12 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (4)

Onze dagen hebben veel overeenkomst met de tijd, waarin Nehemía leefde. De gemeente, het getuigenis van God, is erg vervlakt. De officiële Christenheid heeft zich vandaag in veel opzichten met de wereld verbonden. Velen hebben voor zich de muur van afzondering neergehaald en door menselijke ideeën een deel van de poorten verbrand. Maar in de begintijd was de gemeente ommuurd … Iemand schreef eens: ‘De muur is Christus, God en Zijn Woord’. Zoals toen niet een nieuwe muur gebouwd, maar de oude hersteld werd, zo is het ook nu! …

Nehemia 3:1-2.

In Nehemia vinden we de terugkeer tot of het herstel van de ware godsdienst, volledig gescheiden van de wereld en de daarin heersende systemen, die niet alleen een goed zedelijk leven vereist, maar ook een goed openbaar getuigenis. In dit hoofdstuk wordt ons de herbouw van de muur en de poorten geschilderd. De muur diende niet als versterking tegen de koning (Nehemia 2:19b), maar tot afzondering van alle volken op de aarde, een afzondering naar God toe. Mozes kon tot God zeggen, nadat hij en het volk in Gods ogen genade gevonden hadden: “Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk dat op de aardbodem is” (Exodus 33:16). Samen met de poorten spreekt de muur ook van beschutting tegen alle verkeerde machten en invloeden. De poorten spreken van rechtspraak. De vijand wist heel goed, wat hij deed, toen hij de poorten met vuur verbrandde. Want wat voor nut heeft het, als de muur sterk is en er geen poorten zijn? Waartoe dienen deze muur en de poorten met de grendels? Om hen, die binnen zijn, te beveiligen en hen, die buiten zijn, buiten te houden.

Wij mogen de geestelijke betekenis van de muur en haar poorten in verbinding brengen met de gemeente van God. Onze dagen hebben veel overeenkomst met de tijd, waarin Nehemía leefde. De gemeente, het getuigenis van God, is erg vervlakt. De officiële Christenheid heeft zich in veel opzichten met de wereld verbonden. Velen hebben voor zich de muur van afzondering neergehaald en door menselijke ideeën een deel van de poorten verbrand. Maar in de begintijd was de gemeente ommuurd. Wij lezen immers: “… en van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen” (Handelingen 5:13). Toen werd ook in de poorten rechtgesproken ofwel tucht uitgeoefend (Handelingen 5:1-11). In de loop van de jaren is dat echter langzamerhand anders geworden. Ook in de bedeling van de gemeente werd de muur van de afzondering ten dele neergehaald of is ze gescheurd en werden de poorten met betrekking tot de tucht – in verbinding met toelating en uitsluiting – verbrand. De Christelijke godsdienst verbond zich met de wereld, verviel zelfs tot staatsgodsdienst.

Een broeder schreef eens: ‘De muur is Christus, God en Zijn Woord’ (zie Zacharía 2:5; Jeremía 15:20; Jesaja 26:1 en 60:18). Zoals toen niet een nieuwe muur gebouwd, maar de oude hersteld werd, zo is het ook nu! De Schriftuurlijke muur van de afzondering is er, zoals we zagen in Handelingen 5:13. Het mag verbonden worden met Johannes 20:19, 2 Korinthe 6:14-18, Hebreeën 13:13 en Exodus 33:7. Zodra naast deze bestaande muur een nieuwe gebouwd wordt, is dat een vorm van sektarisme. We kunnen toch niet de waarheid van het éne lichaam van Christus aannemen en tegelijkertijd verschillende menselijke genootschappen en sekten erkennen? De poorten wijzen eveneens alle naar de Heer Jezus. Zoals de poorten gesloten gehouden moesten worden voor verkeerde invloeden, zo geldt dat nu ook voor de gemeente. We kunnen uiterlijk de muur van de afzondering hebben hersteld, ons van de menselijke stelsels afgescheiden hebben en toch binnenlaten, wat niet uit God is. Dat kan de wereld zijn in al zijn vormen, verkeerde leer, verbinding met hen, die de wereld liefhebben, enzovoorts.

Toen in de dagen van Nehemía een gering overblijfsel van de Joden ondanks de verachting de muur van Jeruzalem herstelde, gebeurde dat in Gods kracht. Ze bouwden de poorten weer op om naar Gods gedachten recht te spreken en de mogelijkheid uit te sluiten, dat verkeerde elementen zouden binnendringen. De Heer heeft de namen van deze bouwers in Zijn Woord opgetekend en bewaard. Zien we daarin niet, dat het herstellen van de muur en haar poorten naar Zijn wil was? Zowel de wereld zonder God als de Christelijke wereld kent haar groten, haar Enakieten. Ze worden bejubeld, in de sportwereld, in de kunst of in de bouwtechniek. Maar, wat veel belangrijker is, de bouwers in Nehemía 3 worden door God niet vergeten, worden allen bij naam en met hun werk genoemd in Zijn Boek tot bewaring en lering voor de ware gelovigen (Romeinen 15:4 en 2 Timotheüs 3:16). Zo heeft God ook in het Nieuwe Testament namen geregistreerd van hen, die de muur van afzondering herstelden, alsook de namen van de medewerkers. De apostel Paulus wordt bijvoorbeeld genoemd, met zijn helpers. Hij noemt er in Romeinen 16 door de leiding van de Heilige Geest een hele reeks, waaronder ook vrouwen, net als in Nehemía 3:12b. Zo noemt hij in Filippi 4 Clemens, Euódia en Syntyché, die met Paulus in het evangelie gestreden hebben. Ook Epafróditus, zijn medearbeider en medestrijder (Filippi 2:25). Epafras, die een slaaf van Christus Jezus was (Kolosse 4:12), een Timotheüs en een Tychicus, die de geliefde broeder en trouwe dienaar en medeslaaf in de Heer wordt genoemd (Kolosse 4:7). Zo ook het huis van Stéfanas, “dat zij zich ten dienste van de heiligen hebben gesteld” (1 Korinthe 16:15).

Bij het bouwen werkte een grote verscheidenheid van personen: De hogepriester Eljásib; zijn broeders, de priesters; de goudsmeden; mensen van aanzien; de zoon van een apotheker; oversten over de helft van Jeruzalem, Beth-Chérem, Mizpa, Beth-Zur en Kehila; dochters van een overste; Levieten met hun broeders; de zeer vurige Baruch; de priesters uit de vlakke velden; edelen en oversten, en het overige van het volk. Zo was het ook toen de Heer op aarde was. Hij gebruikte vissers, een arts, eenvoudige tentenmakers en anderen. Zo roept Hij ook nu nog zonder aanzien des persoons Zijn arbeiders tot de dienst, waarvoor Hij hen geschikt acht.

In de dagen van Nehemía waren er nog veel godvruchtige mannen en vrouwen, die zich van harte bereid verklaarden om de muur en de poorten van Jeruzalem weer op te bouwen of te herstellen. Ook in deze tijd mag elke gelovige, die de eer van de Heer en de waarheid verbonden met Zijn Persoon ernstig op zijn hart draagt, op geestelijke wijze hetzelfde werk doen. Elke ware Christen is ook vandaag de dag nog geroepen om de muur van afzondering en bescherming met zijn poorten van toelating en uitsluiting te herstellen.

De Schaapspoort (vers 1-2)

De hogepriester Eljásib (“de HEERE zal terugbrengen”) maakte zich op en werkte samen met zijn broeders, de priesters. De broederband was en is in het werk nog steeds uniek. Ze zijn priesters, die gewend zijn om in Gods tegenwoordigheid te verkeren, en hebben een nauwe betrekking tot hem, wiens naam “de HEERE zal terugbrengen” betekent. In werkelijkheid kan alleen de Heer Jezus, Die nu als de ware Hogepriester verheerlijkt in de hemel is, ons in de tijd van verval tot God terugbrengen. Zou daarom niet de Schaapspoort als eerste worden hersteld? De hogepriester Eljásib en zijn broeders bouwen daaraan, opdat de terugkeer tot God zou kunnen plaatsvinden om dan weer de gemeenschap met elkaar en met God te genieten (l Johannes 1:3-4).

Dit is alleen mogelijk door de Heer Jezus. Hij is de Schaapspoort, de Deur tot deze afgezonderde gemeenschap. Hij heeft in Johannes 10:9 gezegd: “Ik ben de Deur”, en in vers 7: “Ik ben de Deur van de schapen”. Op grond van Zijn volkomen gehoorzaamheid heeft de Deurwachter, God, Hem opengedaan en werd Hij binnengelaten (Johannes 10:3). Elders waren ook anderen naar binnen geklommen, die dieven en rovers genoemd worden (Johannes 10:1 en Ezechiël 34:1-10). De Heer Jezus is de ware Deur van de schapen en wie door Hem naar binnengaat, zal behouden worden. Ja, nog meer, die zal ingaan en uitgaan en weide vinden. Dezen zijn tot God teruggekeerd en hebben bij Hem geen gebrek, zij hebben overvloed. Hij geeft Zijn leven voor de schapen (Johannes 10:15). Wie zou niet graag ingaan door deze Deur? Wie zou niet graag aan Zijn vriendelijke uitnodiging door de mond van de bouwers, zijn dienaren, gehoor geven? Zijn schapen horen en kennen Zijn stem en zij volgen Hem. Aan dit volgen is de wonderbare belofte in Johannes 10:27-30 verbonden. God-zelf stelt deze poort op prijs. Hij doet als de Deurwachter voor Hem open. Welk een voldoening voor het hart van God! Och, dat de bouwers in deze tijd de Schaapspoort met ijver en met een warm hart mochten herstellen! Toen de Heer op aarde was, dwaalden de Joden rond als schapen, die geen herder hebben (Markus 6:34). Gelukkig is de ware Schaapspoort op aarde gekomen en heeft Zijn leven afgelegd. Hij zit nu verheerlijkt aan Gods rechterhand. Hij blijft de enige Poort, waardoor we behouden kunnen worden. De broeders van de verheerlijkte Hogepriester, Die als Enige tot God kan brengen, dienen in deze tijd van verval de Schaapspoort duidelijk en zichtbaar te herstellen en aan de verloren-gaande mensheid op juiste wijze voor te stellen. Brengen wij terug tot God? De apostel Paulus had zich voorgenomen om alleen God tevreden te stellen, alleen een slaaf, een bouwer van Christus te zijn (Galaten 1:10).

De deuren van de Schaapspoort werden opgericht en zij heiligden haar tot aan de toren Mea, tot aan de toren Hanáneël. Een toren spreekt van kracht en zekerheid (Psalm 61:4; Spreuken 18:10 en 2 Samuël 22:51a). Mea betekent “honderdvoud” en Hanáneël “gift of genade van God”. De Schaapspoort, de Heer Jezus, leidt tot de volheid van Gods genade (Johannes 1:16). De honderdvoudige genade is een gift van God en de enige kracht tot behoudenis – de kracht van God (Romeinen 1:16). Twee keer heiligden zij haar, zonderden haar af tot eer en sieraad voor God. God had in Zijn gedachten deze Schaapspoort bewaard, al lang in Zijn kostbaar Woord vastgelegd (Ezechiël 34:11-16a). Gods hart was vervuld met zorg voor Zijn schapen, die geen herder hadden. Hij wilde ze in Zijn grote liefde door middel van de ware Schaapspoort terugbrengen in vette weiden, door middel van Zijn Knecht (Jesaja 42:13), door Wie God verheerlijkt zou worden (Jesaja 49:3 en 6). Daar is het beschreven in verbinding met Israël en wel in het bijzonder voor de toekomst. Toch mogen wij het voor ons geestelijk toepassen. De toegang tot God lag in Gods gedachten bewaard (Zacchur) en als rijkdom (Imri) in Zijn Woord vastgelegd.

In Maleáchi 2:6-7 lezen wij over Levi: “De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. Want de lippen van de priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des HEEREN der heirscharen”. Zo had Eljásib moeten zijn, maar hij bracht geen sloten en grendels aan, zodat de deuren in de poort niet konden worden afgesloten. De gevolgen daarvan worden later zichtbaar in Nehemía 13:4-5 en 28. Ten opzichte van zijn kinderen heeft hij de deuren van deze wonderbare Schaapspoort niet kunnen sluiten voor het binnendringen van de wereld.

Zij, die meehielpen om te herstellen, deden dit in directe verbinding met de hogepriester. Heeft de Heer Jezus in Zijn leven niet hetzelfde geopenbaard? In Johannes 5:19-20a lezen we van Hem: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen; want alles wat Die doet, dat doet ook de Zoon evenzo. Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hijzelf doet”. Nog eens zegt de Heer in vers 30a: “Ik kan van Mijzelf niets doen”. We zien als het ware de Zoon aan de hand van Zijn Vader in alles het Hem opgedragen werk uitvoeren, volgens het plan van Zijn Vader. Tot de bouwers van deze tijd zegt de Heer: “Zonder Mij kunt gij niets doen” (Johannes 15:5b). De apostel Paulus zegt tegen de Filippiërs: “Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft” (Filippi 4:13). Hij arbeidde als het ware aan de hand van de ware Hogepriester, in gemeenschap met Hem.

In dit hoofdstuk komen we het meerdere keren tegen: “En aan hun hand bouwden (of verbeterden) de mannen van …”. Daaruit blijkt de aaneen-geslotenheid, de verbondenheid, de band van eenheid in het bouwen. Is dat geen bijzondere aansporing voor de bouwers, de broeders, de priesters, in onze tijd van verval om niet alleen aan de Schaapspoort, maar aan elke poort afzonderlijk steeds zo te bouwen?

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol