11 jaar geleden

Overdenking over Nehemia (18)

Maja de bij 3

What’s in a name? Op de afbeelding zien we (heel vaag rechtsboven) Maja de bij. Ook in de augustusmaand ‘zoemt’ zij er lustig op los. Een lust ook om eens rustig naar te kijken. Op deze bloem is zij in haar element. En wij … zijn wij ook in onze element als wij in de bijbel bijvoorbeeld al die lange lijsten van namen lezen? Wat moeten we toch eigenlijk met al die geslachts-registers en lijsten met namen? Toch moet het wel belangrijk zijn, anders zou God er niet zo’n groot deel van Zijn Woord aan wijden. Dat wij de betekenis van deze namenlijsten niet altijd begrijpen, is iets anders. Omdat het lezen ervan ook niet direct geestelijke gevoelens in ons hart oproept, besteden we er meestal weinig tijd aan. Deze mensen waren echter allemaal teruggekeerd uit Babel, de “verwarring”. Ze hadden gehoor gegeven aan de oproep van God om naar Jeruzalem te gaan, naar de plaats, die de HEERE God uitgekozen had om daar te wonen. De namen van allen, die in Babel bleven, worden niet vermeld. Welke les ligt hierin voor ons! … De muur spreekt van afzondering, maar ook van bescherming en veiligheid voor hen, die daarbinnen wonen. Maar waarom wordt de muur pas hier ingewijd, terwijl die in Nehemia 6:15 al voltooid was? Ik geloof, dat de onderwerpen in het laatste deel van dit Boek niet naar historische, maar naar geestelijke volgorde gerangschikt zijn. Historisch gezien heeft de inwijding van de muur waarschijnlijk direct na de voltooiing van de muur plaatsgevonden. De mededeling daarvan komt pas nu, omdat eerst de innerlijke toestand van het volk in orde dient te zijn … Hoe is het daarmee bij ons? …

Hoofdstuk 12:1-36

What’s in a name?

Evenals in Ezra 2:1-64 en Nehemia 7:5-66 een naamregister wordt gevonden, worden hier de namen opgesomd van “de priesters en de Levieten, die met Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua optogen” uit Babel naar Jeruzalem (vers 1-26). De priesters en Levieten verrichtten de dienst in het huis van God. Dat hun namen opnieuw vermeld worden, bewijst dat God grote waarde hecht aan deze dienst. Vooral in een tijd van grote zwakte is het belangrijk, dat deze dienst in getrouwheid wordt uitgeoefend en dat het volk wordt aangespoord om in te stemmen met de lof en dank die aan God wordt gebracht. In de Bijbel komen veel geslachtsregisters en lijsten met namen voor. Dat moet wel belangrijk zijn, anders zou God er niet zo’n groot deel van Zijn Woord aan wijden. Dat wij de betekenis van deze namenlijsten niet altijd begrijpen, is iets anders. Omdat het lezen ervan ook niet direct geestelijke gevoelens in ons hart oproept, besteden we er meestal weinig tijd aan. Deze mensen waren echter allemaal teruggekeerd uit Babel, de “verwarring”. Ze hadden gehoor gegeven aan de oproep van God om naar Jeruzalem te gaan, naar de plaats, die de HEERE God uitgekozen had om daar te wonen. De namen van allen, die in Babel bleven, worden niet vermeld. Hierin ligt een les voor ons! Zijn wij op de plaats, die God uitgekozen heeft om daar te wonen? Kan God ook onze namen in Zijn gedenkboek schrijven? Kan Hij daarin vermelden, wat wij voor Hem gedaan hebben? De Levieten, die de leiding hadden over de dankzeggingen (vers 8) en die tot taak hadden om te prijzen en te danken (vers 24), worden apart vermeld. De wachters worden genoemd (vers 9) en de portiers (poortwachters), die de wacht hielden bij de schatkamers van de poorten (vers 25). Zowel de zangers als de portiers hadden een belangrijke taak in het huis van God. De namen van zes hogepriesters staan opgetekend: Jésua, Jójakim, Eljásib, Jójada, Jónathan en Jaddúa (vers 10-11). Deze opeenvolging van hogepriesters herinnert aan Hebreeën 7:23-27. Onder het oude verbond waren er veel (hoge)priesters nodig. Als een oude priester stierf, nam een jongere zijn taak over. In deze Brief wordt de Heer Jezus als de volmaakte Hogepriester voorgesteld. Omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft Hij een onveranderlijk priesterschap. Hij blijft voorgoed Priester, zodat er niemand anders meer nodig is. Omdat Hij altijd zal blijven leven, zal Hij er altijd zijn om onze belangen bij God te behartigen. Daarom is Hij precies de Hogepriester, Die wij nodig hebben. Al de hier genoemde priesters en Levieten leefden in de dagen van de hogepriester Jójakim van de landvoogd Nehemia en van de priester-schriftgeleerde Ezra (vers 26). Het waren gedenkwaardige dagen, het was een belangrijke tijd, belangrijk in Gods ogen. Toen is het heiligdom gebouwd en de muur rondom Jeruzalem hersteld.

De inwijding van de muur

Vervolgens wordt vanaf vers 27 de feestelijke inwijding van de muur van Jeruzalem beschreven. In het Oude Testament komen vaker plechtige feesten ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen voor: Toen David de ark haalde uit het huis van Obed-Edom en die naar Jeruzalem bracht (1 Kronieken 15:25-16:36), bij de inwijding van de tempel van Sálomo (2 Kronieken 5:3-14 en 7:4-11) en bij het leggen van de fundamenten van de tempel na de ballingschap (Ezra 6:16-18). Al deze feesten staan in verbinding met het huis van God. Dat er steeds zo’n groot feest gevierd werd, is geheel in overeenstemming met het karakter van het Oude Testament. De tempel was de woonplaats van de HEERE God en de plaats van eredienst en aanbidding voor het volk Israël. Het was “een aardse dienst” in “een wereldlijk heiligdom” (Hebreeën 9: l). Daarbij horen een prachtig gebouw, schitterende muziek en plechtige feesten. Nu hebben zulke plechtige inwijdingen geen zin. God woont nu niet in een stenen gebouw (Handelingen 7:47-50). Er is nu “een geestelijk huis” (1 Petrus 2:4-5; Hebreeën 3:6; Efeze 2:19-22 en 1 Korinthe 3:16-17) en een geestelijke dienst (Johannes 4:22-24 en 1 Petrus 2:5). In Hebreeën 10:20 wordt gesproken over de nieuwe en levende weg, die de Heer Jezus “ons heeft ingewijd”, dat is “geopend” of “toegankelijk gemaakt”. Waarom wordt de muur pas hier ingewijd, terwijl die in Nehemia 6:15 al voltooid was? Ik geloof, dat de onderwerpen in het laatste deel van dit Boek niet naar historische, maar naar geestelijke volgorde gerangschikt zijn. Historisch gezien heeft de inwijding van de muur waarschijnlijk direct na de voltooiing van de muur plaatsgevonden. De mededeling daarvan komt pas nu, omdat eerst de innerlijke toestand van het volk in orde dient te zijn. Dat wordt beschreven in Nehemia 9:1-2 en 10:28-31. Woekerende en met de volken vermengde joden passen niet bij zo’n plechtige inwijding. Als alles hersteld en het kwaad weggedaan is, kan de inwijding plaatsvinden. In de Boeken Ezra en Nehemia vinden we deze volgorde:

  • Terugkeer van het volk uit Babel;
  • de tempel en de muur worden herbouwd;
  • de innerlijke toestand van het volk wordt getoond, en
  • plechtige inwijding van de muur van Jeruzalem.

De muur is een beeld van uiterlijke afzondering. De innerlijke afzondering moet eraan voorafgaan en ermee overeenstemmen. De Goddelijke volgorde is “eerst van binnen, dan naar buiten”. Als eerst van binnen alles goed is, is er ook innerlijke kracht. Pas daarna kan er kracht naar buiten uitgaan. Dit geldt zowel voor ons persoonlijk als gemeenschappelijk. In onze dagen willen velen graag toenemen in aantal en een getuigenis zijn voor de wereld. Dat kan alleen in de Bijbelse volgorde! Handelingen 9:31 zegt daarover: “De gemeenten dan, door heel Judéa, Galiléa en Samaria hadden vrede en werden opgebouwd en wandelden in de vreze des Heren, en zij namen toe door de vertroosting van de Heilige Geest”. Wat is er een verschil tussen dit gedeelte en Psalm 137:1-6, wat een verandering heeft er plaatsgevonden (vers 27). De zangers zwegen lange tijd. In Babel hingen de harpen aan de wilgen. In het vreemde land, op vreemde grond was het hun onmogelijk om de Heer een lied te zingen. Nu wordt er weer gezongen met vreugde en met dankzegging, met cimbalen, luiten en harpen (Hooglied 2:11-12). De muur wordt feestelijk ingewijd met gezang en muziek tot eer van God. De Levieten werden gezocht of opgeroepen, naar Jeruzalem te komen om daar de feestelijke inwijding te verrichten. Ze toonden hier een zekere onverschilligheid. Het is net of zij geen haast hebben om erbij te zijn. Die onverschilligheid wordt bij de zangers niet aangetroffen (vers 28-29). In verband met hun dienst in Gods huis vestigden zij zich in de dorpen rondom Jeruzalem, de plaats van Zijn huis. Het is goed, zo dicht mogelijk te wonen bij de plaats, waar de Heer Jezus de Zijnen vergadert, opdat wij daar onze aanbidding brengen en onze diensten vervullen kunnen. De muur spreekt van afzondering, maar ook van bescherming en veiligheid voor hen, die daarbinnen wonen. Binnen de muren van Jeruzalem woonden de Israëlieten, die waren teruggekeerd uit Babel, wat het herstel van Gods volk betekende. Met de terugkeer is ook weer een begin gemaakt met het dienen van God in de tempel. Wij zijn ook teruggekeerd uit de verwarring en als gelovigen bij elkaar gebracht in een stad, “medeburgers van de heiligen” (Efeze 2:19). Ook voor ons zijn de muren nodig. We dienen ons af te zonderen van het kwaad rondom ons. In dit verband zijn de drie namen uit vers 29 belangrijk:

  • Het huis van Gilgal, dat ziet op de weg van zelfvernedering en het wegdoen van het vlees Jozua 5:2-9; Romeinen 7:18 en 8:8);
  • de velden van Geba (“verhoging”) en
  • van Azmáveth (“kracht op de weg”).

Alleen bij de weg van zelfvernedering kan God ons geestelijke verhoging geven en ons helpen met kracht van boven. Echt zingen tot eer van God kan nooit vanuit het vlees, niet door zelfverhoging, niet vanuit onze eigen menselijke kracht. Geestelijke vreugde gaat altijd samen met kennis van eigen zwakheid en tekortkomingen. Daarom is eerst de reiniging nodig.

Eerst innerlijke reiniging, daarna dienst

De priesters en Levieten reinigden eerst zichzelf, daarna het volk, de poorten en de muur (vers 30). Steeds weer dienden zij zichzelf te reinigen om de dienst voor God te kunnen uitoefenen. Het was een kenmerk van de bedeling van de wet (2 Kronieken 29:5 en 35:6). De hogepriester moest dagelijks eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers offeren, daarna voor die van het volk (Hebreeën 7:27). De reiniging van de priesters in de tabernakel gebeurde door het wassen van de handen en voeten (niet in, maar) met water uit het koperen wasvat (Exodus 30:17-21), beeld van het Woord van God. Laten ook wij dagelijks onze voeten reinigen om deel te kunnen hebben met de Heer Jezus (Johannes 13:8-10). Dit is “de wassing met water door het Woord” (Efeze 5:26). Ook praktisch gezien is deze volgorde belangrijk: Hoe zou ik anderen kunnen reinigen, de voeten kunnen wassen, als mijn eigen voeten bezoedeld zijn? De Heilige Geest onderwijst ons: Als we bezoedeld zijn, moeten we dat eerst veroordelen en wegdoen, voordat we een dienst voor de Heer kunnen uitoefenen. Eerst dienen we de balk uit ons eigen oog weg te doen, voordat we de splinter uit het oog van onze broeder kunnen wegdoen (Mattheüs 7:3-5). Als we willen offeren en herinneren ons, dat onze broeder iets tegen ons heeft, dan dienen we onze gave vóór het altaar te laten, eerst heen te gaan, ons met onze broeder te verzoenen en daarna te komen om te offeren (Mattheüs 5:23-24). Een gelovige hoeft niet te zondigen, maar kan het wel. Als we niet waakzaam zijn en toegeven aan het vlees, zondigen wij. Gelukkig heeft God hiervoor een voorziening getroffen: “Als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige” (Johannes 2:1-2). Dan treedt de Heer Jezus voor ons tussenbeide bij de Vader. Als antwoord op die voorspraak bewerkt de Heilige Geest, dat wij onszelf veroordelen, berouw hebben en onze zonden belijden. “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (1 Johannes 1:9). Als de priesters en Levieten, het volk, de poorten en de muur gereinigd zijn, kan de plechtigheid van de inwijding van de muur beginnen. De reiniging heeft allereerst tot doel, God te verheerlijken, Die in het midden van Zijn volk wil wonen. Voor Gods huidige woonplaats op aarde geldt nog steeds: “De heiligheid is Uw huis sierlijk, HEERE! tot lange dagen” (Psalm 93:5; 1 Korinthe 3:9 en 16).

Hoe moet de inwijding plaatsvinden? De twee koren …

Nehemia staat te midden van allen, die samengekomen waren. Hij heeft inzicht van God gekregen, hoe de inwijding moet plaatsvinden. Volgens Gods gedachten dient het gezang en de muziek een stijgende lijn te hebben en het brengen van slachtoffers tot gevolg te hebben, wat in vers 43 met een grote vreugde gepaard gaat, ook van de vrouwen en de kinderen. Als tweede gevolg worden in vers 44-47 offers van weldadigheid en mededeelzaamheid gebracht. Om tot dit geestelijk hoogtepunt te komen, stelt Nehemia twee grote dankkoren op, die in tegengestelde richting over de muur gaan, totdat ze op hetzelfde punt aankomen. Maar eerst laat hij de vorsten, de oversten van Juda op de muur opgaan (vers 31). De vorsten zijn de mannen, die van God een bijzondere plaats en taak gekregen hebben onder het volk en voorgaan. Ze stammen af van Juda en zijn dus Godlovers. Achter de vorsten volgen de dank- of zangkoren. Ze gaan hun weg over de muur, totdat ze in het huis van God aankomen. De muur is breed genoeg, er was ruimte voor allen om erover heen te lopen: Allen, die de weg van afzondering willen gaan als getuigen van de Heer, hebben de ruimte om die weg samen met anderen te gaan. Elk heeft zijn eigen plaats en verantwoordelijkheid. Het einddoel van de weg is het huis van God. Eerst passeerde het éne dankkoor echter de Mest- of Aspoort. Deze poort spreekt van de plaats, waar het vuur van Gods oordeel geweest is, waar de Heer Jezus als onze Plaatsvervanger het oordeel droeg over onze vuile zonden. In het sterven van Christus is onze oude mens met alles, wat God zo onteerde, geoordeeld (Leviticus 1:16; 6:10-11 en Kolosse 3:3-10). Welke gevolgen heeft dit voor ons? Hoe mogen wij nu leven? “Wij weten, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is ( … ) opdat wij niet meer de zonde dienen” (Romeinen 6:6). “Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is” (2 Korinthe 5:15). “Zij die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met de hartstochten en begeerten” (Galaten 5:24). Zo gaat het eerste dankkoor, gaan wij op weg naar het huis van God. We gaan in het gevoel van eigen onmacht, in het besef, dat we met Christus gestorven zijn, nadat we alles in ons leven hebben veroordeeld, wat niet tot Zijn eer is. Als we zo op weg zijn en onze vreugde in Christus vinden, zal dat Gods hart verblijden. De samenstelling van het eerste koor wordt vermeld, terwijl Ezra voor hun aangezicht ging (vers 32-36). Ezra had er zijn hart op gezet “om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten”. Hij was schriftgeleerde van de woorden van de geboden en inzettingen van de Heer voor Israël (Ezra 7:10-11). Hij liep voor het eerste koor uit, terwijl Nehemia in vers 38 bij het tweede heel bescheiden achteraan liep. Toch moet het voor Nehemia een belangrijke dag geweest zijn. Zijn grote doel, het herstellen van de muren van Jeruzalem (Nehemia 1:3 en 2:8), is bereikt. Het eerste dankkoor gaat op weg “met muziekinstrumenten van David, de man Gods”. Een man Gods is iemand, die in zijn handel en wandel en in zijn dienst de eigenschappen van God openbaart. De hulpmiddelen, die het koor ondersteunen, zijn van David, de “beminde van de Heer”. Zo heeft de Heer Jezus, de ware “Beminde van de Heer”, de lofzang aan in het midden van de verlosten (Hebreeën 2:12 en Psalm 22:23).

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW