14 jaar geleden

Opstanding

De opstanding van de Heer Jezus is één van de vaste fundamenten van het Christelijk geloof. Alleen het geloof in een gestorven en opgestane Heer opent mensen de weg tot redding en eeuwige heerlijkheid. De opstanding van de Heer Jezus Zelf vinden we niet beschreven in het Woord van God – hoe zou dat ook mogelijk zijn -, maar het feit en ook de bijkomende omstandigheden worden zeer duidelijk meegedeeld. Het is de moeite waard om nog eens na te lezen, wat de evangelisten over de gebeurtenissen in verbinding met de opstanding van de Heer geschreven hebben. Bij vergelijking van de afzonderlijke berichten schijnen elkaar op het eerste gezicht tegen te spreken. Wij willen daarom in deze bijdrage een poging doen, de afzonderlijke gebeurtenissen in haar volgorde te behandelen.

Maria Magdalena en de andere Maria gaan zaterdagavond naar het graf

Het bericht over de gebeurtenis in verband met de opstanding begint in het evangelie naar Mattheüs met de woorden: “Laat op de sabbat nu, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien” (Mattheüs 28:1). Sommigen menen, dat deze aanwijzing betrekking heeft op de zondagmorgen, de morgen van de opstanding; maar een vergelijking met Markus 16:1 laat er geen twijfel over bestaan, dat Maria Magdalena en de andere Maria op zaterdagavond nog eens naar het graf zijn gegaan. De “andere Maria” was vermoedelijk de moeder van Joses (Markus 15:47). Van de beide vrouwen lezen we in Markus 15:47, dat zij op het ogenblik, toen het lichaam van Jezus in het graf werd gelegd, aanwezig waren. Maria Magdalena valt van begin af aan door een sterke deelname aan de gebeurtenissen op. Vermoedelijk stond zij ook de meeste tijd, toen de Heer aan het kruis hing, bij het kruis (Johannes 19:25). In Markus 16:1 is er sprake van, dat Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme, eveneens op zaterdagavond, welriekende specerijen kochten, waarmee zij de Heer wilden zalven. Zij konden dat pas nu doen, omdat de sabbat nu ten einde was. Het was hun bedoeling de balseming de volgende morgen te doen (vergelijk Markus 16:2-8).

Maria Magdalena komt de volgende morgen zeer vroeg naar het graf

Hoeveel indrukken heeft Maria Magdalena in de afgelopen dagen en in het bijzonder op de laatste dag te verwerken gekregen. Of ze wel zoveel geslapen heeft in deze nacht? Zij heeft aan al het gebeurde een groot aandeel genomen. We weten immers, dat Maria vroeger eens door zeven demonen bezeten was, voordat zij de Heer Jezus ontmoette en Hij deze zeven demonen van haar uitdreef (Lukas 8:2; Markus 16:9). Zeker heeft zij de Heer Jezus op een heel bijzondere wijze gewaardeerd en liefgehad. Hoe zeer heeft Hij haar leven veranderd. Zeer vroeg staat zij op deze nieuwe morgen op. Zij weet nog niet, wat kort daarvoor gebeurd is. Zij verlaat haar huis en begeeft zich weer naar het graf. Het is nog donker. Maar wat is dat? Als zij steeds dichter bij het graf komt, ziet zij, dat de grote steen van het graf weggenomen is. Wat heeft dat te betekenen? Daarvan moest zij natuurlijk de discipelen berichten.

Andere vrouwen komen naar het graf

Intussen is de zon opgegaan. Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme zijn op weg gegaan om het lichaam van de Heer te zalven. Maria Magdalena is al bij het graf. De vrouwen onderhouden zich onderweg, hoe toch die steen afgewenteld kan worden. Het is allemaal niet te vatten voor hen, dat de Heer twee dagen geleden aan het kruis werd terechtgesteld. Plotseling kijken ze op. Wat is dat? De steen is immers al afgewenteld. Als ze verder gaan en het graf binnenkomen, zien zij daar een jonge man zitten1. Ontzetting komt over de vrouwen. Maar de engel spreekt hen aan met de woorden: “Weest niet ontsteld. U zoekt Jezus de Nazaréner, de gekruisigde; Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie, de plaats waar zij Hem hebben gelegd. Maar gaat heen, zegt aan Zijn discipelen en aan Petrus: Hij gaat u voor naar Galiléa; daar zult u Hem zien, zoals Hij u heeft gezegd” (Markus 16:6-8). Hij is opgestaan? Vol ontzetting en bevend vluchten de vrouwen van het graf. Op dat ogenblik kunnen zij over het beleefde niets berichten.

Petrus en Johannes lopen naar het graf

Of Maria deze uitspraak van de engelen aan de vrouwen nog gehoord heeft, kunnen we niet met zekerheid zeggen. In ieder geval heeft zij zich na een poosje verwijderd van het graf en is zij naar Petrus en Johannes gelopen, om hen het beleefde te vertellen: “Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij Hem hebben gelegd” (Johannes 20:1-3). Zij zegt: “Wij weten niet”, zij sluit klaarblijkelijk de andere vrouwen er bij in, die intussen gekomen waren. Zij moet deze dus aan het graf getroffen hebben, voor deze dan vol vrees vluchten. Nadat Maria Petrus en Johannes het gebeurde bericht had, gaan beiden onmiddellijk op weg naar het graf. Johannes kan het niet afwachten. Hij loopt sneller dan Petrus. Op Petrus ligt een zware last. Het is iets meer dan 48 uur geleden, dat hij de Heer verloochend heeft. Johannes bereikt als eerste het garf en buigt zich, buiten staande blijvend, voorover in het graf. Wat ziet hij? Het graf is leeg! Hij aanschouwt nauwkeurig de linnen doeken. Intussen is ook Petrus aangekomen. Hij blijft niet buiten staan. Hij gaat naar binnen. Hij ziet eveneens de linnen doeken – daar ligt ook de zweetdoek, waarmee het hoofd van de Heer bedekt was. Het ligt echter niet bij de linnen doeken, maar afzonderlijk opgevouwen op een andere plaats. Wat heeft dat alles te betekenen? Nu gaat ook Johannes het graf binnen. Voor hem is het al duidelijk, dat de Heer opgestaan is. Hij zag en geloofde. Wat Petrus in deze ogenblikken ervaren en gedacht mag hebben, weten we niet. Beiden gaan weer naar huis. Onverklaarbaar gedrag! Maria Magdalena is teruggekomen, blijft buiten bij het graf staan en weent. Het lichaam van haar Heer is daar niet meer (Johannes 20:1-10).

Maria Magdalena blijft alleen bij het graf

Maria Magdalena bevindt zich nog steeds in de nabijheid van het graf. Zij weent. Nu bukt zij zich in het graf en ziet twee engelen in witte kleren in het graf zitten; de een waar het hoofd van Jezus gelegen had, de ander aan zijn voeten. De beide engelen spreken Maria aan met de woorden: “Vrouw, waarom ween je?”, waarop Maria antwoordt: “Omdat zij mijn Heer hebben weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben gelegd”. Daarna draait zij zich om en ziet de Heer, zonder Hem te herkennen. Zij meent dat het de tuinman is. Zij heeft maar één verlangen: in het bezit van het lichaam van Jezus te komen. De gedachte, dat mensen dit lichaam zouden kunnen mishandelen, schijnt voor haar onverdraaglijk te zijn. Welk een waardering komt in al haar handelen en spreken tot uitdrukking. De vrouwen waren gevlucht. Johannes en Petrus waren weer naar huis gegaan. Maria Magdalena is daar gebleven. Het gedrag van deze vrouw spreekt zeer tot onze harten.

Maria Magdalena heeft zeker veruit minder begrip over de persoon van Jezus als Maria van Bethanië, die in haar juiste voorgevoel – zonder dat zij het zelf wist – het lichaam van de Heer een week tevoren gebalsemd had. De liefde van Maria Magdalena tot de Heer laat haar het graf niet verlaten. Zij wordt alleen door één gedachte beheerst, het lichaam van Jezus te vinden. Is het dan verwonderlijk dat de Heer Jezus zich aan haar als eerste mens na Zijn opstanding openbaart? “Toen Hij nu was opgestaan, vroeg op de eerste [dag] van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen had uitgedreven” (Markus 16:9). De Heer Jezus noemt haar naam: “Maria!” En op hetzelfde ogenblik draait zij zich om en zegt tegen Hem: “Rabboeni!” Daar staat Hij, die zij nog steeds dood waande, levend voor haar. Eenmaal had Hij haar ontmoet, toen Hij haar uit de heerschappij van de demonen bevrijd had. Toen leerde zij Hem als haar Redder kennen. Nu ontmoet zij Hem als de Opgestane. Zij is het die dan de heerlijke boodschap aan de discipelen – die de Heer hier “Mijn broeders” noemt – verkondigen zal, dat Hij tot Zijn Vader en hun Vader en tot Zijn God en hun God zou opvaren. Dat is een boodschap, waarvan wij de diepte en gelukzaligheid in eeuwigheid niet uitputten kunnen (Johannes 20:11-18).

De vrouwen

Maria Magdalena had al een keer de discipelen Petrus en Johannes opgezocht, om hen van het lege graf te berichten. Nu gaat zij zich voor een tweede keer op weg om de boodschap van de Heer Jezus over te brengen, zoals Hij het haar opgedragen had (Johannes 20:17-18). Het kan goed zijn, dat zij op deze weg de andere vrouwen getroffen heeft, die van het graf gevlucht waren (Markus 16:8). Lukas bericht dezelfde omstandigheid, en hij is het ook die ervan schrijft, dat Maria Magdalena en Johannes en Maria, moeder van Jakobus, samen waren en de apostel over al datgene, wat ze beleefd hadden, informeerden (Lukas 24:10). De Heer verschijnt aan deze vrouwen Voor deze vele vrouwen echter bij de discipelen komen, is de Heer hen op weg daarheen verschenen: “En terwijl zij heengingen om het Zijn discipelen te berichten, zie, Jezus ontmoette hen en zei: Gegroet!”. Zij vielen voor Hem neer, en omvatten Zijn voeten. Nu geeft Hij hen de opdracht, dat zij heen moeten gaan om Zijn broeders te berichten, dat Hij naar Galiléa zou gaan en dat zij Hem daar zien zouden (Mattheüs 28:9-10). Lukas bericht verder, dat hen al deze woorden als kletspraat scheen en zij hun woorden niet geloofden.

De Heer verschijnt aan Petrus

Bericht Lukas in hoofdstuk 24:12 over dezelfde gebeurtenis als waarover Johannes in hoofdstuk 20:2-10 geschreven heeft?2 Of is Petrus een tweede maal naar het graf gelopen, misschien met de wens om de opgestane Heer daar aan te treffen? We laten deze vraag open. Uit 1 Korinthe 15:5 weten we echter, dat de Heer Jezus in de loop van deze dagen aan Petrus afzonderlijk verschenen is. We nemen aan, dat daar de dingen ter sprake gekomen zijn die door de drievoudige verloochening van de Heer Jezus tussen Petrus en de Heer stonden. De scene aan de zee van Tiberias , waar de Heer Petrus officieel “hersteld” heeft, heeft in ieder geval op een later tijdstip plaatsgevonden.

De Heer verschijnt de Emmaüsgangers

Lukas bericht er verder van, hoe op deze opstandingsdag twee discipelen van Jeruzalem naar Emmaüs onderweg waren (24:13-35). Zij waren terneergeslagen. Ook zij herkenden de Heer eerst niet. Pas nadat Hij hun harten brandend gemaakt had, nadat Hij hen uit de Schriften de noodzakelijkheid van Zijn dood verklaarde, en deed alsof Hij verder wilde gaan, ging Hij dan op hun dringend verzoek met hen mee en gaf, dat zij door het broodbreken Hem herkenden. Met gelukkige harten braken zij onmiddellijk op, om het beleefde aan de discipelen in Jeruzalem te berichten. Daar waren de tien discipelen vergaderd, Thomas was niet bij hen3. En zodra de beide discipelen aankwamen om hen van hun ervaringen te berichten, horen zij, dat de Heer al aan Petrus verschenen is. Nu vertellen ook de Emmaüsgangers hun ervaringen. De Heer kwam in het midden van de vergaderde discipelen Zij hebben nog niet alles verteld, daar staat plotseling de Heer in het midden van de vergaderde discipelen met de woorden: “Vrede zij u” (Lukas 24:36-49); Johannes 20:19-23). Wat een ogenblikken, om de Heer weer in het midden te hebben! De discipelen schrikken, worden met angst vervuld en menen een geest te zien. Dat is immers allemaal onbegrijpelijk. Hoe kan dit dan? De Heer kent hun gedachten. Hij toont hun de doorboorde handen en voeten. Zij kunnen het van blijdschap nog niet geloven. Het is allemaal zo onwerkelijk. Dit ligt allemaal geheel buiten hun ervaringsgebied. De Heer komt hen te hulp. Hij vraagt hen om iets eetbaars. Ze reiken Hem gebakken vis en een stuk van een honingraat aan. Hij eet voor hun ogen. Nooit zullen de discipelen deze indrukken en de woorden die de Heer daar tot hen gesproken heeft, vergeten. Wat een unieke dag in de geschiedenis van de mensheid: de dag van de opstanding van onze Heer: “Gelukkig zij die niet gezien en toch geloofd hebben” (Johannes 20:29).

Werner Mücher, © Folge mir nach

NOTEN:
1. Lukas bericht, dat twee engelen in het graf ware. Mattheüs en Markus vermelden alleen één engel, namelijk degene, die tot hen gesproken had. De andere laten zij onvermeld.
2. Het is typerend voor Lukas, dat hij vaak de tijdelijke volgorde onopgemerkt laat.
3. Lukas schrijft weliswaar over de elf die samenvergaderd waren (24:33), zonder de bijzondere omstandigheid te noemen, dat Thomas niet aanwezig was.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM