11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (12)

De poortwachters in het huis van God behoren erop toe te zien, wie binnengelaten worden. Toen bijvoorbeeld Saulus op de weg naar Damaskus tot bekering gekomen was en zich bij de discipelen in Jeruzalem trachtte te voegen, werd hij niet onmiddellijk tot de gemeente toegelaten. De poortdeuren bleven voor hem gesloten, omdat “zij allen voor hem vreesden, daar zij niet geloofden dat hij een discipel was”. Pas toen Barnabas hem bij de apostelen bracht en hun vertelde, wat er met hem gebeurd was, gingen de deuren van de gemeente in Jeruzalem voor hem open. In onze dagen van verval en vervlakking en vooral in landen, waar het grootste deel van de mensen belijdt Christen te zijn, zijn de poortwachters meer dan ooit nodig …

Nehemia 7:1-73

Nehemia stelt poortwachters, zangers en Levieten aan, nadat de muur gebouwd was en de poortdeuren opgericht waren (vers 1). De poortwachters moesten erop toezien, wie de stad binnenkwam en daardoor ook toegang had tot Gods huis. De zangers hadden de leiding in de lofprijzing tot eer van God. De Levieten waren de helpers van de priesters bij hun werk in het heiligdom.

Poortwachters

De poortwachters in het huis van God behoren erop toe te zien, wie binnengelaten worden. Toen bijvoorbeeld Saulus op de weg naar Damaskus tot bekering gekomen was en zich bij de discipelen in Jeruzalem trachtte te voegen, werd hij niet onmiddellijk tot de gemeente toegelaten (Handelingen 9:26-27). De poortdeuren bleven voor hem gesloten, omdat “zij allen voor hem vreesden, daar zij niet geloofden dat hij een discipel was”. Pas toen Barnabas hem bij de apostelen bracht en hun vertelde, wat er met hem gebeurd was, gingen de deuren van de gemeente in Jeruzalem voor hem open. In onze dagen van verval en vervlakking en vooral in landen, waar het grootste deel van de mensen belijdt Christen te zijn, zijn de poortwachters meer dan ooit nodig. Elke gelovige, elk lid van het lichaam van Christus heeft in beginsel zijn plaats aan de tafel van de Heer. Wie binnen wil komen behoort net als Saulus het bewijs te leveren, dat hij is, voor wie hij zich uitgeeft. Het is de plicht van de poortwachters, dat bewijs te beoordelen. Als zij hierin slordig zijn, kan dit fatale gevolgen hebben voor het getuigenis. Vergelijk Ezra 2:59-63; Nehemia 7:61-65; Romeinen 16:17; 2 Korinthe 6:14-18; 1 Timotheüs 5:22; 2 Timotheüs 2:19-23 en 3:5.

Zangers

De zangers waren in 1 Kronieken 6:31-47 aangesteld door David om de zang in het huis des HEEREN te leiden, nadat de ark haar rustplaats gevonden had. Zij vevulden hun ambt overeenkomstig het hun gegeven voorschrift. Het waren Heman, de zoon van Kahath, Asaf, de zoon van Gersom, en Ethan, de zoon van Merári, de drie zonen van Levi. De zangers waren dus Levieten. Deze wonderbare dienst van lof en dank werd uitgeoefend in de tegenwoordigheid van de Heer. Ze waren vrij van elke andere dienst (1 Kronieken 9:33) – dag en nacht dienden ze met hun werk bezig te zijn. God woont onder de lofzangen van Israël (Psalm 22:4). De zonen van Korach vormden een bekende groep van zangers. In 2 Kronieken 20:19 en 21 oefenden zij hun dienst niet uit in het heiligdom, maar in het leger van Jósafath. Hij moest oorlog voeren tegen de Moabieten en Ammonieten. Wie liepen vooraan? De zangers! Zij zongen: “Looft de HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid”. Een volk, dat zo de vijand tegemoet trekt, is onweerstaanbaar. Psalm 84 is één van de Psalmen, die geschreven zijn door de Korachieten. Zij kunnen zeggen: “Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadig” (Psalm 84:5). Tijdens de ballingschap in Babel was de lust om te zingen echter vergaan (Psalm 137). Het volk zat aan Babels rivieren, ze weenden als ze Sion gedachten en hadden hun harpen aan de wilgen gehangen. Die hen gevangen hielden en mishandelden wilden, dat zij een vrolijk lied zouden zingen: “Zingt ons één van de liederen Sions”. Maar zij antwoordden: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Nu de ballingschap voorbij is en zij weer wonen in Jeruzalem, wordt er weer ter ere van God gezongen. Als in Nehemia 12:27-43 de muur van Jeruzalem wordt ingewijd, worden de Levieten opgeroepen uit al hun woonplaatsen. Zij komen naar Jeruzalem om de feestelijke inwijding te verrichten met lofzangen en liederen, met cimbalen, luiten en harpen. Verder liepen er twee grote dankkoren in tegengestelde richting over de muur, die later werden opgesteld in het huis van God. De zangers lieten zich horen onder leiding van Jizráhja. Het gevolg was een grote vreugde, zodat de vreugde van Jeruzalem van verre gehoord werd.

De apostel Paulus was een man, die God door liederen voortdurend prees. Toen hij bijvoorbeeld schreef over het volk Israël en de genadegaven en de roeping van God, die onberouwelijk zijn, en over Zijn barmhartigheid, komt hij tot de vreugdevolle uitroep: “O diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! (…) Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen” (Romeinen 11:33-36). Andere voorbeelden van zulke spontane lofuitingen, die waarschijnlijk ontleend zijn aan oudchristelijke liederen, vinden we in 1 Korinthe 1:30-31; Efeze 1:3-7 en Kolosse 1:12-14. In Efeze 5:19 zegt hij: “Spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Heer in uw hart” (vergelijk Kolosse 3:16-17). Zelfs in de gevangenis te Filippi, onder naar de mens gesproken heel ongunstige omstandigheden, baden Paulus en Silas, prezen God met lofgezangen en de gevangenen luisterden naar hen (Handelingen 16:25). Eens komt de tijd, misschien heel spoedig, dat de volmaakte lofzang in ons eeuwig tehuis zal opstijgen (Openbaring 5:9).

Levieten

De Levieten waren bestemd “tot allerlei dienst van de tabernakel van het huis van God” (1 Kronieken 6:48). Volgens Numeri 3:5-13 nam de Heer de Levieten in plaats van de eerstgeborenen en schonk hen aan Aäron en zijn zonen, de priesters. Tijdens de reis door de woestijn waren de Levieten de dragers van de tabernakel en al het gereedschap. Ze bestonden uit drie geslachten Gersonieten, Kehathieten en Merárieten. Elk geslacht had zijn speciale taak (Numeri 3:14-39). Toen in de dagen van David de ark een vaste rustplaats vond in Jeruzalem, hoefden de Levieten de tabernakel en al zijn dienstgerei niet meer te dragen (1 Kronieken 23:26). In Nehemia 8:8-10 geven zij het volk onderricht in de wet. Ze hadden een taak te vervullen ten behoeve van de Israëlieten. Hun taak kan toegepast worden op de arbeiders in de dienst van de Heer, die de waarheden van Gods huis bekendmaken. Zie voor die waarheden aangaande de tempel van God bijvoorbeeld 1 Korinthe 3:16-17; Efeze 2:19-22; Hebreeën 3:6 en 1 Petrus 2:5. Het is nodig te weten, hoe wij ons in Zijn huis moeten gedragen (1 Timotheüs 3:15). Timotheüs was ook zo’n Leviet. Paulus had hem aangespoord, nog in Efeze te blijven om daar een dienst te verrichten in de naam van Paulus (1 Timotheüs 1:3). Hij verrichtte zijn dienst ten behoeve van de gemeente trouw. Hij is hierin een voorbeeld voor alle dienstknechten van de Heer, voor alle Levieten, die binnen de muur van afzondering en veiligheid zijn en daar hun dienst verrichten. Zij hebben tot taak, hun gave uit te oefenen met liefde tot de waarheid van het huis van God, in de kracht van Hem, Die in de Geest in dat huis woont, en in gemeenschap met de Zoon van Zijn liefde.

In vers 2 stelt Nehemia twee mannen aan over Jeruzalem. Allereerst zijn broeder Hanáni (“de HEERE geeft gunst of genade”), die hem in Nehemia 1:2 attent maakt op de toestand van het volk en van Jeruzalems muur en poorten. Als tweede wordt Hanánja (“de HEERE beschut”) aangesteld over Jeruzalem, de overste, van de burcht. Het waren dus mannen, die bekend waren met de gunst en de genade van de Heer, die wisten, dat de Heer hen zou beschutten in de hun toevertrouwde zware taak. Hanánja was zelfs betrouwbaar en godvrezend boven velen. Aan zulke mannen kon Nehemia een verantwoordelijke taak geven. Zo kon Paulus een goed getuigenis geven van Timotheüs en hem zo’n verantwoordelijke taak geven. “Ik heb niemand van gelijke gezindheid als hij, die zo trouw uw belangen zal behartigen” (Filippi 2:19-22; 1 Korinthe 4:17; 1 Timotheüs 1:3-4 en 4:11-16). In Efeze 6:21-22 noemt Paulus Tychicus “de geliefde broeder en trouwe dienaar in de Heer”. Hij stuurde hem naar de gelovigen in Efeze om hen bekend te maken met zijn omstandigheden, daar hij in de gevangenis te Rome zat.

Hanáni en Hanánja waren belast met het bestuur over Jeruzalem moesten onafgebroken waakzaam zijn. Nehemia geeft hen instructies: “Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt” (vers 3). Zolang er nog enige donkerheid of onzekerheid was ten aanzien van hen, die binnengelaten wilden worden, moesten de poorten gesloten blijven. Zolang er nog gegronde bezwaren zijn, wanneer iemand toegelaten wil worden tot het huis van God en zijn plaats wil innemen aan de tafel van de Heer, dienen de poorten gesloten te blijven, totdat de Geest van God duidelijkheid geeft. Met deze beiden waren alle inwoners van Jeruzalem verantwoordelijk voor het toelaten van personen tot de stad. Zij moesten wachtposten opstellen, “een ieder tegenover zijn huis”. Zo werden alle burgers van Jeruzalem ingedeeld bij de beveiliging van de stad. De veiligheid was alleen verzekerd, als allen de wacht hielden tegenover hun huis. Jeruzalem was, wat de inwoners van haar maakten. Zo is ook iedere broeder en zuster mee verantwoordelijk bij het toelaten en uitsluiten. Het samenkomen is, wat zij, die ertoe behoren, ervan maken. Aan de inwoners van Jeruzalem werden duidelijke voorschriften gegeven, hoe de bewaking van de stad moest plaatsvinden. Iedereen wist, wat hem of haar te doen stond. Ook aan de gemeente zijn wat dit betreft duidelijke voorschriften gegeven. Ook in onze dagen van verval kunnen wij weten, hoe wij moeten handelen. Een belangrijke regel is: “Ieder die de Naam van de Heer noemt, onttrekke zich aan ongerechtigheid”. Dit is heel persoonlijk. Daarna komt de opdracht, ons te reinigen van de vaten tot oneer (2 Timotheüs 2:19-21). Vaten tot oneer zijn óf naamchristenen zonder leven uit God, óf gelovigen, die zich verontreinigd hebben door verkeerde verbindingen en daardoor onbruikbaar zijn geworden. Van zulke vaten dienen wij ons te reinigen om “een vat tot eer te zijn, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, geschikt voor alle goed werk”. Er kunnen in het huis van God niet alleen verkeerde personen binnenkomen, maar ook verkeerde gebruiken, die ontleend zijn aan het jodendom of heidendom. Bijvoorbeeld een afzonderlijke priesterstand en de zogenaamde Christelijke feesten. Het is een grote genade van God, zich nog binnen de muur te bevinden. Wel is het nodig, dat allen waakzaam zijn. Vooral in onze gezinnen is waakzaamheid geboden. Als ik geen tucht heb over mijzelf, als er geen tucht is in onze gezinnen, dan kan er ook geen ware tucht in het huis van God zijn. Als ik wereldsgezind ben geworden, als de werelds-gezindheid in onze gezinnen is binnengeslopen, dan komt dat ook in het huis van God. Als deze les uit Nehemia 7:3 ter harte genomen wordt, ieder de wacht houdt en zorg draagt voor zijn eigen huis, dan is er ook in de gemeente een openbaring van orde, van veiligheid, van heerlijkheid en van vreugde naar Gods gedachten en, tot Zijn verheerlijldng. In Jesaja 62:6 lezen we over wachters op de muren van Jeruzalem, die God heeft aangesteld. Zij zullen de gehele dag en nacht niet zwijgen, maar voortdurend roepen tot God. Zo behoren ook de poortwachters, ja wij allen, steeds tot God te roepen om wijsheid, opdat de poorten op de juiste tijd worden geopend of gesloten.

Wonen in of buiten Jeruzalem …

“De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch het volk was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd” (vers 4). Veel vernielde huizen waren blijkbaar nog niet opgebouwd, zodat er nog grote open ruimten waren in Jeruzalem. Veel mensen gaven er de voorkeur aan, buiten Jeruzalem te wonen (Nehemia 11:1-2). Zelfs het lot moest geworpen worden om één op de tien aan te wijzen, die in de heilige stad moesten gaan wonen. Die er vrijwillig gingen wonen, werden geprezen. Uit alles blijkt, dat het een tijd van zwakheid en kleine kracht was. Er was maar een klein overblijfsel teruggekeerd naar Israël. De grote massa van het volk was in Assyrië en Babel gebleven. Zo is het geestelijk gezien nu ook. Maar gezegend zijn zij, die nu al vrijwillig wonen in Jeruzalem binnen de muur van veiligheid. De grondslag van de gemeente is groot en wijd genoeg om ieder gehoorzaam kind van God binnen haar muren op te nemen. Er is immers maar één lichaam, het lichaam van Christus (Romeinen 12:45 en Efeze 4:4). Hij is het Hoofd van dat lichaam, de gemeente (Efeze 4:15; Kolosse 1:18 en 24b). Als wij Hem de plaats laten, die Hem toekomt (“laten” en niet “toekennen”, want wij, die onderworpen zijn aan het Hoofd, hebben niets toe te kennen), dan is ook nu de grondslag groot en wijd genoeg, dan is er plaats voor ieder gehoorzaam kind van God: jood en heiden, slaaf en vrije, man en vrouw.

Zekerheid

Toch zijn er maar weinigen, die zich op de grondslag van het éne lichaam bevinden. Velen geven er de voorkeur aan, buiten Jeruzalem te wonen. Het wonen in Jeruzalem vereist geestelijke kracht en zelfverloochening. De vertrouwde omgeving, huis en soms familie moet verlaten worden. Eén belangrijk punt wordt echter vergeten: God had Jeruzalem uitverkoren. Het is de plaats, waar Hij woont en Zijn dienst wordt uitgeoefend. Uiterlijk gezien is daar voor de mens niets aantrekkelijks. Er waren niet voldoende huizen, er moest gestreden worden. Er is geen plaats voor het vlees. De, gerekend naar menselijke maatstaf, groten van de aarde, de edelen en intellectuelen, bevinden zich daar niet. Bij de geestelijke dienst van de gemeente heeft gewijde muziek geen plaats, evenmin als zichtbare priesterkleding. Vaak zijn er maar weinig gaven om de dienst waar te nemen, terwijl de dienst met veel zwakheid wordt uitgeoefend. Men komt niet samen in prachtige kathedralen, maar in gewone lokalen en soms in een huis. Waarom nemen zo weinigen de plaats van afzondering in? Allereerst, omdat deze plaats niet aantrekkelijk is voor het vlees, maar ook omdat men zichzelf niet wil verloochenen en ten derde, omdat veel mensen wat hun behoudenis betreft niet zeker zijn.

In de dagen van Nehemia konden velen niet aantonen, dat ze tot het volk Israël behoorden, en velen konden niet bewijzen, dat ze bevoegd waren om het priesterambt uit te oefenen (Nehemia 7:61-65). Veel mensen nu zijn niet zeker van hun behoudenis, kunnen niet aantonen, dat ze tot Gods volk behoren, kunnen hun priesterschap niet bewijzen. Deze onzekerheid en verwarring is ontstaan door de vermenging van de Christenheid met de wereld, vooral met de godsdienstige wereld. Het wordt zelfs ontkend, zeker te kunnen zijn betreffende de behoudenis. Ze beweren, dat pas later zal blijken, of men al of niet behouden is. Mensen, die geen zekerheid hebben van hun behoudenis, kunnen natuurlijk niet aanzitten aan de tafel van de Heer (1 Korinthe 10:15-21). Er is bij hen trouwens ook geen behoefte om uitdrukking te geven aan de eenheid van het lichaam (1 Korinthe 10:17).

Binnenkort zullen Jeruzalems straten niet meer leeg zijn. Geweldig is de profetie van Zacharia over Jeruzalem in het vrederijk: “Alzo zegt de HEERE: Ik ben weergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen, en Jeruzalem zal genoemd worden een stad der waarheid, en de berg van de HEERE der heirscharen een berg der heiligheid. Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok, in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen. En de straten van die stad zullen vervuld worden met jongens en meisjes, spelende op haar straten” (Zacharia 8:3-8). In die tijd zal er zelfs een tekort aan ruimte, zal Jeruzalem overbevolkt zijn (Jesaja 49:19-20). Het zal dan een bijzondere eer zijn, in Jeruzalem geboren te zijn (Psalm 87:5-6).

Na de nodige maatregelen voor de veiligheid van de stad Jeruzalem getroffen te hebben, begint Nehemia het volk te ordenen. Het is een onderzoek naar de echtheid van de aanspraak van elk lid van het volk op de plaats, die hij innam of wilde innemen. Veel Israëlieten waren, misschien door vermenging met heidenen, niet meer in staat om hun geslachtsregister te tonen. Zulke personen hadden geen recht, tot het volk van God gerekend te worden. Nu de muur gebouwd was, kon zo’n vermenging met de volken niet meer getolereerd worden. Dit onderzoek was niet zomaar een inval van Nehemia. Nee, God had hem in zijn hart gegeven, dat te doen (vers 5). Hij kon gebruik maken van reeds bestaande geslachtsregisters van hen, die waren opgetrokken uit Babel, die waren samengesteld in de tijd van Jésua en Zerubbábel. In Ezra 2 vinden we deze lijst. Aan de hand daarvan kon worden nagegaan, of iemand bij Gods volk hoorde en in Jeruzalem mocht wonen.

De Heer heeft het goedgevonden, dat de lijst van de uit Babel teruggekeerden nog eens werd opgetekend in de Bijbel (vers 6-69). Dit bewijst wel, dat Hij hieraan grote waarde hecht. Zo heeft deze dubbele lijst al ongeveer 2500 jaar een plaats in het Woord van God. De Heer wil niet, dat deze namen vergeten worden. Dat is veel belangrijker dan alle eer van mensen, dan bijvoorbeeld een standbeeld op aarde. Voor ons geldt de vraag: Is mijn naam al opgeschreven in de hemelen, geschreven in het boek van het leven van het Lam (Lukas 10:20; Filippi 4:3 en Openbaring 21:27)? Zijn wij ook bereid, bij te dragen tot het werk en tot de tempelschat (vers 70-72)? In vers 73 worden ons tenslotte zeven groepen van mensen getoond, die woonden in hun steden.

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM