4 jaar geleden

Opstanding: Geen mythe, geen bedrog, geen bijgeloof!

“De Heer is werkelijk opgewekt en is aan Simon verschenen” (Luk. 24:34).

“… aan de apostelen die Hij had uitverkoren; aan wie Hij Zich ook, nadat Hij had geleden, levend heeft vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen” (Hand. 1:2-3).

De patriarch Job bracht in het kader van de gesprekken met zijn vrienden twee vragen van ingrijpende betekenis naar voren:

  1. “Hoe zou een sterveling rechtvaardig kunnen zijn voor God?” (Job 9:2);
  2. “Als een man gestorven is, zal hij dan weer levend worden?” (Job 14,14); maar op geen van beide kon een duidelijk en sluitend antwoord worden gegeven. Wanneer we Job 9 lezen, zien wij de pogingen van Job de eerste vraag te beantwoorden, en hoe hij de ene poging na de andere als waardeloos verwerpt, en ten slotte vraagt ​​om een ​​”scheidsrechter”. Deze oproep is misschien 2000 jaar  onbeantwoord gebleven. Wanneer we Job 14 lezen, vinden we dat hij aan de hand van een vergelijking met een gevelde boom die na jaren door de “geur van het water” weer uitloopt, in het voordeel van de opstanding argumenteert. Hij geloofde dat er een opstanding zou zijn. Dit was het resultaat van geestelijke intuïtie verbonden met verstand, want op een expliciet woord van God, die de dingen duidelijk maakt, kon hij niet terug vallen. Beide hoofdstukken worden gekenmerkt door sterke emoties.

Vandaag hebben we verreweg meer een bevoorrechte positie dan hij, want de Heer Jezus is verschenen en heeft “leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het evangelie” (2 Tim. 1:10). Zijn dood en Zijn opstanding geven ons antwoord op beide vragen. Als Hij is opgestaan, kunnen wij gerechtvaardigd worden, en het feit van de opstanding is geen vraag meer.

Toen de apostelen in het begin het evangelie predikten, gebruikten ze de opstanding als een speerpunt om in de harten en gewetens van de mensen binnen te dringen. De priesterlijke klasse in Jeruzalem was wat de leer betreft, uit Sadduceeën, en daarom voelden ze deze stoot zo bijzonder hevig. Het maakte hen woedend, dat de apostelen in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden. Wat deden ze niet allemaal, om het apostolisch getuigenis tegen te werken.

Ze brachten hen naar de gevangenis, ze sloegen hen, zij verdrukten hen en bevalen hen om niet meer in de naam van Jezus te prediken, ze bedreigde hen, ze brachten zelfs Stefanus ten dode. Maar één ding, namelijk het beslissende, deden ze niet. Zij kwamen niet met een stoutmoedige en vlakke ontkenning, zij brachten geen sluitend bewijs dat Christus niet opgestaan was en de apostelen sluwe bedriegers waren. Ze deden het niet, omdat ze het niet konden. Het was niet mogelijk.

Wanneer we het eerste hoofdstuk van Handelingen lezen en dit vaststellen, dan komt ons dat des te opmerkelijker voor, wanneer we ons herinneren wat in Mattheüs 28 vers 11-15 wordt bericht. Deze zelfde priesters uit de Sadduceeën waren in samenwerking met de soldaten, die met de bewaking van het graf belast waren, tot een groot omkopingsdeal gekomen – en verplichtten zich tot een nog duurdere omkopingsacte in verbinding met de stadhouder – om hun getuigenis over Jezus’ opstanding te verdraaien. Het is echter duidelijk dat de leugen, die ze verspreid hadden, enkele maanden later al te dun bleek, als men daarvan afhankelijk zijn wilde. Ze durfden zich daarop niet te beroepen.

“En met grote kracht gaven de apostelen getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus” (Hand. 4:33), en God werkte tekenen en wonderen om hun getuigenis te bevestigen. Een opmerkelijk teken was de genezing van de verlamde, die al vele jaren aan de Schone Poort van de tempel had gelegen. Het wekte de woede van de priesters op, omdat het hele incident een duidelijke bevestiging  was van de opstanding, en Handelingen 4 toont ons hierover drie dingen. Hoezeer ze het ook wensten om het getuigenis ongeldig te maken, “ze konden er niets tegen zeggen” (vs. 14), moesten ze bekennen: “We kunnen het niet loochenen” (vs. 16), en vonden niets “hoe zij hen konden straffen” (vs. 21).

We weten allemaal dat mensen, wanneer ze geconfronteerd worden met iets wat ze haten, zullen proberen om het te ontkennen. En als ze daarin falen, zullen ze hun stem daartegen verheffen, zullen de vorm of methode van de zaak bekritiseren, als ze de inhoud al niet kunnen weerleggen. Wanneer alles faalt, zullen ze hen aanvallen en vervolgen, die de zaak betuigen, zodra ze hen het geringste voorwendsel geven. Alle drie de middelen faalden bij dit wonder. En het is net zo waar om te zeggen, dat ze tegenover de waarheid van de opstanding van Christus faalden, waarvan dit wonder getuigde.

Als er geen opstanding geweest zou zijn, dan zouden die eerste jaren toen de bewering allen nog vers in het geheugen lag, toch daartoe voorbestemd geweest om het bedrog te ontdekken. Het proces dat ondernomen en door omkoping ondersteund werd, vond een zekere verbreiding onder de Joden, maar uiteraard durfde niemand het als bewijs in het openbaar naar voren te brengen, waar een onderzoek en bestudering had kunnen plaatsvinden. Dat is zeer belangrijk.

Nu hebben we alleen maar negatieve bewijzen voor de waarheid van de opstanding naar voren gebracht. Het zijn sterke bewijzen, maar het positieve bewijs is nog sterker.

In de eerste verzen van 1 Korinthe 15 citeert Paulus zes getuigen of groepen van getuigen, die allen garant staan dat ze Christus in opstanding gezien hadden: Petrus, de twaalf, 500 broeders tegelijk, Jakobus, al de apostelen en Paulus zelf. De lijst van getuigen is verre van compleet, want hij zou ook de gelegenheden uit Mattheüs 28 vers 16, Lukas 24 vers 13-31, Johannes 21 vers 1-14 en andere, die in Handelingen 1 vers 1-11 vermeld worden, hebben kunnen noemen, om geheel nog maar te zwijgen over de gelegenheden bij wie Hij zich aan enkele gelovige vrouwen toonde. De zes gevallen die hij aanhaalt, zijn echter voldoende getuigenis: drie afzonderlijke personen en drie groepen.

Laten we eens de drie afzonderlijke personen nemen. Hun brieven laten ons zien wat voor soort mannen zij waren, en van Petrus en Paulus weten we daarnaast heel veel. Petrus had een warm hart en was impulsief, maar een man met een gebroken hart toen hij de Heer in de opstanding zag. Jakobus was duidelijk een rustige man met een oordeelkundige en zelfs kritische geest. Paulus was een felle tegenstander tot het moment dat hij de Heer zag in Zijn opstandings-heerlijkheid, en dit gezicht veranderde hem compleet. In hun opvoeding en temperament waren ze heel verschillend, maar deze verschillen maken hun overeenstemming in het getuigenis des te indrukwekkender.

Daarbij komt het getuigenis van de drie groepen. Van een individu kan worden aangenomen dat hij van nature gemakkelijk te beïnvloeden en zoiets als een visionair* is. Maar dat kon niet gezegd worden van alle twaalf of door alle apostelen. Een vermeende verschijning bij een individu zou iets heel verborgen kunnen zijn geweest, een bedriegerij. Maar dat kon onmogelijk worden gezegd over die keer dat Hij verscheen 500 broeders in een keer. Geen historisch feit wordt beter bewezen dan de opstanding van de Heer Jezus.

Twee mannen die in het midden van de 18e eeuw leefden, Lord Lyttelton en Gilbert West, schreven boeken die beroemd werden. De ene over de bekering van Saulus van Tarsus, de andere over de opstanding van Christus. Beiden waren ongelovig, en beïnvloed door de toen wijdverbreide goddeloosheid geloofden zij, dat de tijd was gekomen om het christendom de doodsteek toe te brengen. Ze kozen deze beide onderwerpen omdat ze geloofden, dat het de pijlers van de christelijke verdedigingslinie  waren. Als men kon bewijzen dat de opstanding een mythe en de bekering van Saulus misleiding was, dan zou de overwinning over het christendom vrijwel zeker zijn. Zij maakten afspraken over hun taken, scheidden zich om hun onderwerpen te bestuderen en schreven hun boeken. Toen ze na al dat werk opnieuw bijeen waren, stelden ze vast dat ze allebei in precies de tegenovergestelde zin hadden geschreven dan ze van plan waren. Beiden waren overtuigd van de echtheid van waaraan ze getwijfeld hadden. De bekering van Saulus was duidelijk waar en de bewijzen voor de opstanding van de Heer Jezus waren volledig en overtuigend.

We kunnen inderdaad met overtuiging en vreugde zeggen: “De Heer is werkelijk opgewekt” (Luk. 24:34). In de vroege dagen van het Sovjet-regime in Rusland, doceerde een zekere “kameraad” Lunacharsky anderhalf uur lang in Moskou tegen het christendom. Hij wilde bewijzen dat het een bijgeloof zonder enig werkelijke grondslag was. Toen hij klaar was, stelde hij een discussie voor, maar verlangde dat geen spreker langer dan vijf minuten mocht opeisen. Een jonge toehoorder kwam zichtbaar ontroerd naar het podium en zei dat hij geen vijf minuten nodig had. Hij stond voor de hele menigte, keek haar aan en riep hen toen met een luide stem de bekende Russische paasgroet toe: “Broeders en zusters, Christus is opgestaan”. En de gehele menigte van het publiek stond als een man op, en als een donderslag weerklonk het antwoord: “Hij is waarlijk opgestaan”. De jonge man wendde zich tot de docenten en zei. “Ik heb niets meer te zeggen”.

Meer hoeft werkelijk niet gezegd worden over dit punt. Het bewijs van de opstanding was al lang veel eerder tot het uiterste beproefd. De waarheid van de opstanding blijft onwrikbaar vast staan.

F.B. Hole, © Bibelstudium

* Visionair = ziener

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM