12 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (3)

Wie heeft er vandaag nog de moed om in de puinhopen van het Christendom te gaan bouwen, te gaan herstellen? Wat is daarvoor nodig? Een diepe weg van ootmoed en afzondering van deze wereld en ‘toezondering’ naar de Heer toe … drinken uit de bron van levend water …

Nehemia 2:13-20

Mest- of Aspoort

Bovendien moest de Mest- of Aspoort steeds voor Nehemia’s aandacht staan. Hij ging naar de Mestpoort en niet eraan voorbij. God leidt Zijn knecht op een steeds diepere en nauwere weg. Hij weet immers, wat maaksel wij zijn. Al heeft Nehemia in het licht van God en Zijn Woord geleerd, de weg in ootmoed te gaan (Dalpoort) en de aanbiedingen van de satan af te wijzen (Drakenfontein), het vlees is er nog wel! Het vlees, dat zo vaak met allerlei lusten is bevangen en tot geen enkel goed in staat is. Daar stond Nehemia voor de Mest of Aspoort, die spreekt van de plaats, waar het vuur heeft gewoed om datgene te verdelgen, wat voor God geen waarde heeft. De plaats, waar de oude mens met al zijn hoedanigheden, die niets goeds kunnen voortbrengen, totaal geoordeeld is. Deze plaats is het kruis, waar de Heer Jezus is gestorven. Toen Hij al het afschuwelijke van de mens voor Zijn God bracht, werd Hij geslagen en geoordeeld door het alles doordringende en beproevende vuur van Gods toorn en is gestorven. Op die plaats stond, vanzelfsprekend in type, Nehemia. In het sterven van de Heer is de zonde in het vlees veroordeeld, opdat de rechtvaardige eis van de wet in ons vervuld zou worden (Romeinen 8:3-4). De Heer Jezus heeft het aanvaard, dat Hij buiten de poort werd geworpen. Daar heeft Hij voor ons – en in zeker opzicht ook voor Nehemia – de mogelijkheid geopend om in dezelfde gezindheid te leven en Hem op een God welgevallige wijze na te volgen. Wie ervaart niet in de weg van ootmoed, dat het vlees, de oude natuur, zijn kop weer op probeert te steken? Nehemia, en wij allen met hem, moest iedere keer weer leren en zich bewust worden, dat het vlees God nooit kan behagen (Romeinen 8:8), of we nu weinig of veel voor de Heer doen. De oude mens en zijn werken staan in de dienst God volkomen in de weg. Daarom dienen we het zuurdeeg steeds weg te doen (1 Korinthe 5:7), in gehoorzaamheid te handelen volgens Kolosse 3:5-10 en te openbaren, wat in Kolosse 3:12-16a en Efeze 5:3-5 staat. In dit licht voedde God Zijn knecht op. Dat is wel een totaal andere opleiding dan bijvoorbeeld een seminarium. In Gods school wordt eerst alles van de mens, inclusief zijn aangeboren eigenschappen, weggedaan.

Vervolgens kwam Nehemia bij de muur van Jeruzalem aan. In de geestelijke gezindheid, waarin God hem had gebracht, ging hij na, hoe de toestand van de stad, de muur en de poorten in werkelijkheid was. De zaak overziende, had hij kunnen denken, dat alles verloren was. Wie zou zo’n treurige toestand van Gods volk kunnen herstellen? Wie heeft de moed daaraan te beginnen? Nehemia zag het aan, maar vervolgde toch in gehoorzaamheid Gods weg.

Fonteinpoort

“En ik ging voort naar de Fonteinpoort,” (vers 14). Een fontein doet het water hoog opspringen. Nehemia aanschouwt als het ware de krachtbron, de wonderbare energie, die in staat stelt om een werk van God te verrichten – de fontein, die springt tot in het eeuwige leven. Het is de kracht van de Heilige Geest, Die in iemand werkt door het Woord van God. Wie van het water van de Fonteinpoort drinkt, zal leven en het zal in hem een bron van water worden, dat springt tot in het eeuwige leven (Johannes 4:14). Als iemand uit deze fontein drinkt, zegt de Schrift bovendien, dat stromen van levend water uit zijn buik zullen vloeien. Dat wordt gezegd van hen, die de Heilige Geest ontvangen zouden (Johannes 7:37-39). De werkzame kracht van de Heilige Geest in en door het Woord van God brengt een stroom van zegen voor anderen voort. Dat was ook Nehemia’s doel. Hij was gekomen om het goede te zoeken voor de kinderen van Israël. God had door Jesaja laten profeteren: “Want Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mjn zegen op uw nakomelingen” (Jesaja 44:3). God wil al Zijn knechten hiermee vervullen, opdat er blijvende gehoorzame afhankelijkheid mag zijn en vruchten van de Geest geoogst mogen worden. De Heer Jezus openbaarde dit alles in volmaaktheid tijdens Zijn leven. In de Handelingen gebruikte de Geest de arbeiders van de Heer en gaf hun kracht. In verband hiermee zijn 1 Petrus 1:22 en Galaten 5:22-25 leerrijk.

De Heilige Geest voert de knechten van de Heer ook in verheven sferen, tilt ons boven alle omstandigheden uit en brengt ons “naar des konings vijver, doch daar was geen plaats voor het dier om onder mij door te gaan”. Hij richt onze gedachten op de aantrekkelijkheden en heerlijkheden van de Koning. Toekomstgedachten geven kracht en moed. Ook voor Israël is er toekomst. Ondanks de bedroevende toestand, zal dat volk eens hersteld worden en veilig en in rust wonen onder de zegenende hand van zijn Messias. Dan zal het de ware verkwikking ervaren aan de vijver van de koning (Handelingen 3:19-21). De Heilige Geest voerde Nehemia in Gods gedachten in, zoals Hij dat met al zijn dienstknechten doet. Zij putten al hun kracht uit de tegenwoordigheid van God, zonder op menselijke hulp te steunen. Ze worden bepaald bij de heerlijkheid van de Persoon van Christus en zien er naar uit, eenmaal volkomen en Hem gelijk te zijn. Ze ontvangen kracht uit de hemel – “opdat Hij naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid u geve door Zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens, zodat Christus door het geloof in uw harten woont en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt” (Efeze 3:16-17). Door zo bij Hem en Zijn heerlijkheden bepaald te worden, worden al hun verlangens gestild en heeft elke menselijke bekwaamheid afgedaan. Vaardigheden, intellectuele gaven of voorrechten, een goede positie in de maatschappij, een aangeboren begaafdheid om te spreken … álles, wat we bezitten en waardoor we ons sterk kunnen voelen, moet dan achterblijven, zoals Nehemia zijn rijdier moest achterlaten en geheel alleen voortgaan. Voor niets van deze dingen is er plaats als een knecht zich laat leiden door de Heilige Geest. Hoe zwakker iemand zich in de dienst van zijn Meester voelt, hoe beter God kan werken. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12:9-10).

Dalpoort

Nehemia vervolgde zijn weg in de leerschool van God. “Toen ging ik op, des nachts, door de beek en ik brak aan de muur; en ik keerde weder en kwam in door de Dalpoort; alzo keerde ik wederom” (vers 15). De nacht stelt de geestelijke duistemis, de droevige toestand voor, waarin Gods volk verkeerde. Maar Nehemia ging door de beek. De beek spreekt van de verkwikking door Gods Woord. In de nacht van de wereld hebben Gods kinderen het zo nodig om het goede van de Heer te onvangen. Het aan de muur breken, wil zeggen, dat hij hem onderzocht. Zo maakte Nehemia zich werkelijk één met de uiterst zwakke toestand van het volk. Het volk had elke zekerheid in Christus verloren, had alle recht en gerechtigheid prijsgegeven en bezat geen getuigenis meer in deze wereld. In dit bewustzijn keerde Nehemia terug en ging opnieuw door de Dalpoort, omdat nederigheid en ootmoed de pijlers moeten blijven van elke dienst van God. Dan kan een arbeider van de Heer ook telkens opnieuw rust voor zijn ziel vinden (Mattheüs 11:29).

Nehemia had met niemand over zijn taak gesproken, zelfs niet met de overheden, de leiders van het volk (vers 16). Evenzo ging ook de apostel Paulus niet te rade met vlees en bloed (Galaten 1:16). Nehemia gaf niemand iets te kennen. De joden niet als godsdienstig volk. De priesters niet, die gewend waren in de tegenwoordigheid van God te verkeren. De edelen niet als degenen, die Gods Woord trachtten te handhaven (Handelingen 17:10-11). Evenmin al de anderen, die het werk deden. In de voorgaande verzen zagen we, dat in de dienst van God geen enkele hulp van beneden aangegrepen mag worden. Nehemia had dit van zijn God geleerd en vroeg zelfs geen instemming van welke geestelijke rang ook. Wat een afhankelijkheid openbaarde hij toch, wat kunnen we er allen veel van leren. Het is een weg, waarin God Zijn arbeider opvoedde om goed te doen aan Zijn volk en het getuigenis te dienen.

Samen bouwen

Toen Nehemia tenslotte in het openbaar optrad, sprak hij in eerste instantie niet over zichzelf of over zijn roeping en taak, maar over de toestand van het volk en hun verbondenheid daarmee: “Gijlieden ziet de ellende waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is en haar poorten met vuur verbrand zijn” (vers 17). Hij riep hen op tot activiteit: “Komt en laat ons Jeruzalems muur opbouwen, opdat wij niet meer een versmaadheid zijn”. Samen, niet meer Nehemia alleen, maar samen dienden ze de schouders te zetten onder het getuigenis van de Heer. Opnieuw moesten ze leren, de weg van afzondering van de wereld te gaan (het bouwen van de muur) en recht en gerechtigheid uit te dragen (de poorten), wat de Heer Jezus op aarde aan God en de mensen volmaakt heeft getoond. Het allerbelangrijkste is, dat Gods eer wordt hersteld, de Persoon van de Heer Jezus wordt geopenbaard en de weg van de afzondering wordt vastgehouden. Dat geeft ware zekerheid, veiligheid en genot.

Daarna gaf Nehemia hun te kennen, dat de hand van God goed over hem was geweest en hoe alles bij de koning verlopen was, toen hij daar nog werkte (vers 18). Toen zeiden zij: “Laat ons op zijn, dat wij bouwen”. Ze wilden, met andere woorden, niet slapen, niet moede of mat zijn of allerlei tegenwerpingen aanvoeren, nee … ze wilden bouwen! “En zij sterkten hun handen ten goede”.

Tegenstand

Wanneer God Zijn knechten ten dienste van Zijn volk op aarde met kracht omgordt, laat de satan ook direct zijn macht zien. Hij is immers Zijn grote tegenstander. Hij is hier actief in het drietal Sanballat, Tobia en Gesem (vers 19). Ze bespotten en verachtten het werk van God en trachtten Zijn arbeiders te kleineren. Maar God had Nehemia Zelf al bij de Dalpoort en de Mestpoort zijn eigen geringheid getoond en hem geleerd, oog en hart naar boven te richten en tegelijkertijd aan de Drakenfontein voorbij te gaan. Zo wordt Gods Naam geëerd en Zijn volk gediend.

Nehemia kon de tegenstanders dan ook op de juiste wijze antwoorden (vers 20). En wat een positief antwoord: “God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken”. Dat zijn twee kostbare gedachten. Nehemia had geleerd om op God te vertrouwen:

  1. Wie Hij is en
  2. wat Hij doet.

God had ‘s nachts alle eigen bekwaamheden en andere hulpmiddelen weggenomen. Er was slechts één parool: ‘Wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen!” Op dergelijke wijze hebben ook Petrus en de andere apostelen gesproken. Zie Handelingen 5:29 als voorbeeld: “Men moet God meer gehoorzaam zijn dan mensen”. Ook zij bouwden onder tegenstand van de machten van satan. In de kracht van de Geest (Fonteinpoort) kon niets en niemand Nehemia ervan weerhouden, het werk van God te vervullen. Bovendien gaf hij een duidelijk getuigenis. Allen, die de grote tegenstander dienen, staan buiten. Dat geldt nu in de genadetijd en in de toekomt voor Israël. Zij hebben geen deel, noch op aarde, noch in de hemel (2 Korinthe 6:14-15). Ook hebben ze geen deel aan de gerechtigheid, die God in Christus voor al de Zijnen heeft gewrocht, en evenmin enige gedachtenis in Jeruzalem. Ze hebben geen deel aan de zegen, die er van Jeruzalem uitgaat in het vrederijk en ook geen deel aan het hemelse Jeruzalem, de gemeente, het lichaam van Christus.

Laten wij allen met een voornemen van het hart Nehemia als een groot voorbeeld navolgen tot zegen van Gods volk in onze dagen en tot opbouw van het getuigenis van God op aarde.

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol