14 jaar geleden

O, daar te zijn, waar nimmer tranen vloeien

Misschien mag onderstaande brief van een oudere broeder aan zijn jongere vriend jou er ook mee helpen. De brief spreekt voor zichzelf.

Geliefde Alexander,

Jouw brief heeft ons veel verdriet gedaan. “En als een lid lijdt, lijden alle leden mee” (1 Korinthe 12:26). We kunnen je verdriet en pijn goed begrijpen, maar weten ook dat je niet huilt, omdat degene, die zo plotseling uit jullie midden werd weggerukt, in de rust met de Heer is (Filippi 1:23). Maar jouw verdriet is, omdat de persoon met wie je een vriendschappelijke, broederlijke familieband had in de Heer Jezus, er niet meer is. Je hebt ook veel verdriet, omdat je hart verslagen is en vele ogen wenen.

Voor haar, en dat mogen we niet vergeten, is alles goed; zij zou absoluut niet meer naar deze aarde terug willen keren en de heerlijkheid verlaten die zij nu kent. Zij is nu bij Hem Die zij als haar Redder heeft leren kennen en Die zij ook als haar Heer heeft gevolgd. Maar voor hen die achter blijven, betekent het een verbreking, een diepe smart; een verlies, en iets dat lijden doet, omdat de dood een gevolg van de zonde is (“het loon van de zonde”; Romeinen 6:23). Weende de Heer Jezus Zelf niet, vanwege de dood, bij het graf van Lazarus? Wij, de kinderen van God treuren ook. Maar niet zoals zij die deze heerlijke hoop niet hebben (1 Thessalonika 4:13). Wij weten tenslotte waar zij zijn; naar Hem, om voor altijd bij Hem te zijn. Ook weten we op welke “wijze” onze geliefden zijn heengegaan; ze zijn ontslapen in Christus (1 Thessalonika 4:14). Voor hen is er geen moment van gevecht of angst geweest, de Heere Jezus Zelf heeft hen bijgestaan in het moeilijke uur. “Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij” (Psalm 23:4a). Tevens mogen we verzekerd zijn van hun “vertroosting” (Lukas 16:25) en van het feit dat we hen eenmaal terug zullen zien en samen vereend zullen zijn in de bewondering en aanbidding van het geslachte Lam.

Maar wanneer wij wenen, is dit, omdat onze gevoelens zijn geraakt. Je had deze jonge zuster lief in de Heere; je hebt vast en zeker veel dingen samen gedeeld: het dienen van de Heere, vreugde en smart, geheimen. Ze heeft zeker veel voor je betekent. Je weent, omdat je hart lijdt, het is gebroken en gescheiden van haar die een grote plaats in je hart innam. Wees ervan overtuigd dat de Heere Zelf, de God van alle vertroosting (2 Korinthe 1:3) je vertroosten zal; Hij zal je de kracht geven die je nodig hebt, ja, die allen zo nodig hebben die treuren. Hij doet het je misschien niet makkelijk vergeten, maar Hij geeft je de kracht, zowel lichamelijk als geestelijk, om alles onder ogen te zien; Hij gaat met je door deze beproeving.

Soms wenen we ook om onszelf, omdat we zien op onze omstandigheden. Maar de Heere wil nu juist onze aandacht van onszelf afleiden, onze harten richten op Hem en op onze broeders en zusters in Christus. En als we ook de smart van onze broeders en zusters in het geloof delen, hebben we deel aan het lijden van onze Heere.

Aan de ene kant is het heengaan van een gelovige naar de hemel iets prachtigs: het is zijn uiteindelijke reisdoel, hij wordt binnengevoerd in het paradijs; Hij gaat later tenslotte naar het Vaderhuis waar hij in volmaakte vreugde zal leven tot in eeuwigheid.

Maar als God toestaat dat Zijn kinderen lijden, is dit ook vanwege Zijn liefde voor ons. Zelfs de dood kan ons van deze liefde niet scheiden (Romeinen 8:38).

Door het lijden:

  • Wil God ons voorbereiden om anderen te kunnen troosten door die vertroosting die we zelf ontvingen in ons eigen lijden;
  • wil God ons dichter tot Zich trekken, ons losmaken van deze wereld;
  • wil God ons voorbereiden, klaarmaken voor de heerlijkheid, dat we leren dienen met “gebroken vaten” (Filippi 1:29; 1 Petrus 3:14) en onze verwachting op Hem stellen;
  • wil God ons Zijn liefde en bevrijding laten zien zoals in de geschiedenis van Job zo duidelijk naar voren komt.

Er zijn vele gelovigen die zeggen geen spijt te hebben van de doorstane beproevingen, want de Heere was met hen. Niet enkel zijn ze overwinnaars, maar zoals de apostel Paulus schrijft: “meer dan overwinnaars” (Romeinen 8:37). Na zulk een beproeving heeft de Heere veel meer plaats kunnen innemen in hun harten en ze hebben ondervonden hoe sterk de ondersteunende schouder van onze goede Herder is Die hen gedragen heeft. Ze hebben de warmte gevoeld van Zijn borst, toen ze gedragen werden en dit heeft hen verwarmd.

Mijn geliefde Alexander, ik begrijp dat je vele vragen hebt, maar vermijdt de vraag “waarom” dat gebrek aan vertrouwen laat zien in Hem Die jou en mij liefheeft en ons in Zijn Hand houdt. Zouden wij ooit twijfelen aan Zijn liefde? Bewaar echter de wens en het verlangen om goed te luisteren naar wat de Heere jou wil zeggen in deze omstandigheden. In plaats van te vragen “waarom” is het beter de Heer te vragen: “Wat wilt U mij zeggen en wat wilt U mij leren”? We vragen de Heer in onze gebeden of Hij het je duidelijk wil maken.

Maar bovenal, geliefde Alexander, draag jezelf bij Hem op. Proef Zijn vrede die Hij in Zijn hart droeg gedurende Zijn wandel hier op aarde. Deze vrede geeft Hij aan de Zijnen (Johannes 14:27). “Mijn vrede”, zegt Hij. De Zijne, die van het hart, die vrede die in alle omstandigheden wordt ervaren.
Blijf in Hem, ondanks alles, maak alles aan Hem bekend (Filippi 4:4-7) en blijf dicht bij Hem.

O, daar te zijn,
waar nimmer tranen vloeien,
waar ’t hart geen angst, geen zorgen kent noch pijn,
waar doorn noch distel groeien.
O, daar te zijn! O, daar te zijn!
 
O, daar is ’t schoon,
in ’t Vaderhuis der vromen,
daar is geen kruis, dan is de doornenkroon
van ’t buigend hoofd genomen.
O, daar is ’t schoon! O, daar is ’t schoon!
 
O, daar, daarheen,
waar ziekten zijn noch graven.
Dorst hier het hart naar Gods gerechtigheên,
’t kan daar zich eeuwig laven.
O, daar, daarheen! O, daar, daarheen!
 
O, daar zijt Gij,
de bron en Heer des levens.
Daar ben ik thuis, daar van de zonde vrij,
en eeuwig zalig tevens.
O, daar zijt Gij! O, daar zijt Gij!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM