11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (11)

Ondanks alle aanvallen van de vijand van buitenaf en van binnenuit hielden Nehemia en zijn medewerkers stand. Als resultaat van hun volharding was een geweldig werk tot stand gekomen. Ze deden naar hun vermogen alles, wat hun hand vond om te doen. Ze zaaiden hun zaad in de morgen en lieten hun hand tegen de avond niet rusten. Ze waren standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer. Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem en de andere vijanden hoorden, dat de muur gebouwd en daarin geen scheur overgelaten was. Alleen de poortdeuren waren nog niet aangebracht. Tegen zo’n muur van afzondering zal satan altijd zijn aanvallen richten. Het boek Nehemia laat dat duidelijk zien. Allerlei vormen van tegenstand zijn voor onze aandacht geweest: Ontstemming, verachting, woede, spot en een samenzwering. Nehemia sloeg echter de openlijke aanvallen van de vijand af en behaalde de overwinning. Nu vinden we een andere vorm van tegenstand. Als alle middelen niet hebben geholpen, past de vijand een andere tactiek toe, namelijk list. Hij probeert Nehemia met list bij de muur weg te lokken. Lukte dat ook?

Nehemia 6:1-19

Aanvallen van buitenaf

Ondanks alle aanvallen van de vijand van buitenaf en van binnenuit hielden Nehemia en zijn medewerkers stand. Als resultaat van hun volharding was een geweldig werk tot stand gekomen. Ze deden naar hun vermogen alles, wat hun hand vond om te doen (Prediker 9:10). Ze zaaiden hun zaad in de morgen en lieten hun hand tegen de avond niet rusten (Prediker 11:6). Ze waren standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer (1 Korinthe 15:58). Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem en de andere vijanden hoorden, dat de muur gebouwd en daarin geen scheur overgelaten was (vers 1). Alleen de poortdeuren waren nog niet aangebracht. Tegen zo’n muur van afzondering zal satan altijd zijn aanvallen richten. Het boek Nehemia laat dat duidelijk zien. Allerlei vormen van tegenstand zijn voor onze aandacht geweest: Ontstemming, verachting, woede, spot en een samenzwering. Nehemia sloeg echter de openlijke aanvallen van de vijand af en behaalde de overwinning.

Nu vinden we een andere vorm van tegenstand. Als alle middelen niet hebben geholpen, past de vijand een andere tactiek toe, namelijk list. Hij probeert Nehemia met list bij de muur weg te lokken (vers 2). De vijand maakt hier gebruik van Sanballat en Gesem. Sanballat toont hier, wat hij in werkelijkheid is – “hoog van waarde, onder een vermomming van haat”. Als Horoniet was zijn streven, kloven of scheuren te maken. Hij werkt samen met de Arabier Gesem. De Arabieren zijn nakomelingen van Ismaël en staan bekend als tegenstanders van Gods volk (2 Kronieken 21:16; 22:1 en 26:7). Deze twee vijanden komen met een, uiterlijk, heel vriendelijke uitnodiging: “Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono”. Hun voorstel klinkt heel vriendelijk, verleidelijk en aannemelijk. Het is vandaag de dag ook in om samen te vergaderen, te confereren, rond de tafel te gaan zitten en over gemeenschappelijke problemen te praten. De wereld confereert over alle mogelijke problemen en de christenheid doet er dapper aan mee: “Samen moeten we toch in staat zijn, de problemen in de wereld op te lossen! We moeten toch een gesprek aangaan met andere godsdiensten en ernaar zoeken, waarin wij samen één zijn en met hen kunnen samenwerken! We moeten proberen door conferenties tot een vergelijk, tot een compromis te komen. Hiermee zijn de belangen van allen gebaat, zonder dat er strijd ontstaat”.

Hoewel de duivel in beginsel overwonnen is (Kolosse 2:15), is het nodig Gods wapenrusting aan te doen om stand te kunnen houden tegen zijn listen (Efeze 6:10-18). Hij zal bijvoorbeeld steeds weer proberen, ons bang te maken. Laten we nuchter zijn en waken (1 Petrus 5:8). Het gevaar bestaat, dat we gehoor geven aan deze listige en steeds weer herhaalde voorstellen van de vijand en niet langer zo “bekrompen en apart” willen zijn. Daardoor zijn we niet meer waakzaam bij de muur van afzondering en geven we de vijand gelegenheid om binnen te dringen in ons persoonlijk leven en in ons vergaderd zijn rondom Christus. Mogelijk geven we dan onze plaats van afzondering helemaal prijs en keren terug naar een christenheid, die helemaal doortrokken is van het zuurdeeg. Dan begeven we ons buiten de muur en bevinden ons in het dal Ono, het dal van de werkmeesters (Nehemia 11:35). Dichtbij Ono (“krachtig”) ligt de plaats Lod (“twist”). Bij dit dal mogen we denken aan een plaats waar industrie, handel en nijverheid wordt gevonden en daardoor uiterlijke welvaart, maar zonder God. Het karakter van Ono is het wezen van de maatschappij waarin wij leven, het systeem dat God buitensluit en Hem vijandig gezind is. Toen Kaïn wegging van het aangezicht van de Heer, ging hij wonen in het land Nod, ten oosten van Eden, en werd de stichter van een stad (Genesis 4:16-17). Het spreekwoord zegt: Eendracht maakt macht. Onder zijn nakomelingen wordt Tubal Kaïn gevonden, “een leermeester van alle werkers in koper en ijzer” (Genesis 4:22). Ook dat doet denken aan de wereld van de wetenschap, van technische uitvindingen en ontwikkelingen, meestal in onafhankelijkheid van God.

Toen Abraham Lot liet kiezen waar hij wilde wonen, koos Lot de vruchtbare vlakte van de Jordaan (Genesis 13:10-13). Eerst sloeg hij zijn tenten op tot aan Sódom toe, later woonde hij in Sódom (Genesis 19:1). Toch was Lot een rechtvaardige, maar had zwaar te lijden door de losbandige wandel van de zedelozen. Dag aan dag kwelde hij zijn rechtvaardige ziel door het zien en horen van hun zondige werken (2 Petrus 2:7-8). Nehemia hield echter stand in deze beproeving. Hij ging niet naar het dal Ono en is voor veel kwelling van zijn ziel bewaard gebleven. Juda was niet in staat om de bewoners van de vlakte te verdrijven, omdat die ijzeren strijdwagens hadden (Richteren 1:19). Maar God sluit Zijn verbond met Israël niet in een dal, maar vanaf de berg (Exodus 24:1-11). Toen God Mozes aanwijzingen gaf, hoe de tabernakel vervaardigd moest worden, liet Hij hem het voorbeeld daarvan zien op de berg (Exodus 25:40 en Hebreeën 8:5). God liet Mozes vlak voor zijn sterven het beloofde land zien vanaf de berg Nebo (Deuteronomium 34:1-4). Als drie discipelen iets mogen zien van het koninkrijk van God en de heerlijkheid van Christus, gaat de Heer Jezus met hen op een hoge berg (Mattheüs 16:28-17:8). Gods Geest trekt altijd naar boven, maar satan trekt altijd naar beneden.

Gelukkig onderkent Nehemia deze list (vers 3). Hun bedoeling was, hem weg te krijgen van zijn werk aan de muur en hem bovendien kwaad te doen. Als Nehemia in hun macht zou komen, zou het werk aan de muur vanzelf ophouden. Maar hij doorgrondt hen en is standvastig. Hij is op de plaats, waar de Heer hem hebben wil, en bezig met een werk dat Hem welgevallig is, dat de God van de hemel hem zal doen gelukken (Nehemia 2:20). Door het grote werk heeft hij geen tijd om op de voorstellen van de vijand in te gaan. Zo schrijft ook Paulus aan zijn trouwe medewerker Timotheüs: “Behartig deze dingen, leef daarin” (l Timotheüs 4:11-15). Als ons hart vervuld is met de dingen van de Heer, is daar geen plaats voor andere dingen. Nehemia antwoordt: “Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot u afkomen?”

De vijand geeft zich niet in één keer gewonnen: Tot vier maal toe probeert hij zijn list en komt zo’n boodschap tot Nehemia. Iedere keer antwoordt hij op dezelfde wijze (vers 4). Hij aarzelt niet, redeneert niet, maar wijst kort en zakelijk telkens weer de voorstellen van de vijand af. Hij deed in gehoorzaamheid wat God hem opdroeg. Bij hem was geen plaats voor zijn eigen wil of voor van God onafhankelijk handelen. Doordat hij leefde in gemeenschap met en afhankelijk van God, bleef hij bewaard voor de vriendelijke, maar listige voorstellen van de tegenstander. Hij was in staat om de listen van de vijand te onderkennen en hun gedachten te verstaan evenals in vers 10-13 bij de list van Semája. Hij lijkt op de Heer Jezus, Die ook de overleggingen en gedachten van de mensen kent (2 Koningen 6:8-12; Mattheüs 9:4 en 12:25). Zo zal de vijand altijd weer tot het uiterste proberen om ons zover te krijgen, onze plaats van afzondering op te geven door naar het dal Ono te gaan en samen te werken met de tegenstanders van Gods volk. Zonder de gemeenschap met de Heer zijn we zwak en houden we geen stand in de beproeving. Zonder Hem kunnen wij helemaal niets doen (Johannes 15:5), maar we vermogen alles door Hem, Die ons kracht geeft (Filippi 4:13).

De vijand is na vier mislukte pogingen nog niet ontmoedigd, maar houdt vol. Alleen past hij een andere tactiek toe, opnieuw een listig plan. Deze keer stuurt Sanballat zijn knecht met een open brief naar Nehemia, zodat iedereen kennis kon nemen van de inhoud (vers 5). Iedereen moest weten wat voor snode plannen deze Nehemia smeedde. Wat stond er namelijk in de brief? “Het is onder de volken gehoord, en Gasmu (Gesem) zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij de muur, en gij zult hun ten koning zijn ( … ) Nu zal het van de koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons tesamen beraadslagen” (vers 6-7). Nehemia werd vals beschuldigd, dat hij zijn eigen eer zoeken en eigen belangen op het oog hebben zou. Iedere gelovige die in getrouwheid en naar Gods gedachten wil wandelen, zal ervaren dat de vader van de leugen (Johannes 8:44) zijn aanvallen op hem richt en hem vals beschuldigt. Gelovigen die samenkomen rondom de Heer Jezus, worden ervan beschuldigd een sekte te zijn, de verdeeldheid onder de Christenen nog groter te maken en andere gelovigen buiten te sluiten. Ook dit zijn ongegronde beschuldigingen. Ondanks dat de vijand dreigde, deze ernstige beschuldigingen aan de koning bekend te maken, lezen we toch niet van nadelige gevolgen voor Nehemia. Ze zullen begrepen hebben, dat het heel moeilijk zou zijn om de Perzische koning ervan te overtuigen, dat Nehemia tegen hem in opstand wilde komen. De koning was hem immers goed gezind. Hij had hem brieven meegegeven voor de landvoogden om hem te helpen bij de bouw van de muur en de poorten van Jeruzalem, terwijl hij hem bovendien een bescherming van legeroversten en ruiters had gegeven. Waarschijnlijk hebben Nehemia’s vijanden het niet aangedurfd om hun valse beschuldigingen, die ze nooit zouden kunnen bewijzen, over te brengen aan de koning.

Er wordt een smet geworpen op Nehemia’s karakter en bedoeling. Bovendien wil men hem verdacht maken bij koning Arthahsasta. Verliest hij nu de moed en gaat hij in op het voorstel van de vijand om met hen te onderhandelen? Nee, Nehemia is een man van het geloof en wandelt met God. Hij stelt de waarheid tegenover de leugen. “Er is van al zulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij verzint ze in uw hart” (vers 8). De vijand beschuldigt Nehemia van dingen, die zij zelf verzonnen hebben. Petrus waarschuwt de gelovigen voor valse leraars, die zullen binnensluipen in de gemeente, “die verderfelijke sekten tersluiks zullen invoeren en de Meester, Die hen gekocht heeft, zullen loochenen en een schielijk verderf over zichzelf brengen. En velen zullen hun losbandigheid navolgen, zodat door hun toedoen de weg der waarheid gelasterd zal worden. En door hebzucht zullen zij met bedrieglijke (of “verzonnen”) woorden koopwaar van u maken” (2 Petrus 2:1-3). Het is een groot kwaad, door verzonnen woorden van mensen koopwaar te maken onder een godsdienstig voorwendsel. Bij de val van het grote Babylon wordt gezegd, dat de kooplieden handelen met mensenlichamen en mensenzielen (Openbaring 18:13).

Nehemia had maar één doel voor ogen, vastberaden streefde hij dat na en liet zich door niets of niemand afleiden. Toen de Heer de zeventig uitzond, zei Hij onder andere tot hen, dat ze onderweg niemand moesten groeten (Lukas 10:4). Hun arbeid moest hun volle aandacht hebben, ze mochten geen kostbare tijd verliezen. Paulus zegt: “Eén ding doe ik: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik naar het doel” (Filippi 3:14). Aan de gelovigen in Korinthe schrijft hij, dat ze standvastig, onbeweeglijk en altijd overvloedig in het werk van de Heer moesten zijn (1 Korinthe 15:58).

Simson hield het éne doel niet voor ogen, was niet standvastig. Hij liet zich verleiden door zijn hartstocht. Hij was niet bestand tegen de verzoekingen van Delila. Driemaal bleef hij standvastig, maar als zij voor de vierde maal komt met haar verzoekingen, vertelt hij haar het geheim van zijn kracht. De Heer wijkt dan van hem en hij verliest zijn kracht (Richteren 16:4-21). Nehemia kent zijn plaats. Hij blijft binnen de veilige beschutting van Jeruzalems herbouwde muur, hoewel daar slechts weinigen zijn. Hij sluit zich niet aan bij het leger van Samaria. Tot ons komt de oproep, tot Hem uit te gaan buiten de legerplaats en Zijn smaad te dragen (Hebreeën 13:13). Voor gelovigen, die maar kleine kracht hebben, is er een veilige beschutting in Filadelfia. Ze zijn uitgegaan uit Sardis (het protestantisme) tot Hem, de Heilige en Waarachtige (Openbaring 3:1-13). Ze zijn misschien zwak en hebben veel gebreken, toch hebben ze Zijn woord bewaard en Zijn Naam niet verloochend. Ze blijven standvastig ondanks de aanvallen van satan.

Nehemia doorziet weer de bedoelingen van de vijanden om hem en zijn helpers bevreesd te maken. Ze hopen, dat hun handen zullen nalaten het werk te doen. Na dit moedige antwoord gegeven te hebben, voelt Nehemia zijn afhankelijkheid van God en eigen zwakheid. Hij is een man van het geloof, maar ook van het gebed. Hij richt zich tot God met de woorden: “Nu dan, sterk mijn handen!” (vers 9). Hij handelt niet in de trots van een zichzelf zoekend hart, maar in de vreze van de Heer. “De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden” (Spreuken 19:23). “In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen. De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods” (Spreuken 14:26-27).

Aanvallen van binnenuit

In vers 10-14 richt de vijand opnieuw een aanval op Nehemia. Ook hier zit de satan achter, de slang en grote verleider. Totaal kunnen zeven aanvallen van de vijand opgenoemd worden.

  1. Een groot mishagen of ontstemming (Nehemia 2:10);
  2. spot en verachting (Nehemia 2:19);
  3. toorn (Nehemia 4:1);
  4. spot (Nehemia 4:3);
  5. strijd (Nehemia 4:8);
  6. list van buitenaf (Nehemia 6:1-9);
  7. list en gevaar van binnenuit (Nehemia 6:10-19).

In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk kwamen de aanvallen van buitenaf en wordt Nehemia gevraagd: “Kom tot ons!” Nu komen ze van binnenuit en wordt tegen Nehemia gezegd: “Ga niet meer uit, maar sluit u op!”

Een zekere Semája (“de HEERE verhoort”), zoon van Delája (“uit de nood gered”), zoon van Mehetábeël (“wie God weldoet”), is bezweken voor de verleider (vers 10). We weten, dat God de Zijnen weldoet, uit de nood redt en gebeden verhoort. Maar als ons oog niet op de Heer is gericht en wij geen onderscheidingsvermogen meer hebben, vallen wij net als Semája in de handen van de verleider. Nu probeert deze Semája Nehemia te verleiden. Zo waarschuwt ook Paulus de oudsten van Efeze voor aanvallen van binnenuit: “Uit uzelf zullen mannen opstaan die verkeerde dingen spreken” (Handelingen 20:30). Deze Semája was besloten, had zich opgesloten en was dus niet meer samen met Nehemia bezig met het werk aan de muur. Hij vroeg Nehemia, tot hem te komen. Hij deed alsof hij grote zorg had voor het leven van Nehemia en stelde voor, samen naar een vertrek in de tempel te gaan en dan de deuren van de tempel te sluiten om te voorkomen, dat de vijanden hem zouden doden. In Lukas 13:31-33 kwamen enige farizeeërs tot de Heer Jezus en zeiden: “Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil U doden”. Zijn tegenstanders probeerden Hem bang te maken. Net als Nehemia, maar bij Hem in volmaaktheid, dacht de Heer echter alleen aan het grote werk, dat Hij volbrengen zou in Jeruzalem. “Ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden”, zei Semája. De koning van Syrië kwam in de nacht met een sterk leger en omsingelde Dothan om Elisa gevangen te nemen (2 Koningen 6:14). Toen Judas naar buiten ging om zijn Meester te verraden, staat daar: “En het was nacht” (Johannes 13:30).

Semája deed zich voor als een profeet, die in de Naam van de Heer een profetie uitsprak. De Heer Jezus waarschuwt Zijn discipelen voor de valse profeten, die tot hen zullen komen in schapevachten, maar van binnen zijn zij verscheurende wolven (Mattheüs 7:15). Nehemia is te vergelijken met een wijs man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft. Dan mogen de slagregens komen, die het huis willen ondermijnen, de waterstromen, die proberen het huis binnen te dringen, en de winden van allerlei leringen, die tegen het huis beuken – het huis stort niet in, want het is op de rots gegrondvest (Mattheüs 7:24-25). Steeds weer wijst Nehemia de verzoeking direct af en stelt de ware bedoeling van de vijand, hier onder het mom van een broeder, aan de kaak. Wat een Goddelijk licht had Nehemia bij dit alles nodig om alles naar waarheid te onderscheiden. Dit was alleen mogelijk door zijn voortdurende gemeenschap met God.

Nehemia antwoordt: “Zou een man als ik vluchten? En wie is er, als ik, die in de tempel zou gaan, dat hij levend bleef? Ik zal er niet ingaan” (vers 11). Als hij door angst gedreven zou vluchten, zou daaruit opgemaakt kunnen worden, dat hij schuldig was. Als hij in de tempel zou gaan, zou hij ervan beschuldigd kunnen worden, dat hij de tempel ontwijd had. Alleen de priesters mochten immers de tempel binnengaan. Algemeen wordt aangenomen, dat Semája priester was. Deze verzoeking staat in verbinding met de tempel, de heilige plaats. Dit maakte het voor Nehemia heel moeilijk. Het heiligdom is immers de plaats, waar de ziel ongestoorde gemeenschap kan genieten met God. Zo werd ook de Heer Jezus verzocht in verbinding met de tempel. De duivel voerde Hem naar Jeruzalem en “stelde Hem op de tinne van de tempel en zei tot Hem” om Hem te verzoeken (Lukas 4:9-12).

Nehemia merkte duidelijk, dat God niet door deze Semája tot hem sprak, maar dat Tobia en Sanballat hem omgekocht hadden (vers 12). Dit blijkt uit het voorstel van Semája om in de tempel te vluchten. De heidenen gebruikten hun heiligdommen als schuilplaats als hun leven gevaar liep, maar dat had de Waarachtige, de eeuwige God van de hemel, met betrekking tot Zijn huis nooit toegelaten. Zijn huis op aarde was bestemd voor aanbidding en de dienst van de Heer en voor geen ander doel. Joab vluchtte wel naar de tent van de Heer en greep de horens van het altaar. Hij volgde het voorbeeld van Adónia (1 Koningen 1:50), denkend, daar veilig te zijn. Omdat hij echter schuldig was, baatte het hem niet en werd hij gedood (1 Koningen 2:28-34 en Exodus 21:14).

Wat Nehemia zou doen, het zou de vijand altijd stof gegeven hebben tot een kwaad gerucht om een smaad op hem te werpen (vers 13). We dienen de vijanden van de Heer geen aanleiding tot lasteren te geven (2 Samuël 12:13-14 en Romeinen 2:24). Zelfs voor de schijn van het kwaad dienen we op onze hoede te zijn.

Nehemia wendde zich in het gebed tot God (vers 14), was zich bewust van zijn eigen zwakheid en van die van het volk en wist, dat zij de hulp van God meer dan ooit nodig hadden. Gods profeten hielpen mee bij het bouwen aan Zijn huis (Ezra 5:2). Volgens Nehemia 3:28 bouwden de priesters mee aan de muur en poorten van Jeruzalem. Hier probeerden echter de profetes Noádja en andere profeten Nehemia bevreesd te maken en Semája, die een heilige priester moest zijn, was omgekocht door de vijand. Hij diende de mammon – voor geld probeerde hij Nehemia ten val te brengen. Judas diende de mammon – voor geld heeft hij zijn Meester verraden. Er zijn nog steeds mensen in de christenheid met een verdorven gemoed, die van de waarheid beroofd zijn en menen, dat de godsvrucht een bron van winst is (1 Timotheüs 6:5). Wat doet Nehemia met al deze mensen van zijn eigen volk, die nu zijn tegenstanders zijn geworden? Hij stelt ze openlijk aan de kaak en noemt het door hen bedreven kwaad bij naam maar vermijdt de openlijke strijd met hen. Hij gaat met al deze dingen naar God en legt ze in Zijn hand. Openlijke strijd zou hem van zijn grote werk afgehouden hebben. Zo bestreed Paulus de kopersmid Alexander, die hem veel kwaad berokkend heeft, niet openlijk, maar legde alles in de hand van de Heer. Wel waarschuwde hij Timotheüs, zich voor hem te wachten (2 Timotheüs 4:14-15). De aartsengel Michaël deed het werk, dat God hem had opgedragen, maar liet de bestraffing van de duivel over aan God (Judas :9). De Heer schold niet terug, toen Hij uitgescholden werd, dreigde niet, toen Hij leed, maar gaf Zich over aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt (1 Petrus 2:23).

Het werk was groot en uitgebreid, maar God was met de werkers. Ondanks alle aanvallen en listen van de vijand ging het werk door: In tweeënvijftig dagen werd de muur voltooid (vers 15). Toen de vijanden dit hoorden, vreesden al de heidenen, die rondom hen waren (vers 16). Ze moesten erkennen, dat dit werk met de hulp van God gedaan was (Psalm 48:3-8). De Egyptische tovenaars Jannes en Jambres moesten ook eens erkennen: “Dit is Gods vinger” (Exodus 8:19 en 2 Timotheüs 3:8). De vijand valt als het ware op zijn aangezicht neer en erkent, dat God werkelijk onder hen is (1 Korinthe 14:25), als zij zien op dat geweldige werk. Uiteindelijk ontvangt God de eer, die Hij waardig is te ontvangen.

Vervolgens worden droevige dingen vermeld. Edelen van Juda, die een bijzondere taak en plaats hadden onder het volk van de Godlovers, verbonden zich met Tobia, de medewerker van Sanballat en vijand van Nehemia (vers 17). Wat een slecht voorbeeld! Niet alleen vijanden, maar ook vrienden en familieleden kunnen in de weg staan. Familiebanden speelden ook hier een rol (vers 18). Tobia was de schoonzoon van Sechánja (“bij wie de HEERE woont” of “die met de HEERE vertrouwd is”). We mogen uit deze naamgeving afleiden, dat zijn ouders godvrezende mensen waren. Nu had deze Sechánja zijn dochter afgestaan aan Tobia, de rechterhand van Sanballat. Sechánja was de zoon van Arah of Arach, één van de aanzienlijksten van het volk (Ezra 2:5 en Nehemia 7:10). Kinderen van God kunnen in geestelijk opzicht snel bergafwaarts gaan. Verder is sprake van Jóhanan (“die de HEERE begunstigt of gunsten verleend heeft”), Tobia’s zoon. Hoe kan hij zijn zoon zo’n betekenisvolle naam geven? Uiterlijk lijkt hij wel vroom, maar innerlijk is hij verbonden met de werken van de duisternis. Deze Jóhanan neemt een dochter van Mesullam (“hersteld”) tot vrouw, de zoon van Beréchja (“die de HEERE zegent”), uit het priesterlijk geslacht. De naam Mesullam herinnert ons eraan, dat God het volk hersteld heeft. Hij heeft zijn geestelijk inzicht echter geheel of gedeeltelijk verloren, want hij laat zijn dochter trouwen met de zoon van Tobia. Dit is geen herstel, maar afbreuk van het Woord van de Heer! Voor hen die binnen zijn is het gevaarlijk om familiebanden te hebben met hen die buiten zijn. De waarschuwing geldt, niet met ongelovigen onder één juk te gaan (2 Korinthe 6:14-15), en het woord van Jakobus: “Weet gij niet, dat vriendschap met de wereld vijandschap is tegen God?” (Jakobus 4:4).

Er was een regelmatige briefwisseling tussen de edelen van Juda en Tobia. Ook stuurde hij door bemiddeling van deze edelen brieven naar Nehemia om hem bang te maken (vers 19). Hoe is het mogelijk! Een vriendschappelijke briefwisseling tussen mensen, die afgezonderd van het kwaad behoorden te leven, en de werktuigen van de duisternis! Het doel hiervan zal geweest zijn, een soort akkoord tussen Nehemia en Tobia tot stand te brengen. Ze wijzen Nehemia op de vele goede dingen van Tobia: “Het is een goed mens, er is toch eigenlijk niet zo’n groot verschil tussen hem en ons?” Hierdoor laten ze zien, dat zij helemaal niet begrijpen, waarom het in werkelijkheid ging. Het ging niet om de goedheid of slechtheid van Tobia, maar hij was en bleef een Ammoniet, die nooit in de gemeente van God mocht komen (Deuteronomium 23:3-5 en Nehemia 13:l). Israël was een voor God afgezonderd volk. In Amos 3:2 zegt God over Israël: “Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen gekend”.

Nehemia houdt stand onder al deze aanvallen van de vijand, doorstaat al deze beproevingen. Hij brengt alles bij de Heer en bidt om kracht. Hij vertrouwt op de beloften van de Heer. Voor hem golden ook de woorden van de Heer tot Jeremia: “Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vaste muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE. Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen en Ik zal u verlossen uit de handpalm der tirannen” (Jeremia 15:20-21).

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol