8 maanden geleden

Overdenking Psalm 119 (4)

Psalm 119 vers 7-8

Vers 7: “Ik zal U loven met een oprecht hart, wanneer ik Uw rechtvaardige bepalingen geleerd heb”.

Vers 7 is het gebed van de nederige aanbidder. Tot aan het einde van de psalm zullen we zien, dat nederigheid de geur is van de ware aanbidding van God. We merken op dat de aanbidding van God begint bij de eerste strofe en dat in toenemende mate de verzen 1 tot en met 6 aanbidding verbindt met een wandel in heiligheid, trouw aan het hele Woord en een zuiver geweten. En dan bevestigt de psalmist, dat hij de rechten van de rechtvaardige bepalingen wil leren. Dit betekent dat een leven volgens de Bijbel noodzakelijk is voor gebed en aanbidding, want aanbidding is nauw verbonden met de gerechtigheid van God in Christus; een gerechtigheid die ons door de hele Schrift wordt geleerd: “… maar van harte gehoorzaam bent geworden aan [de] inhoud [1] van [de] leer waarin waarin u onderwezen bent! En vrijgemaakt van de zonde bent u slaven van de gerechtigheid geworden” (Rom. 6:17,18).

Psalm 51 vers 18 en 19 laten zien dat aanbidding een gevolg is van Gods ingrijpen in genade: “Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. Dan zult U vreugde vinden in offers van gerechtigheid, in een brandoffer en een offer dat geheel verteerd wordt; dan zal men jonge stieren offeren op Uw altaar” (Ps. 51:20-21).

In Mattheüs 5 vers 23-24 leert de Heer de morele orde, waardoor de aanbidder tot het altaar kan naderen. De Geest kan alleen werken in een oprecht hart: “Ik heb met een oprecht hart al deze dingen vrijwillig gegeven”, zo drukt de vrome psalmist van Israël het uit (1 Kron. 29:17). We willen het feit benadrukken, dat we met een oprecht hart moeten aanbidden. De oprechtheid van het hart wordt alleen bereikt als “u vasthoudt aan het woord” (1 Kor. 15:2). Onze voorbereiding op de aanbidding van God of een andere christelijke activiteit veronderstelt dan ook niet een dergelijke voorbereiding die in de kunstwereld gangbaar is. Als wij aanbidden, bidden, zingen of het evangelie verkondigen, doen we het niet om door de wereld gezien te worden en applaus te oogsten. Laten we waakzaam zijn voor diegenen, die zo’n ‘schouwspel’ in het huis van God willen invoeren. Ons vers verbindt de aanbidding van God met de verwerving van de rechten van goddelijke gerechtigheid. Als men de toneelachtige prestaties op de lijst van de door God (Rom. 12:3-6), door Christus (Ef. 4:7) en door de Heilige Geest (1 Kor. 12:4) gegeven gaven zet, laat men daarmee zien dat men nog niet “de rechten van de goddelijke gerechtigheid” geleerd heeft, die dat wat voor het vlees aangenaam is, op hetzelfde niveau met de geestelijke dingen zet. Laten we niet de “rechten van gerechtigheid” door het door de media bepaalde schouwspel vervangen, alsof het Woord van God zangers en theatersterren nodig zou hebben om zich een weg te banen tot het bewustzijn/geweten van de luisteraar te banen.

Vers 8: “Ik zal Uw verordeningen in acht nemen, verlaat mij niet geheel en al!”

Het eerste gebed van de psalmist drukt vijf belangrijke waarheden uit:

  1. Bovenal de erkenning van de soevereiniteit van God: vers 4;
  2. het verlangen om door God te worden onderwezen: vers 5;
  3. een zuiver geweten voor de Heer: vers 6;
  4. aanbidding van God, gevoed door de rechten van Gods gerechtigheid: vers 7;
  5. nederigheid van de psalmist. De gelovige kan alleen in de volkomen afhankelijkheid van God leven: vers 8.
    In de huidige bedeling van genade, verklaart God: “Ik zal u geenszins begeven en u  geenszins verlaten” (Hebr. 13:5). En de Trooster, de Geest van Waarheid, zal altijd bij ons zijn (Joh. 14:16).
NOOT:
1. Letterlijk ‘[het] voorbeeld’, zoals bijvoorbeeld in Rom. 5:14.

 

M. Roy en Filipczak; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 07.09.2012.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW