11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (17)

Juli 2008. Dit huis, of eigenlijk deze ruïne, die ik tijdens mijn vakantie zag, ligt eenzaam en verlaten in de Schotse heuvels. Wat triest … Dit wacht toch op herstel, op terugkeer naar zijn oorspronkelijke staat? Ook de christenheid vandaag lijkt meer op een ruïne dan op het huis van God. Niet dan? … Met welk doel liet God het volk uit Babel terugkeren? In de eerste plaats om de tempel, het huis van de Heer, de God van Israël te bouwen. De tempel herbouwd en de muur van Jeruzalem voltooid. Nu was het van groot belang en de wens van God, dat de dienst van het huis van God ook goed zou blijven functioneren. Maar ook diende Jeruzalem de stad van de grote Koning, weer bevolkt te zijn als straks de grote Koning Zelf zou komen. Het volk zegende of prees al de mannen, “die vrijwillig aanboden te Jeruzalem te wonen”. Zelf gingen ze niet vrijwillig, misten daarvoor de geestelijke kracht, maar ze bewonderden toch de mensen, die wel die kracht bezaten om naar Jeruzalem te gaan. Misschien begrepen ze, welke voorrechten zij daar zouden genieten. Het is ook nu een groot voorrecht voor een gelovige om vrijwillig en met een aan God toegewijd hart te zijn op de heilige plaats, waar God in de Geest woont. Ook nu merken gelovigen de toewijding van mede-gelovigen op, bewonderen hun dienst voor de Heer, hoewel ze er zelf misschien niet de moed en kracht voor hebben. Het middelpunt van Jeruzalem was de tempel, de woning van God. Deze plaats was voor de Israëlieten liefelijk, waard om lief te hebben, want het was de plaats, waar God in het midden van Zijn volk woonde. Die heilige plaats is nu daar, waar God in de Geest wil wonen (Efeze 2:22), waar de Heer Jezus in het midden wil zijn van de twee of drie, die tot Zijn Naam samenkomen (Mattheüs 18:20). Kennen we deze plaats? En waarderen wij deze plaats of verachten wij haar misschien? En … hoe is met onze dienst van en voor Hem, de “binnen- en buitendienst”? En kennen wij ook de dienst van de ‘poortwachters’, niet te verwarren met de ‘uitsmijters’ van onze dagen? De laatsten zijn zij die zich laten voorstaan op hun door zichzelf aangemeten – of door anderen wel of niet opgedrongen – gezag …

Nehemia 11:1-36

Het wonen en bijeenkomen in Jeruzalem

In het vorige hoofdstuk wordt het huis van God tien, in dit hoofdstuk vijf keer genoemd en neemt dus blijkbaar in Zijn gedachten een belangrijke plaats in. Israël dacht hier het eerst aan de eer van God, wat ook voor ons het belangrijkste is. Met welk doel liet God het volk uit Babel terugkeren? In de eerste plaats om de tempel, het huis van de Heer, de God van Israël te bouwen. Koning Kores gaf in Ezra 1:2-3 de opdracht: “De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem dat in Juda is, en hij bouwe het huis van de HEERE, de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont”. Intussen was de tempel herbouwd en de muur van Jeruzalem voltooid. Nu was het van groot belang en de wens van God, dat de dienst van het huis van God ook goed zou blijven functioneren. Maar ook diende Jeruzalem de stad van de grote Koning, weer bevolkt te zijn als straks de grote Koning Zelf zou komen. Want “in de menigte des volks is de heerlijkheid van de koning; maar in gebrek aan volk is de verstoring van een vorst” (Spreuken 14:28). Na in de voorgaande hoofdstukken (Nehemia 7:4-10:39) met de innerlijke toestand van de teruggekeerden uit Babel bezig te zijn geweest, richt Nehemia zich nu op de uiterlijke dingen, die ook belangrijk zijn.

De oversten, de bestuurders van het volk woonden te Jeruzalem (vers 1), omdat daar de zetel was van het bestuur. Volgens Nehemia 7:4 was de stad ruim en groot, terwijl het inwonertal echter gering was. Er waren maar weinig huizen, de rest van de stad lag nog in puin. Nehemia 11:1 sluit eigenlijk aan op Nehemia 7:4. Natuurlijk was de stad niet gebouwd om zonder inwoners te blijven. Het zou dan ook zinloos zijn om de stad te verdedigen. God had nu het volk geschikt gemaakt om bijeen te komen door middel van het Woord (Nehemia 8) en door hen af te zonderen van de heidenen (Nehemia 9). Ze dienden dit samenkomen nu ook in praktijk te brengen: Jeruzalem moest weer bevolkt worden. Daarom werd, volgens de gewone joodse manier om beslissingen te nemen, het lot geworpen. Van alle tien joden moest er één in Jeruzalem gaan wonen. De negen anderen mochten dan in andere steden en dorpen blijven.

Terwijl dezen gedwongen werden, waren er gelukkig ook mensen, die vrijwillig in Jeruzalem gingen wonen (vers 2). Wat een vreugde zal dat geweest zijn voor Gods hart. Het getuigde van liefde en toewijding. Ze kenden Zijn gedachten over de heilige stad. Hoewel God in het verleden Nebukadnézar zond om de stad te verwoesten, bleef de stad toch kostbaar in Zijn ogen. De psalmist zegt: “Bidt om de vrede van Jeruzalem; wèl moeten zij varen, die u beminnen” (Psalm 122:6). Voor het bijeenkomen in de heilige stad was veel zelfverloochening en toewijding nodig. Laten we bedenken, dat een vrome Israëliet bijzonder gehecht was aan zijn erfdeel. Hij moest nu zijn wijnstok en vijgenboom achterlaten en afstand doen van alles, waaraan hij met recht gehecht was, omdat God hem dit alles had toevertrouwd. De vrome Israëliet wist echter ook, met welk doel hij dat alles moest prijsgeven. Hij wist, dat Sion “de heilige stad” was, dat God haar had uitverkoren en haar liefhad boven alle woningen van Jakob (Psalm 87:2). Misschien waren deze overwegingen voor hem de beweegreden om “de heilige stad” meer lief te hebben dan zijn eigen woning. Evenals in Psalm 48:2-4 en 13-14 wordt in Psalm 87:3 de heerlijkheid van Jeruzalem bezongen: “Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods!”

Het volk zegende of prees al de mannen, “die vrijwillig aanboden te Jeruzalem te wonen”. Zelf gingen ze niet vrijwillig, misten daarvoor de geestelijke kracht, maar ze bewonderden toch de mensen, die wel die kracht bezaten om naar Jeruzalem te gaan. Misschien begrepen ze, welke voorrechten zij daar zouden genieten. Het is ook nu een groot voorrecht voor een gelovige om vrijwillig en met een aan God toegewijd hart te zijn op de heilige plaats, waar God in de Geest woont. Ook nu merken gelovigen de toewijding van medegelovigen op, bewonderen hun dienst voor de Heer, hoewel ze er zelf misschien niet de moed en kracht voor hebben. Het middelpunt van Jeruzalem was de tempel, de woning van God. Deze plaats was voor de Israëlieten liefelijk, waard om lief te hebben, want het was de plaats, waar God in het midden van Zijn volk woonde. Die heilige plaats is nu daar, waar God in de Geest wil wonen (Efeze 2:22), waar de Heer Jezus in het midden wil zijn van de twee of drie, die tot Zijn Naam samenkomen (Mattheüs 18:20). Kennen we deze plaats? Hebben we haar lief boven elke andere plaats, gebouwd door de mens? Ook nu is er geestkracht en moed voor nodig om “in Jeruzalem” te gaan wonen. Daar is het altaar, daar is Christus, het Woord van God, daar is afzondering (Hebreeën 13:10-13). Om daar te komen en te blijven, is het niet alleen nodig om Gods gedachten te kennen over ons gedrag in deze dagen van verval, maar ze ook in gehoorzaamheid in praktijk te brengen. Zij, die nu vrijwillig “in Jeruzalem” wonen, worden niet altijd geprezen, maar veeleer bestreden en veracht.

Jeruzalem bevond zich toen niet in de door God gewenste toestand, maar de stad zou weer bewoond worden. In de dagen van Nehemia had God de heilige stad lief, maar ook in de heerlijke toekomst. Elke grootheid van de volken zal dan wegvallen, ja, door God geoordeeld worden. “En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal haar bevestigen. De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela. En de zangers gelijk de speellieden, alsook al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn” (Psalm 87:5-7). Men zal in rijen dansen en zeggen: Al mijn bronnen zijn in u. “Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd” (Psalm 132:13-14). In Jesaja 33:20 wordt Jeruzalem “de stad van onze bijeenkomsten” genoemd. In de toekomst zal Jeruzalem “dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en van de beesten” (Zacharía 2:4), zal Israël met vreugde water scheppen uit de fonteinen van het heil (Jesaja 12:3). Water is een beeld van het Woord van God. Bij een fontein is sprake van stromend of levend water, wat spreekt van de werking van de Heilige Geest in het Woord. Hij past het toe op hart en geweten (Johannes 4:14; 7:37-39 en 1 Petrus 4:11). Wij kennen ook fonteinen, waaruit we tot onze vreugde water mogen scheppen. Als we vergaderd zijn rondom het Woord, wil de Geest ons zegenen. Hij zal altijd Christus in het middelpunt plaatsen en Hem verheerlijken.

Hij richt onze harten op de hemelse stad van God, waar nooit geen afwijking meer zal zijn, waar geen verkeerde gedachten en verlangens meer worden gevonden. Daar zullen al onze bronnen voortdurend in Hem zijn. We mogen met de Psalmist zeggen: “Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn (bij hen, die zich vrijwillig aanboden). Als zij door het dal der moerbeibomen (de stad, waar geen huizen waren en weinig mensen woonden) doorgaan, stellen zij Hem (Die hun vrijwillig hart vulde) tot een Fontein; ook zal de regen (de zegen van de hemelse genade) hen gans rijkelijk overdekken. Zij gaan van kracht tot kracht, een ieder van hen zal verschijnen voor God in Sion” (Psalm 84:6-8). Waarom wilde de pelgrim van Psalm 84 zo graag naar Jeruzalem? Omdat daar de tempel stond, Gods huis. De woningen van de Heer waren liefelijk voor hem. Ook nu is er een huis van God op aarde. Ik denk nu niet aan het huis, zoals het geworden is door de ontrouw van de mensen, niet aan de christenheid in het algemeen, maar aan het huis van God, dat bestaat uit levende stenen, uit ware gelovigen. Dit huis is een heilige tempel in de Heer (1 Korinthe 3:16-17 en 1 Petrus 2:4-5).

Het nieuwe Jeruzalem

Het is opvallend, dat in Openbaring 21:9-22:5 de verheerlijkte gemeente voorgesteld wordt als de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem. Het is een beschrijving van de heerlijkheid van de gemeente tijdens het duizendjarige rijk. Terwijl het aardse Jeruzalem dan geen muur heeft, heeft deze stad, die neerdaalt uit de hemel, wel een muur. Die grote en hoge muur van de gemeente leert ons, dat de bruid van Christus altijd een afzonderlijke plaats heeft. Alle volken van de aarde zullen in het vrederijk genieten van de zegeningen onder de heerschappij van Christus, maar de gemeente is op een bijzondere wijze met Hem verbonden en zal met Hem heersen. De huidige muur stemt tot droefheid, vanwege het verval maar de toekomstige muur stemt nu al tot dank en blijdschap.

Algeheel herstel …

Terwijl de getrouwe joden hier in de goede toestand zijn en God hun zegeningen schenkt, is hier toch geen sprake van een algeheel herstel van Israël. Slechts een klein gedeelte van de stammen Juda en Benjamin was teruggekeerd uit Babel. Mogelijk zijn er ook enkelen van andere stammen bij geweest. Uit Lukas 2:26 blijkt bijvoorbeeld, dat Anna uit de stam van Aser was. De tien stammen in z’n geheel zijn echter tot op de dag van vandaag niet aanwijsbaar. In Zijn raadsplannen met het oude volk heeft God, toegelaten, dat ze opgegaan zijn in de volken van de aarde. Maar de Bijbel leert, dat ze ná de verschijning van de Heer Jezus op aarde terug zullen keren naar het beloofde land. Dan zal het hele volk in veiligheid en vrede wonen onder het bestuur van hun Messias (Ezechiël 20:33-44; 34:13; Jeremia 31:34 en Hebreeën 8:10-12) en als geheel de gezindheid openbaren, die hier bij een overblijfsel wordt gevonden. Dan zal Jeruzalem volkomen zijn opgebouwd, zullen er geen bergen meer rondom haar zijn, maar zal zij zelf verheven op een berg liggen en het omringende land vlak gemaakt zijn (Psalm 125:2 en Zacharía 14:10). Dan zullen de straten van Jeruzalem niet verlaten zijn, maar oude mannen en vrouwen zullen zitten op haar straten, die vol zullen zijn met spelende jongens en meisjes, wonderlijk in de ogen van het overblijfsel in die dagen (Zacharía 8:4-6). Er zal zelfs te weinig plaats zijn voor hen, die daar wonen (Jesaja 49:20).

Vervolgens worden de namen van hen vermeld, die in Jeruzalem woonden (vers 3), wat in de dagen van de heerlijkheid van Salomo blijkbaar niet nodig was. Het moet voor God wel heel belangrijk zijn geweest, dat in de dagen van Nehemia mensen in Jeruzalem wilden wonen. Daarom moest hij door de Geest geleid deze namen opschrijven. Ze kregen een plaats in de Heilige Schrift.

Wat deden zij?

In Jeruzalem woonden 468 mannen uit Juda (vers 4-6) en 928 uit Benjamin (vers 7-8), bijna het dubbele aantal uit de kleinste stam. Van de mannen uit Juda wordt speciaal vermeld, dat zij dappere mannen waren. Naar de betekenis van hun naam waren ze mannen, die God loofden, dankten en prezen, maar ze waren ook dapper. God wist, wat ze deden, maar ook wat hun innerlijke toestand was. Hij weet, wat wij voor Hem doen, maar ook waarom wij het doen, wat onze motieven zijn. Hij vergeet het niet.

Dan is er een zekere Joël (“wiens God de HEERE is”) opziener over hen (vers 9). Opzieners waren door de Heilige Geest gesteld om de gemeente van God te hoeden (l Timotheüs 3:1-7; Titus 1:7-9 en Handelingen 20:28). Wie, in overeenstemming met Gods gedachten, streeft naar het opzienerschap, begeert een voortreffelijk werk. Op zijn persoonlijk leven mag niets aan te merken zijn. Zijn huwelijk gezin, handel en wandel, alles dient in overeenstemming te zijn met Gods gedachten. Hoe zal hij anders zorg kunnen dragen voor Zijn gemeente? Een zekere Juda was de tweede over de stad, het plaatsvervangend hoofd. Hij had onder Gods volk een gave van bestuur ontvangen. Zo iemand moet leiding geven, maar behoort ook een voorbeeld te zijn, het volk voor te gaan en met geestelijke raad en daad terzijde te staan. Hij mag niet zijn eigen eer zoeken, maar Gods eer, behoort in zijn dienst God te loven en te verheerlijken.

Totaal waren er 1192 priesters, waarvan er 822 het werk in Gods huis deden (vers 10-12a). Serája (“die voor de HEERE strijdt”) was een voorganger van Gods huis. In het huis van God nu, de gemeente, zijn ook voorgangers. Zij worden volgens Gods Woord niet aangesteld, hebben geen ambtelijke dienst. In Hebreeën 13:7 en 17 worden de Hebreeën opgeroepen, hun voorgangers te gedenken, die het Woord van God tot hen gesproken hadden. Terwijl deze voorgangers hun dienst vervulden, hadden ze het zowel geestelijk als lichamelijk heel moeilijk, omdat de gelovige Hebreeën toen in nood en druk verkeerden (Hebreeën 10:32-36). Daarom worden de Hebreeën, het einde (eigenlijk “de uitgang” in de zin van afloop) van hun wandel te beschouwen en hun geloof na te volgen. God wil, dat we aan onze voorgangers gehoorzaam en onderdanig zijn, omdat zij over onze zielen waken. Een voorganger is een ieder, die voorgaat in het spreken vanuit het Woord, in het weiden van de kudde, of in het doen van goede werken. Dezulken volgen hun Heer en Heiland, zoeken niet hun eigen belang en vertonen de eigenschappen van hun Meester.

Priesterdienst

De 822 priesters deden het werk in het huis van God. Zo verrichten in Titus 2:1-10 allerlei mensen, ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, vrijen en slaven, een werk in het huis van God. Door dit werk goed te doen, wordt de leer van God, onze Heiland, in alles versierd. Wij mogen als priesters een werk doen in Gods huis, mogen bereiders van het reukwerk van de specerijen zijn, mogen het spijsoffer toebereiden – het reine vlekkeloze leven van de Heer Jezus tot op het kruis, mogen de toonbroden met hun geestelijke betekenis op hun plaats neerleggen (1 Kronieken 9:30-32).

Afstamming

Er waren 242 priesters, die hoofden der vaderen waren, familiehoofden (vers 12b-13a). Zij konden aantonen, tot welke stam zij behoorden, namelijk tot de stam van Levi. De joden bewaarden hun afstamming door middel van geschreven lijsten, geslachtsregisters. Zo’n bewijs van afstamming was voor een jood een heel gewaardeerd bezit. Ze mochten hun priesterlijke dienst uitoefenen, omdat ze nakomelingen van Aäron waren, in tegenstelling tot hen uit Ezra 2:59-63 en Nehemia 7:61-65. Een christen is uit God geboren en kan zijn afstammings-bewustzijn alleen bewaren door in gehoorzaamheid aan Zijn Woord te wandelen, in de kracht van de Heilige Geest. Dan getuigt ook onze geest, ons innerlijk, dat wij kinderen van God zijn (Romeinen 8:14-17). Het is een voorrecht om zeker te weten, priesters te zijn. We kunnen het aantonen en getuigen, dat we door de nieuwe geboorte uit God stammen. In die zekerheid mogen we de priesterlijke dienst uitoefenen.

De laatste 128 priesters waren dappere helden (vers 13b-14). Een zekere Zabdiël (“geschenk van God”) was opziener over hen.

Het dienen buiten het huis van God – de Levietendienst

Het aantal in Jeruzalem wonende Levieten was 284 (vers 15-18). Een deel van hen had de leiding over “het buitenwerk van het huis Gods”, ter onderscheiding van de dienst in het huis van God zelf. Altijd dreigt het gevaar om deze dienst te vergeten of te verwaarlozen. In Handelingen 6:1 werden bijvoorbeeld weduwen in de dagelijkse bediening over het hoofd gezien, waar echter gelukkig direct in die nood wordt voorzien. In Hebreeën 13:15 volgt direct op het lofoffer brengen aan God: “… en vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet”. Barmhartigheid bewijzen (Romeinen l2:8) en hulpbetoningen (1 Korinthe 12:28) vallen ook onder deze dienst. Dorkas in Handelingen 9:36-39 en Fébe (Romeinen 16:1-2) strekken tot voorbeeld. Van deze buitendienst van het huis van God zegt Galaten 6:1-2 en 10, dat we elkaars lasten dienen te dragen en het meest goed behoren te doen aan de huisgenoten van het geloof. De Levieten hadden tijdens de woestijnreis de zorg voor de onderdelen van de tabernakel. Toegepast hebben nu ook wij Levieten nodig, die tijdens onze reis de waarheid tot in de details bewaren en uiteenzetten. Zijn er onder ons nog Levieten, die bijvoorbeeld de waarheid van het huis van God handhaven?

Lofoffers brengen

Het hoofd, dat de dankzegging begon in het gebed, was Matthánja (“gave van de HEERE”). Hij was de leider, die bij het gebed de lofzegging aanhief, en stamde uit het geslacht van Asaf. In 1 Kronieken 25:17 wordt over de zonen van Asaf onder andere gezegd, dat ze op harpen profeteerden en de Heer dankten en loofden. Wat mooi, dat ze bij het gebed niet vergaten om de Heer te danken en te loven. Laten ook wij volharden in het gebed en daarin waakzaam zijn met dankzegging (Kolosse 4:2 en 1:3), onophoudelijk bidden en in alles dankzeggen (1 Thessalonika 8:17-18) en Zijn lof verkondigen (Jesaja 43:21). Het is goed om de Heer te loven (Psalm 92:2), om voortdurend door Christus een lofoffer te brengen aan God (Hebreeën 13:15).

Poortwachters

De 172 portiers (poortwachters) hielden de wacht in de poorten (vers 19). In Nehemia 7:3 blijkt, wat de verantwoordelijke taak van de poortwachters inhield: Ze moesten erop toezien, dat zij, die de stad binnen wilden gaan, ook het recht daartoe hadden. Zo waren er ook bij de tempel portiers. Ook daar kon niet zo maar iedereen naar binnen gaan. Wie daar een dienst wilde uitoefenen, moest kunnen aantonen, dat hij daartoe bevoegd was (Nehemia 7:61-65). In Gods gemeente zijn eveneens poortwachters nodig. We leven in een tijd van verval en het kwaad is binnengeslopen. Veel mensen geven zich uit voor christen, terwijl ze in werkelijkheid niet opnieuw geboren zijn. De poortwachters moeten onderzoeken of iemand, die zich aanmeldt om binnen te komen, toegelaten mag worden. Bezit hij werkelijk nieuw leven? Leeft hij niet in kwaad en is hij er niet mee verbonden? Zolang er onzekerheid over deze dingen bestaat, moet de poort gesloten blijven.

Al deze priesters, Levieten, zangers en portiers uit vers 10-19 woonden in Jeruzalem. Allen hadden een plek om daar te wonen en iedereen had zijn eigen specifieke taak. De overige Israëlieten, priesters en Levieten woonden in al de steden van Juda, ieder in zijn erfdeel (vers 20). Uit al de namen en getallen in dit hoofdstuk blijkt, dat God niemand van de teruggekeerden uit het oog verloren heeft. Hij kent ze allen en weet ook waar ze wonen. Elk van de Levieten woonde “in zijn erfdeel”. Wellicht zullen deze woorden in de toekomst voor het overblijfsel in het land van grote waarde zijn. Jahweh weet ook, waar zij dan wonen, “een ieder in zijn erfdeel”. Dan zullen ze met de psalmist David zeggen: “De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden” (Psalm 16:6). In de harten van al deze mensen was het verlangen geweest om terug te gaan naar Jeruzalem en dat na een ballingschap van zeventig jaren in Babel. Het zou geen wonder geweest zijn, als ze zich in Babel thuis gevoeld hadden. Er was alle aanleiding geweest om Jeruzalem te vergeten. Als dit al niet bij de ballingen het geval was, die zelf uit Jeruzalem weggevoerd waren, dan had het toch heel gemakkelijk bij hun kinderen zo kunnen zijn. Die waren in Babel geboren en hadden Jeruzalem nooit met hun eigen ogen gezien, maar nu zijn zij teruggekeerd naar hun stad, die ze nooit hadden kunnen vergeten (Psalm 137:1-6).

Orde in het huis van God

De Nethinim of tempelhorigen woonden in Ofel (vers 21). De Ofel was een heuvel ten zuiden van het tempelcomplex, hoorde bij de Davidsstad, en lag buiten de nieuwe muur, maar dichtbij de tempel. Door de Waterpoort kwamen ze bij de tempel (Nehemia 3:26). Hoewel Israël toen leefde in een tijd van verval en zwakheid, vervulde toch iedereen zijn dienst in getrouwheid, alsof alles in orde was. Wat de dienst in het huis van God betrof, was hun herstel volkomen. Ze handhaafden de Goddelijke orde in de heilige dingen van Zijn huis. God ziet en waardeert dat. Hierin zijn ze een zwak voorbeeld van het toekomstig herstelde Israël, waar alles volmaakt zal zijn.

De zangers

Van de kinderen van Asaf waren er zangers “voor het werk van Gods huis” (vers 22). Naar 1 Kronieken 23:30-31 dienden de zangers elke morgen en avond gereed te staan om de Heer te loven en te prijzen. Zang en muziek was van grote betekenis in de tempeldienst. Onder deze zangers speelden de zonen van Asaf een belangrijke rol (1 Kronieken 25:1). De oorsprong van deze zangers ligt in de dagen van David (Nehemia 12:46). God waardeert deze zangers, wat daaruit blijkt, dat ze speciaal vermeld worden. Horen wij ook bij de zangers, die door de inhoud van geestelijke liederen de dienst in het huis van God ondersteunen (1 Korinthe 14:26; Kolosse 3:16 en Hebreeën 13:15)?

Op Israël rustte de plicht om de zangers, die Levieten waren, te onderhouden (vers 23). Het volk had plechtig beloofd, dat te zullen doen (Nehemia 10:37). Deze belofte werd in het begin trouw uitgevoerd (Nehemia 12:44-47), maar de teruggekeerden waren weinig in aantal en arm, terwijl ze ook nog belasting moesten betalen aan de heidense koning. Later blijkt, dat de zorg voor de zangers hen te zwaar is geworden (Nehemia 13:10). De bijdragen voor de Levieten waren niet gegeven, zodat ze zelf in hun onderhoud moesten voorzien. Als ze echter in hun armoede tot God hadden opgezien, had Hij wel voor uitkomst gezorgd.

Vertegenwoordiger

Petáhja, uit de stam van Juda, was de vertegenwoordiger van de joden bij de heidense koning (vers 24). Dit herinnerde het volk er voortdurend aan, dat Israël Lo-Ammi was – niet meer Gods volk op aarde. Hoewel een deel van het volk was teruggekeerd uit Babel en de eredienst hersteld, hoewel Jeruzalem weer een muur had, waren en bleven ze onderworpen aan heidense machten. God wilde, dat ze dit niet zouden vergeten, omdat het een gevolg was van hun zonden. Gelukkig hebben wij een betere Vertegenwoordiger bij het allerhoogste gezag – onze verheerlijkte Heer aan Gods rechterhand. Daar vertegenwoordigt Hij in alles het volk, dat Hij uit de wereld heeft verlost.

Slot

Vervolgens wordt getoond, waar de kinderen van Juda en Benjamin woonden (vers 25-36). Een ieder woonde op de plaats, die God hem had aangewezen. Berséba wordt tot twee keer toe genoemd -”bron van de eed(zwering)”. Hierbij mogen we denken aan de beloften van God in verbinding met Israël. In vers 35 is sprake van het dal van de werkmeesters of het handwerkersdal. In de toekomst zullen zij hun werk verrichten tot eer van God. Dat is in onze tijd niet altijd het geval, zoals bijvoorbeeld bij de werklieden in Efeze (Handelingen 19:25). Al deze mededelingen zullen in de toekomst door de teruggekeerden uit de grote verdrukking met grote belangstelling worden geraadpleegd.

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM