Heer getrouw (2 Timotheüs 2:13). Het volk heeft dit ook moeten ervaren. Door hun ontrouw aan God en Zijn Woord verloren zij de bewarende hand van hun God. Daarom, “gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen” (1 Samuël 15:22b). God kan in de weg van onze lusten nooit meegaan. Hij blijft niet aan ons, maar aan Zichzelf getrouw.

3. Tenslotte waren Jeruzalems poorten met vuur verbrand. Met het prijsgeven van de afzondering en het wegvallen van de bescherming, voorgesteld in de muur, gaat ook alle recht en gerechtigheid verloren, voorgesteld in de poorten. Deze gerechtigheid dient in de eerste plaats ten opzichte van God, maar ook ten opzichte van de mensen gehandhaafd te worden. Wanneer we het recht van God prijsgeven, geven we de wereld op datzelfde ogenblik vrije toegang in het midden van het volk van God. Geen muur en geen poorten – dat is de openbaring van een toestand van het volk van God, die smaad en ellende uit het leven met zich meebrengt. Een poort is een beeld van de Heer Jezus. Hij is de Persoon, met Wie wij mogen in- en uitgaan. Deze poorten waren er niet meer, waren verbrand. Betekende dat in werkelijkheid niet, dat de Persoon van de Heer niet meer erkend werd? Ze lieten daarmee zien, dat ze wel zonder Hem konden. Het gevolg was, dat ze in ongerechtigheid vervielen. O, welk een toestand van dit volk, ontstaan in een periode van slechts dertien jaar!

De reactie en de houding van Nehemia

Is dat nu een toestand naar het hart van God, dat Zijn volk in zo’n nood is? Neen, integendeel. Het is dan ook helemaal niet verwonderlijk, dat Nehemia, die de beloften van God, Zijn trouw en zorg kende, na het aanhoren van Hanáni’s woorden ‘neer zat’ (vers 4). Bovendien:

  1. weende hij
  2. bedreef rouw, zelfs enkele dagen.
  3. Daarbij vastte en
  4. bad hij voor het aangezicht van de God van de hemel gedurende vier maanden. Een leven van gebed, vier maandenlang!

Zo zat Nehemia neer. Geen zelfverheffing, integendeel – neer zitten. Dat is de houding, die een ieder voor het aangezicht van de God van de hemel behoort aan te nemen. Zo weende Nehemia over de grote ellende, waarin het volk verkeerde, omdat het ‘geen acht had geslagen’ op de beloften en uitspraken van God. Voelen wij evenals Nehemia door ons medeleven en onze innige verbondenheid met al Gods kinderen óók iets van de geestelijke ellende en armoede, die nu onder hen heerst?

Nehemia weende niet alleen, hij bedreef ook rouw. Hij droeg niet alleen voor het oog van de mensen rouw, maar het was een innerlijke werkzaamheid van zijn hart voor God met betrekking tot de toestand van het volk. Hij wist bovendien, dat met het volk van God ook Zijn Naam gesmaad werd. Dat was smartelijk voor zijn hart. Bedreef hij niet daarom rouw? Zag hij in de tegenwoordigheid van God niet de diepere oorzaak van alle afwijkingen? Was het niet, omdat het volk het in Jesaja 58:6-7 beschreven vasten vergeten had? Ze hadden zich immers met de wereld verbonden. In plaats van hun lusten en verlangens in toom te houden, had het volk deze buiten de ‘muur van afzondering’ bevredigd. Maar Nehemia vastte, en wel voor Gods aangezicht. Hij liet zijn natuurlijke gevoelens en verlangens niet begaan, maar bleef integendeel volhardend vertrouwen op zijn God.

In onze gedachten zien we hem zo ‘neerzitten’, wenen, rouw bedrijven en vasten. In een dergelijke toestand is er behoefte om zich uit te spreken. Nehemia legt zijn problemen niet aan zomaar iemand voor. Neen, hij weet Wie het is, Die troost en hulp kan geven. Hij kent de enige Toevlucht, met Wie hij over het volk kan spreken. Hij was biddende voor het aangezicht van God. Kennen wij ook deze plaats om ons uit te spreken? Vooral als het gaat om de verloren gegane rechten en gerechtigheid van de Heer en het niet erkennen van Zijn Persoon, voorgesteld in de verbrande poorten? In werkelijkheid is er maar Eén, Die in deze omstandigheden hulp kan schenken. Als wij ons van dit laatste bewust zijn, laten wij dan ook alles voortdurend biddende voor het aangezicht van de God van de hemel brengen. Welk een ernstige lering ligt er in deze paar verzen! In vers 4 pleit Nehemia in de juiste houding voor het volk met betrekking tot de vier punten uit vers 3.

Nehemia was de schenker van koning Arthahsasta, had een maatschappelijk hoge positie. Hij deed zijn werk in het paleis te Susan zeer trouw en was altijd vol goede moed. Toch voelde hij zich innerlijk nauw verbonden met Gods volk, dat te Jeruzalem in een hachelijke toestand verkeerde, en was er in zijn hart voortdurend mee bezig. God had in hem gewerkt, dat hij ten koste van alles Zijn volk wilde dienen, zelfs al moest hij zijn hoge positie daar tijdelijk voor opgeven. Iets dergelijks vinden we bij Mozes, van wie God in Zijn Woord kon laten neerschrijven, dat hij liever met het volk van God slecht behandeld wilde worden dan de tijdelijke rijkdommen van Egypte te genieten (Hebreeën 11:24-27). En heeft de grote apostel Paulus niet dezelfde houding in zijn leven geopenbaard? In Filippi 3:7 staat het opgetekend: “Wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht”. Nehemia wilde zijn broeders, de joden, graag helpen. Van deze gedachten vervuld, leidde hij vier maanden lang een biddend leven. Daarnaast was hij trouw in zijn dienst als schenker van de koning. Ondertussen was het de God van de hemel, die het hart en leven van Nehemia gadesloeg en hem in Zijn wijsheid toebereidde. God kon en wilde zijn bijzondere arbeidstrouw gebruiken. Wonderbaar is Gods genade, die zó Zijn dienstknecht voor een taak gereed maakt. In Nehemia 2 wordt dit verder uitgewerkt. Gods wijze van toebereiden is zo geheel anders dan de manier, waarop mensen iemand klaarmaken en geschikt verklaren voor een taak.

Het gebed – sleutel tot de schatkamer van de hemel

Nehemia’s gebed tot God is van zeer rijke inhoud. “Och HEERE, God des hemels, Gij grote en vreselijke God” (vers 5). Bij het ontvangen van Hanáni’s tijding had Nehemia aangevoeld, dat God Zich vanwege de toestand van het volk teruggetrokken had naar de hemel. Daarheen ziet Nehemia nu juist op, naar de woonplaats van de God van de hemel. Al kon God vanwege de toestand van het volk niet meer in hun midden verkeren, toch bleef de mogelijkheid voorhanden om tot God te naderen in het gebed. Die sleutel om de schatkamers van God te openen, is er ook nu nog. Vanuit de plaats, waar God woont, zal Hij uitkomst geven. Geen god (met kleine letter) van deze wereld is daartoe maar enigszins in staat, maar wel de God van de hemel, die grote en vreselijke God. Met onze handen kunnen Wij geen huis voor Hem bouwen. Hij woont niet in een met handen gemaakte tempel zoals het Witte Huis, het Kremlin of een grote kathedraal. Hij is de Heer van de hemel (Handelingen 17:24). Nehemia riep deze God aan, Die alle afdwalingen ziet en er ook naar handelt, indien nodig door kastijding. Dat had Nehemia immers met betrekking tot het volk van God geconstateerd. God houdt “het verbond en de goedertierenheid die, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden”. God zal nooit, ook nu niet, met afwijkingen meegaan. Maar Zijn goedertierenheid is over hen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden. Daarom zocht Nehemia het aangezicht van God aanhoudend en sprak hij over Zijn verbond en goedertierenheid. Hij had Hem immers lief. Het is kostbaar als we belijden, dat we God als onze God kennen, en dan net zo’n vertrouwelijk onderhoud met Hem hebben als Nehemia. Dan zullen we ook steeds opnieuw onszelf ontdekken en veel van Hem leren. In Zijn licht, in Zijn tegenwoordigheid zien we de dingen zoals ze in werkelijkheid zijn.

Het belijdende gebed – familiebanden

Roepend tot de God van de hemel vroeg Nehemia in drie dingen (vers 6):

  1. “Laat toch Uw oor opmerkende
  2. Uw ogen open zijn om
  3. te horen naar het gebed van Uw knecht”.

Hij voelde zich niet beter dan de rest van het volk, maar noemt zich de knecht van God. Nehemia bad dag en nacht voor het aangezicht van God, niet voor zichzelf, maar voor de kinderen van Israël, voor het volk van God, ook al schijnt alles hopeloos te zijn. Hij zegt: “Het zijn toch Uw knechten” (vers 10). Waren ze werkelijk in de toestand van knechten van God? Helaas niet. Maar Nehemia zag ze in het geloof zoals God ze zag, als Zijn knechten. Nehemia was één met dat volk, één met hen voor God. Hun zondige afwijkingen zag hij als de zijne. Welk een gezindheid bij deze man! Hoor hem spreken: “Ik doe belijdenis over de zonden van de kinderen van Israël …”. Wij zouden wellicht zeggen: Laat ieder maar voor zichzelf verantwoording afleggen en opruimen, wat verkeerd is. Maar God wil niet, dat er verdeeldheid in het lichaam is. Hij wil integendeel, dat de leden voor elkaar gelijke zorg dragen. “Als één lid lijdt, lijden alle leden mee” (1 Korinthe 12:24b-26a). Had Nehemia dit beginsel niet voor de aandacht? Dag en nacht was hij zo met ‘zijn God’ in gesprek. Wat een openbaring van liefde tot en verbondenheid met het volk van God. Iets dergelijks vinden we bij de apostel Paulus, die zeggen kon: “God is mijn Getuige, hoe ik zonder ophouden u gedenk, altijd in mijn gebeden biddende, of ik eindelijk eens door de wil van God het voorrecht mocht hebben tot u te komen”. Zijn kostbare doel daarbij was, geestelijke genadegave mee te delen tot hun versterking (Romeinen 1:9-11). Toen Nehemia in de juiste gezindheid de schuld, die op het volk van God rustte, zag als zijn schuld en die beleed voor Zijn aangezicht, had hij het in de eerste plaats over zichzelf (“ik”), vervolgens over zijn familie (“mijns vaders huis”) en tenslotte over het gehele volk (“wij hebben gezondigd”). Onze familiebanden zijn soms zo hecht, dat we daarom verkeerde daden, vooral van de ouders, zouden willen verzwijgen. Maar Nehemia noemt ze, begint echter met zichzelf. Al ben ik op een geheel andere plaats en in geheel andere omstandigheden, ik ben van hetzelfde maaksel, geen haar beter en tot dezelfde afwijkingen in staat.

‘Wij hebben het volkomen tegen U verdorven” (vers 7). God is niet tevreden met een halve of gedeeltelijke erkenning of belijdenis. Dat heeft voor Hem geen waarde. Nehemia erkende, dat ze het volkomen verdorven hadden, en wel in de eerste plaats “tegen U”. Eenzelfde belijdenis spreekt de verloren zoon uit bij zijn vader (Lukas 15:18-2l). Nehemia was nog niet in Jeruzalem geweest. Toch wist hij door Hanáni, dat de kinderen van Israël gezondigd hadden. De oorzaak van hun ellende kon niets anders zijn dan een afwijken van de geboden van de Heer, nog erger, een prijsgeven van Zijn rechten en inzettingen zoals God die aan Zijn knecht Mozes geboden had. Is dit alles niet een ernstige les voor ons? “Al deze dingen nu zijn hun overkomen tot voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn” (1 Korinthe 10:11). Komen wij bij het overdenken van deze punten en van de geboden, inzettingen en rechten van de Heer, niet óók tot die ontstellende ontdekking: “Ik en mijns vaders huis en al Gods kinderen … wij hebben gezondigd”? Dienen wij dan niet veelmeer al ons falen voor Gods aangezicht te belijden, veel meer zorg te hebben voor elkaar en met onze God over deze toestand te spreken?

Nehemia was diep terneergebogen en smeekte zijn God om toch het eens door Hem gesproken woord te gedenken, “het woord, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien” (vers 8). Het volk had inderdaad overtreden en moeten ervaren, dat God hen als antwoord daarop moest verstrooien. Ze waren immers in Babel geweest, waar zelfs nog een deel van het volk was. God houdt Zich altijd aan Zijn woord. Hoe ernstig is het, dat door eigen schuld en afdwaling te moeten ervaren.

Het hart van God in beweging

Nehemia bleef nog voor het aangezicht van zijn God om vol vertrouwen tot Hem te spreken. God had Zelf eenmaal gezegd: “En gij zult u tot Mij bekeren, en Mjn geboden houden en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen en zal hen brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen” (vers 9). Het hart van God zou voor hen opengaan, als ze zich tot Hem zouden bekeren door een werkelijke terugkeer, die gepaard gaat met belijdenis, en Zijn geboden zouden houden. Ze dienden vruchten voort te brengen, die aan de bekering beantwoorden en door God gezien en aangenomen kunnen worden. Als er een gezindheid is om de geboden van God te doen en daadwerkelijk te handelen naar Zijn Woord, wordt het hart van God in beweging gebracht. Nehemia voelde dit aan en herinnerde God als het ware aan Zijn eigen uitspraak door de mond van Mozes. God had Zijn volk verlost en teruggebracht. Ze waren Zijn knechten. Hij kan het toch niet dulden, dat ze opnieuw uit Zijn tegenwoordigheid verdreven werden? Nee, Hij had teveel gedaan om ze weer prijs te geven.

Brengt dit ons niet terug naar het Boek Exodus, waar God Zijn volk verloste en uit Egypte voerde? Verlost! Daarom zijn ze immers Gods volk. Hij heeft hen verlost door Zijn grote kracht en Zijn sterke hand (vers 10). Hij is de God, Die door Zijn vinger die verschrikkelijke plagen over Egypte bracht (Exodus 8:19) en door Zijn sterke hand het volk Israël vandaar uitvoerde (Exodus 13:3). Maar om te verlossen uit de macht van de overste van deze wereld en te bevrijden van de banden van zonde en dood, was de vinger van God, met eerbied gesproken, niet genoeg en Zijn sterke hand evenmin. Nee, het kon niet met minder dan met het hart van God, geopenbaard in de gave van Zijn geliefde Zoon. Met Zijn vinger oordeelde Hij een volk en met Zijn sterke hand leidde Hij een volk uit. Maar niet minder dan de gave van Zijn geliefde Zoon Jezus Christus was nodig om één mens van de banden van zonde en dood te verlossen. Alles wat God bezat, gaf Hij. Welk een prijs voor hen, die door Hem verlost zijn! Al deze wonderschone onderwerpen zullen we overdenken als we met God een onderhoud hebben zoals Nehemia. Zijn gebed is een voorbeeld voor ons. Hij spreekt niet over zichzelf, maar over het volk en de beloften van God. Als hij over zichzelf spreekt, is dat in verband met belijdenis van zonden en erkenning van afdwaling. Het gaat hem om de belangen van “Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand”. Zo is Nehemia een heel mooi type van de Heer Jezus. Van Hem staat geschreven, dat Hij “met de overtreders is geteld geweest; en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft” (Jesaja 53:12b). In werkelijkheid overtreft de Heer Jezus Nehemia. Van Hem lezen we in de Psalmen immers, dat Hij onze zonden geheel tot de Zijne heeft gemaakt: “Mijn ongerechtigheden hebben Mij aangegrepen ( … ) zij zijn menigvuldiger dan de haren van Mijn hoofd” (Psalm 40:13).

Hoezeer zal het hart van God met vreugde vervuld worden als iemand uit Zijn volk zich op Zijn uitspraken beroept, vier maanden lang een gebedsleven leidt en zich zo voor Gods aangezicht inzet voor Zijn volk voor Zijn verlosten. Zie, hoe Nehemia dit al smekende deed: “Och HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed van Uw knecht” (vers 11). Ja, het is alleen belangrijk dat God zijn bidden opmerkt. Wij willen nog graag, dat onze medemensen er weet van hebben, maar dat heeft weinig of in het geheel geen waarde voor God. Alleen aan God vragen, of Hij het op wil merken, en dan dit gebed in Zijn tegenwoordigheid verbinden met het gebed van al de knechten van God, “die lust hebben Uw Naam te vrezen”. Dat zijn niet zij, die zich hechten aan allerlei uiterlijkheden, maar die Hem graag willen dienen, die dus godvrezend wandelen. Zij wandelen in nauwe gemeenschap met God en eigenlijk zijn ze uit liefde tot Hem bang, dat hun innige gemeenschap verbroken zal worden – dat is de ‘vrees van God’. Laten ook wij als knechten van God, verbonden met de ware Knecht, de Heer Jezus, eenparig onze gebeden voor Gods aangezicht brengen. Laten we God als het ware smekend onze afhankelijkheid tonen en Hem ons vertrouwen geven, voor Zijn aangezicht uitspreken: “Doe het toch Uw knecht heden wel gelukken”. Nee, we hoeven op geen enkele eigenschap als van een Nehemia en nog minder op andere eigenschappen of op onze goede wandel te pleiten. Maar, “geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze man”. Nehemia pleitte op de barmhartigheid van God bij de koning. Zo zien we hem tijdens zijn werk met en bij zijn God leven, voor het aangezicht van de koning, bij wie hij zijn arbeid als schenker in grote getrouwheid verrichtte. Wat een geweldige les voor ons om terwijl we ons werk doen, een biddend leven te leiden ten behoeve van onze medegelovigen, onze broeders en zusters. We mogen hen gedenken, die afgedwaald zijn. Bidden voor herstel, waar een breuk is ontstaan. Bidden voor handhaving van de weg van afzondering en om bewaard te blijven voor elke invloed van de wereld. Kortom, bidden voor al de rechten van de Heer. We kunnen het lijstje van al de noden onder de kinderen van God zelf nog wel aanvullen. Nehemia was schenker van de koning. En ondanks de treurige toestand van het volk was hij zich ervan bewust, dat er maar één Bron was, Die uitkomst zou kunnen geven. Niet zijn werkgever, de koning, hoe groot ook in macht en aanzien. Alleen God, de God van de hemel, Die het verbond en de goedertierenheid houdt.

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw – onze broeder is inmiddels ontslapen.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol