2 weken geleden

Overdenking over 2 Thessalonika (6)

Aantekeningen bij de overdenking van de 2e brief aan de Thessalonikers

Hoofdstuk 2

 

Inleidende opmerkingen over hoofdstuk 2

De eerste twee verzen van dit hoofdstuk tonen de reden van de brief en de reden voor de verwarring van de Thessalonikers. Er waren mensen geweest die de Thessalonikers hadden geleerd, dat de dag van de Heer reeds was aangebroken, en deze leer had onder hen wortel geschoten. Deze kwaadaardige valse leer verandert een hemels christendom in een aards christendom. En de apostel Paulus gebruikt nu alle middelen om de Thessalonikers weer te versterken in hun gedachten en harten, zodat zij hun houvast weer terugkrijgen. Het middel dat hij daarvoor gebruikt is de uiteenzetting van de waarheid van de opname.

De hoofdstukken 1 en 2 bevatten zeven bewijzen dat de dag van de Heer nog niet gekomen kan zijn:

  • Nu worden gelovigen nog steeds verdrukt (1:6+7);
  • de opname moet eraan voorafgaan (2:1), en dit was toen en is nog niet gebeurd;
  • de Heer moet verschijnen als Rechter met ons in Zijn gezelschap, en ook dit was nog niet gebeurd …;
  • de afval is nog niet gekomen (2:3);
  • de mens van de zonde is nog niet geopenbaard (2:8);
  • er is nog steeds iets hier op aarde, dat tegenhoudt (2:6);
  • er is nog Iemand hier op aarde die zich inhoudt (2:7).

Het is het beste middel tot behoud als wij beseffen dat er vooraf de komst van de Heer Jezus zal zijn, Zijn komst voor ons gelovigen en Zijn daarmee verbonden aanwezigheid om ons bij Zich te verzamelen. Als dat meer voor ons hart lag, zouden we niet zo’n aards geloofsleven leiden, maar op Hem wachten. En dat is ook een bescherming tegen deze valse leer, want voordat de dag van de Heer komt, moeten we met Hem naar deze aarde komen. En om met de Heer Jezus op aarde te komen, moeten we eerst in de hemel tot Hem worden opgenomen.

Als wij niet voor ogen hebben dat de Heer eerst komt om ons thuis te halen, dan staan wij open voor de vreemdste gedachten en vervallen wij in dezelfde dwalingen als waarin de Thessalonikers vielen. Wij mogen de Heer uit de grond van ons hart dankbaar zijn, dat wij vandaag duidelijkheid hebben over deze volgorde van profetische gebeurtenissen – het grootste deel van het christendom is er volledig onwetend over. Wanneer men de komst van de Heer uit het oog verliest, is het gevolg niet alleen een aardse, maar ook een wereldse geest. De Rooms Katholieke Kerk werd een organisatie met enorme macht in deze wereld. En de reden voor dit alles is: “Mijn Heer blijft uit” (Matth. 24:48).

Wat betreft de komst van de Heer bij de opname en de dag van de Heer kunnen wij uit deze hoofdstukken drie belangrijke lessen leren:

  1. De opname van de gelovigen van de genadetijd moet eerst plaatsvinden, niets anders is onze verwachting; en deze gebeurtenis wordt door geen enkele andere gebeurtenis in de Heilige Schrift voorafgegaan; 
  2. tussen de opname en de dag van de Heer – die voor de wereld verdrukking zal betekenen, maar voor ons heerlijkheid – zullen verschillende gebeurtenissen plaatsvinden, die zullen eindigen met de verschijning van de Heer in macht en heerlijkheid;
  3. de dag van de Heer – die begint met deze verschijning van de Heer en eindigt met de vernietiging van de duivel aan het einde van het 1000-jarig rijk – is voor ons gelovigen van de genadetijd nooit verbonden met verdrukking, maar alleen met heerlijkheid hier in deze schepping. Wij gelovigen van de genadetijd hebben helemaal niets te maken met verdrukking in verband met de dag van de Heer.

Dit zijn de fundamenten waarop deze eerste twee hoofdstukken van deze brief zijn gebouwd. Vervolgens beschrijft Paulus aan de Thessalonikers het karakter van de dag van de Heer die deze dag voor ons zal hebben. Want dit is een heel ander karakter dan wat deze bedriegers hen hadden voorgehouden.

“Wij vragen u echter, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem …” (vs. 1).

Paulus zou alle reden hebben gehad om de Thessalonikers te berispen voor het luisteren naar deze valse leer, want hij had hun dit alles al verteld toen hij bij hen was (vs. 5). Maar dat doet hij hier niet, hij pleit. Hij was nog maar vrij kort bij hen, ongeveer 3 weken. Zij hadden niet het hele Woord van God in hun handen zoals wij vandaag – en wat vergeten we veel van wat we eens gehoord hebben! Daarom gebruikt hij hier zo’n liefdevolle manier en vraagt hij hen.

En hij vraagt ze vanwege de komst van onze Heer; dat is elk moment onze verwachting. Als al onze gelovige voorgangers ook zijn ontslapen – wij wachten op de komst van de Heer. En Paulus waarschuwt de Thessalonikers hier om deze verwachting van de onmiddellijke komst van de Heer niet op te geven. De grondslag voor hen om niet geschokt te worden is de opname van de gelovigen, die zal plaatsvinden vóór de dag van de Heer. Wat een moment zal dat zijn! Hij had hen hierover al in de eerste brief onderwezen, daarom gebruikt hij hier de uitdrukking in verband met.

Paulus gebruikt in deze verzen vijf termen in de samenhang van zijn onderwijs, die we voor een juist begrip moeten onderscheiden, zonder ze van elkaar te willen scheiden:

  • Dag van de Heer (2:2): geen dag van 24 uur, zelfs niet de dag die de Heer toebehoort, de zondag (Openb. 1:10), maar een tijdsperiode van ongeveer 1000 jaar, die gekenmerkt wordt door de erkenning van het gezag van de Heer Jezus op deze aarde, het is het 1000-jarig rijk. De dag van de Heer begint met de openbare verschijning van de Heer Jezus in macht en heerlijkheid met ons op deze aarde (Zach. 14:1-4; Openb. 19:11 e.v.), en de voorbodes van deze dag zijn de verschrikkelijke oordelen die zo vaak in het Oude Testament worden beschreven (bijv. Jes. 13:6-8; Ezech. 30:2,3; Joël 1:15; 2:1,2; 3:14-16, enz.). De dag van de Heer is dus de periode waarin de Heer Jezus openlijk erkend zal worden op deze aarde. Het begint met Zijn openbare verschijning met ons, en het eindigt aan het einde van het 1000-jarig koninkrijk en gaat dan over in de dag van God. Wat ons aandeel in deze periode betreft, wordt deze dag de dag van Christus genoemd (Fil. 1:6,10; 2:16).
  • Verschijning van Zijn komst (2:8) en openbaring van de Heer (1:7): iets wat voorheen verborgen en niet zichtbaar was, wordt plotseling door mensen gezien. Beide uitdrukkingen verwijzen naar de openbare verschijning van de Heer Jezus in macht en heerlijkheid wanneer Hij komt om Zijn koninkrijk hier op aarde te vestigen. Dit is dan het begin van de dag van de Heer.
  • Komst van onze Heer (2:1): deze uitdrukking kan zowel verwijzen naar Zijn komst voor ons, de gelovigen, als naar Zijn openbare verschijning in macht en heerlijkheid. Het betekent Zijn komst en Zijn daarna volgende aanwezigheid, Zijn blijven, en is het tegenovergestelde van afwezigheid. Wij moeten altijd uit de samenhang afleiden welke komst in het betreffende geval wordt bedoeld. In 1 Thessalonika 3 vers 13 gaat het duidelijk om Zijn verschijning in heerlijkheid en onze verschijning met Hem. Maar hier in 2 Thessalonika 2 vers 1 wordt de komst voor onze opname tot Hem genoemd en beide gebeurtenissen worden verbonden door één lidwoord en het woord en; daarom wordt hier de komst van de Heer Jezus voor ons bij de opname bedoeld. Dit zijn twee aanvullende uitdrukkingen voor dezelfde gebeurtenis.
  • Onze bijeenvergadering tot Hem (2:1) verwijst duidelijk naar onze opname (1 Thess. 4:16,17). Het woord, dat hier met “bijeenvergadering” wordt vertaald, is hetzelfde woord dat in Hebreeën 10 vers 25 wordt gebruikt voor ons samenkomen. In onze bijeenkomsten van vandaag ontbreken sommigen helaas, maar in deze bijeenkomst hier in vers 1 zal geen enkele gelovige ontbreken. In een zeer kort ogenblik zal iedere gelovige die op aarde leeft tot Hem worden vergaderd – wat een gebeurtenis zal dat zijn, wat een aantrekkingskracht zal van Hem uitgaan!

“… dat u niet [zo] snel in uw denken geschokt of verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door brief als van ons, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn” (vs. 2).

In dit vers wordt ten eerste getoond wat de dwaling is, ten tweede wat de gevolgen zijn van deze valse leer en ten derde hoe deze valse leraren te werk gaan. De fout was, dat men zei dat de dag van de Heer er al was. Er werd niet gezegd, dat deze dag nabij was, maar dat hij er al was, al aangebroken was. Op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament wordt dezelfde uitdrukking in de grondtekst gebruikt om het contrast duidelijk te maken met wat nog niet aanwezig maar nog toekomstig is (bv. Rom. 8:38; 1 Kor. 3:22). Waarom was het zo belangrijk voor Paulus om de dwaling aan de kaak te stellen? Want enerzijds is de hoop op de opname verloren gegaan, en anderzijds wordt valse leer altijd gevolgd door valse praktijk.

Het gevolg van de dwaling en het daarmee gepaard gaande opgeven van deze hoop op de komst van de Heer is schokkend en schrikbarend. Het schokkende heeft meer te maken met het feit, dat zij, met het oog op hun geloofsbasis, als door een aardbeving uit hun standvastigheid waren gevallen. En het schrikbarende heeft te maken met angst, men verliest zijn innerlijke vrede. Dit zijn altijd de trieste gevolgen wanneer valse leerstellingen worden aanvaard.

En hoe gingen deze valse leraren te werk? Drie punten worden genoemd, en alle drie de punten hebben te maken met imitatie, zoals de aanpak van de vijand van het begin tot het einde is, hij bezoedelt zijn aanpak met vals gezag:

  • Noch door geest: zij deden net als de apostelen alsof zij geestelijke openbaringen hadden ontvangen over deze leer die zij verspreidden. Daarom moeten wij ook nu nog de geesten beproeven of zij uit God zijn (1 Joh. 4:1);
  • noch door woord: zij gaven deze vermeende openbaringen door als het geïnspireerde Woord van God;
  • noch door brief: het toppunt van sluwheid, zij vervalsten een brief door deze in naam van de apostel te schrijven.

In deze drie punten wilden zij dat weergeven en nabootsen, wat er, door de apostel Paulus in waarheid en werkelijk door God bewerkt, onder hen was gebeurd. Paulus had werkelijk openbaringen ontvangen door de Geest (1 Kor. 2:10), Paulus had werkelijk woorden gesproken in de kracht van de Geest van God (1 Thess. 1:5), en Paulus had werkelijk brieven geschreven aan hen en ook aan andere gemeenten (2 Thess. 2:15; 3:17).

Welke gevaren er voor de gelovigen door imitatie ontstaan, wordt door de apostel duidelijk uiteengezet in 2 Korinthe 11 vers 3 en 4. En de meester van de imitatie is degene die Eva verleidde door bedrog, de vader van de leugen (Joh. 8:44). Veel verleidingen gebeuren ook door waarheden maar half te citeren. Het was ook mede een probleem, dat leidde tot de verdeeldheid in ons midden, dat in essentiële leerstellige kwesties het Schriftuurlijk goed van beproefde broeders slechts gedeeltelijk werd geciteerd, en dat daardoor een fatale verandering van betekenis ontstond. Maar ze hadden vaak met succes geprobeerd zichzelf een schijn van geloofwaardigheid te geven. Satans instrumenten zijn buitengewoon veelzijdig. Wanneer later de antichrist zal opstaan, zal hij het uiterlijk hebben van een lam, maar hij zal spreken als een draak (Openb. 13:11).

Een praktische hint: als vandaag onder onze jongere broeders en zusters de Schriften vaak gelezen worden van auteurs die geen duidelijkheid hebben over het onderscheid van Gods bedeling, dan leidt dit tot een onzekere geloofsbasis en het gevolg daarvan is het verlies van innerlijke vrede. Wat is de diepere reden dat de vijand ons op deze manier in verwarring kan brengen? Juist in het feit, dat de verschillende bedelingen niet uit elkaar worden gehouden. In brede kringen van het christendom lopen de waarheidslijnen met betrekking tot de gemeente en met betrekking tot Israël door elkaar. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen wat geldt voor Israël en wat geldt voor de gemeente. En zo komt men ook snel ertoe om de verdrukking voor Israël ook op de gemeente toe te passen. Zo gaat de hemelse hoop verloren en ontstaat een aards, werelds christendom.

“Laat niemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde1 geopenbaard is, de zoon van het verderf” (vs. 3).

Vanaf vers 3 stelt de apostel deze valse leer bij en beschrijft hij de profetische gebeurtenissen die moeten plaatsvinden vóór de dag van de Heer kan aanbreken. Hij somt alleen de gebeurtenissen op die verband houden met het christendom; hij laat Joodse verwijzingen en ook het Romeinse Rijk weg.

Het is een ernstige oproep: we mogen niet toestaan, dat er een kloof ontstaat tussen de waarheid en ons inzicht. Niemand mag ons op enigerlei wijze kunnen verleiden, hoeveel gezag hij ook heeft, hoeveel waarheid hij in het verleden ook heeft gebracht – als hij vandaag komt en niet komt met het Woord van God, dan moeten we hem afwijzen.

Dit vers laat twee verschillende dingen zien die zullen gebeuren voordat de dag van de Heer komt: 

  • De afval moet komen; naar haar karakter is afval het in opstand komen tegen het gezag van het Woord van God en het volledig verlaten van wat God heeft gezegd (verg. Hand. 21:21; 1 Tim. 4:1). Hier staat afval met een lidwoord, de zeer concrete afval in onderscheid met de huidige tendensen die al in die richting gaan. Er zal een tijd komen, dat het afvallen van alles wat christelijk is, wat het christendom betekent, zal plaatsvinden. En niet alleen alles wat christelijk is zal worden opgegeven en verworpen, maar ook alles wat Joods is (1 Joh. 2:22,23). In deze twee verzen betekent het ontkennen, dat Jezus de Christus is, afvalligheid van het Joodse geloof, en het verloochenen van de Vader en de Zoon betekent afvalligheid van het Christelijke geloof;
    Hier nu gaat het om de afval van het christendom. Na de opname en voordat de dag van de Heer kan komen, zullen verschillende gebeurtenissen plaatsvinden, waarvan de afval de eerste zal zijn. Ten eerste moet datgene wat het christendom uitmaakt in elk opzicht worden opgegeven. Alleen ongelovigen kunnen daarvan afvallen, nu nog als individu, later na de opname als geheel. Na de opname zal er op aarde een christendom zonder Christus overblijven, een levenloze belijdenis, en deze zullen afvallen van hun onechte belijdenis, die zij eens hadden. En dit bereidt dan de weg voor de openbaring van de antichrist. Deze afval zal ongeveer 3½ jaar na de opname plaatsvinden, midden in de 70e week van Daniël (Dan. 9:27). Dan zal alles wat op de een of andere manier christelijk is in leer en praktijk volledig overboord worden gegooid. En de religieuze leider van deze afval zal de antichrist zijn;
  • de mens van de zonde moet worden geopenbaard; dit is de antichrist, de zoon van het verderf, de wetteloze (vs. 8). De afval van het christendom zal de weg bereiden voor de verschijning van de antichrist, die in zekere zin de belichaming en zelfs uitbreiding van deze afval zal zijn tot aan zijn zelfverheffing, die zonder de voorafgaande afval helemaal niet denkbaar zou zijn. Het zou vandaag de dag ondenkbaar zijn, dat er een antichrist zou kunnen opstaan, omdat de grond daarvoor nog niet is voorbereid. Hij zal pas na de opname van de gemeente worden geopenbaard, daarom moeten we oppassen voor speculaties vandaag over wie het zou kunnen zijn. We kunnen hem vandaag niet herkennen. Maar we zitten al in de processen die aan deze verschijning voorafgaan. Waarom houden de huidige politici zo hardnekkig vast aan Europa, in voor- en tegenspoed? Er zit een kracht achter, satan, die de drijvende kracht is achter de oprichting van het Romeinse Rijk.
    De antichrist is het tweede beest van Openbaring 13 vers 11-18; het eerste beest is het hoofd van het Romeinse Rijk. En deze twee beesten zullen een satanische drie-eenheid vormen met de duivel (verg. Openb. 13:4: de draak = satan, macht gegeven aan het beest = het hoofd van het Romeinse Rijk, het beest aanbidden = de antichrist aanbidden) totdat zij als eerste levende mensen zonder oordeel in de poel van vuur worden geworpen (Openb. 19:20).De uitdrukkingen mens van de zonde, zoon van het verderf en wetteloze beschrijven deze persoon in zijn karakter. Als mens van de zonde is hij de verpersoonlijking van de zonde, de vleeswording van het kwaad, in hem is al het kwaad van de mensheid verenigd. Als de zoon van het verderf is hij het toppunt van het verderf, dat in het paradijs begon. Maar deze uitdrukking wijst ook op zijn oorsprong, dat hij uit het verderf komt, en hij draagt ook het karakter van het verderf en hij zal naar het eeuwige verderf gaan. En als de wetteloze erkent hij geen gezag of wet boven zich, hij zal handelen naar eigen goeddunken (Dan. 11:36) en zal niets erkennen, dat op enigerlei wijze boven hem staat. Hoe verschrikkelijk zal de verschijning van deze mens zijn, en we mogen de Heer uit de grond van ons hart dankbaar zijn, dat we het niet hoeven mee te maken! Maar vóór deze duistere beschrijving van de antichrist gaan onze gedachten naar die ene volmaakte Mens, die de gepersonifieerde genade en goedheid van God is, die Zichzelf niet heeft verhoogd maar vernederd. De antichrist is in alle opzichten de totale antithese van de Heer Jezus, en hoe duisterder zijn beeld ons hier wordt voorgesteld, hoe helderder de heerlijkheid van de Heer Jezus, de ware Mensenzoon, tegen deze donkere achtergrond straalt!

In dit vers hebben we dus enerzijds een beweging, de afval, waarvan we de voorbodes vandaag al zien. Anderzijds zal aan het hoofd van deze beweging een mens staan wiens karaktereigenschappen hier worden beschreven – de antichrist. Enerzijds heeft deze persoon vooral in verband met Israël een politiek karakter, want in de profeet Jesaja wordt hij verscheidene malen de koning genoemd (bijv. Jes. 30:33). In de tweede plaats heeft deze antichrist een duidelijk religieus karakter; dit wordt heel duidelijk in het feit dat hij het Lam imiteert, dat hij een herder imiteert, dat hij een profeet imiteert. Aan de ene kant betekent anti in de plaats van, en dit toont het standpunt van de navolging van de ware Christus; maar aan de andere kant betekent anti ook tegen, en dit wordt heel duidelijk in het volgende vers, waar zijn verzet wordt beschreven, zijn tegenstand en opstand.

Wanneer zal dan de antichrist verschijnen? Volgens Openbaring 12 vers 6-9 zal satan 3½ jaar na de opname van de gemeente op aarde worden geworpen, hetgeen halverwege de 70e week van Daniël is. Deze laatste week van jaren uit Daniël 9 vers 24-27 zal beginnen na de opname en zeven jaar duren tot de vestiging van het 1000-jarig rijk. En in de helft van deze zeven jaar, volgens Openbaring 13, komen deze twee beesten op, het hoofd van het Romeinse Rijk uit de zee (Openb. 13:1-8), en de antichrist uit de aarde (Openb. 13:11-18). Dan verschijnt hij openlijk als de antichrist. Maar dit betekent niet, dat hij er niet al eerder was, hij kan nu al leven in onze dagen. Maar dan zal hij zich openbaren als de antichrist. En vanaf die tijd zal er een enorme verandering plaatsvinden, een volledige ontketening van alle kwaad en ook het officieel oprichten van deze gruwel in de tempel. Het zal het meest verschrikkelijke zijn, dat ooit is gebeurd, omdat het rechtstreeks gericht is tegen de Zoon van God. Vandaar ook dit onverbiddelijke oordeel over deze twee personen, die levend in de poel van vuur zullen worden geworpen, zonder dat er ook maar één rechtszitting plaatsvindt. Deze tijd zal in zijn gruwelijkheid alleen worden overtroffen door de tijd na het 1000-jarig rijk, wanneer satan opnieuw de hele mensheid zal misleiden tegen de Heer en Zijn heiligen (Openb. 20:7-9).

In de eerste helft van deze laatste jaarweek, de eerste 3½ jaar na de Opname, is de afval nog niet gekomen. De Romeinse heerser zal een verbond sluiten met de massa van het Joodse volk, maar de offerdienst aan God zal nog steeds mogelijk zijn in de tempel (Dan. 9:27). Toch zullen er zelfs gedurende deze tijd geen normale omstandigheden en condities meer zijn, want zelfs gedurende deze eerste 3½ jaar zullen er martelaren zijn die na de opname van de gemeente door het evangelie van het koninkrijk tot geloof zijn gekomen en vervolgens hun trouwe getuigenis voor de Heer met hun leven moeten bekopen (Openb. 20:4; 6:9). Maar halverwege deze week, dat wil zeggen na 3½ jaar, zal het heiligdom worden ontheiligd, het voortdurend offer afgeschaft en de gruwel der verwoesting [het beeld van de Romeinse keizer; Openb. 13:14,15] in de tempel van God opgericht worden (Dan. 11:31; 12:11; Matth. 24:15). Dan zal er volgens Openbaring 20 vers 4 een tweede groep martelaren zijn die gedood werden, omdat zij dit beeld en ook het beest niet aanbaden.

 

NOOT:
1. Anderen lezen ‘wetteloosheid.’

 

Achim Zöfelt; www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 08.10.2013.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW