2 jaar geleden

Na de Babylonische ballingschap (7,8)

VII


“Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hadden gehoord dat de ballingen een tempel bouwden voor de HEERE, de God van Israël, kwamen zij naar Zerubbabel toe en naar de familiehoofden en zeiden tegen hen: Laten wij samen met u bouwen, want zoals u zoeken ook wij uw God. En aan Hem offeren wij sinds de dagen van Esar-Haddon, de koning van Assyrië, die ons hierheen heeft laten trekken. Maar Zerubbabel en Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tegen hen: Het is niet aan u en aan ons om samen een huis voor onze God te bouwen, want wíj alleen zullen het bouwen voor de HEERE, de God van Israël, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft. Het volk van het land ontmoedigde het volk van Juda en zij joegen hun schrik aan bij het bouwen. En zij huurden raadslieden tegen hen om hun plan te verijdelen, al de dagen van Kores, de koning van Perzië, tot aan het koningschap van Darius, de koning van Perzië”
(Ezra 4:1-5).

Hulp geweigerd

De bouw was begonnen. Nu kwamen de naburige volken, de vijanden van het volk van God, naar de joodse leiders en vroegen of zij samen met hen mochten bouwen. “… zoals u zoeken ook wij uw God. En aan Hem offeren wij …”, zeiden ze. Was dit inderdaad waar?

In 2 Koningen 17 vertelt God ons over de oorsprong van deze Samaritanen. De Assyrische koning had het volk van het tienstammenrijk gevangen genomen en hen doen wonen in de steden van Assyrië en Medië. Hij had hen vervangen door gevangenen uit andere steden die hij veroverd had. Deze mensen aanbaden verschillende afgoden en vreesden de Heer niet. Toen zond de Heer leeuwen onder hen om hen zo te laten weten dat Hij de God was van het land. Hij aanvaardde een dergelijke aanbidding niet. Hij wil Zijn heerlijkheid niet delen met een ander. Hij had Zijn volk nadrukkelijk geboden Hem alleen te eren en geen andere goden te vrezen.

De leiders van het volk weigerden terecht het aanbod van de naburige volkeren om te helpen. Hoe kunnen gelovigen en ongelovigen samen iets bouwen tot Gods heerlijkheid? Deze mensen toonden nu hun ware kleur. Ze deden alles wat ze konden om het werk van de herbouw van de tempel ter plaatse te belemmeren. Zij schreven ook een brief aan de Perzische koning en deden valse beschuldigingen tegen de Joden. We zien dat deze vijandschap zich nog steeds voortzet in de dagen van de Heer Jezus.

VIII


“De profeten Haggaï, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden onder de Joden die in Juda en in Jeruzalem waren; in de Naam van de God van Israël profeteerden zij tegen hen. Toen stonden Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, op en begonnen het huis van God, Die in Jeruzalem woont, te herbouwen. Gods profeten, die hen ondersteunden, waren bij hen”
(Ezra 5:1-2).

“En de oudsten van de Joden bouwden en maakten goede vorderingen onder de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores en Darius en Arthahsasta, de koning van Perzië” (Ezra 6:14).

Een frisse start

Om de herbouw van de tempel te proberen te belemmeren, hadden de vijanden van de Joden naar de Perzische monarch geschreven met beschuldigingen tegen de stad Jeruzalem. Hij op zijn beurt reageerde en gaf het bevel dat de stad niet herbouwd mocht worden. Op grond van zijn brief dwongen de vijanden snel de bouw van de tempel te staken. Deze treurige stand van zaken duurde tot het tweede jaar van koning Darius.

Op dit moment wekte God twee profeten op – Haggaï en Zacharia – om in Zijn Naam tot het volk te spreken. Haggaï begon het eerst te profeteren en ongeveer twee maanden later sloot de jongere profeet Zacharia zich bij hem aan. Haggaï wees erop dat God er niet blij mee was dat de mensen zich concentreerden op het bouwen van mooie huizen voor zichzelf, terwijl Zijn tempel verwoest was. “Let aandachtig op uw wegen”1 (Hagg. 1:5), riep God tot hen en drong er bij hen op aan Zijn tempel te bouwen. God openbaarde Zijn wegen eveneens aan en door Zacharia, en gaf tenslotte vele kostbare beloften over de Messias, de Heer Jezus. Het profeteren van deze profeten wekte de leiders van de Joden op om weer te beginnen aan de bouw van de tempel, en deze twee profeten voegden zich bij hen om te helpen. Ook wij moeten God meer gehoorzamen dan mensen (Hand. 5:29).

Toen het volk begon te handelen naar Gods boodschappen via deze profeten, schreven de vijanden aan de nieuwe koning, Darius, en brachten verslag uit wat de Joden zeiden en deden. God gebruikte de brief die Darius terugschreef om de Joden volle toestemming en steun te verlenen om te bouwen.

NOOT:
1. Letterlijk: Stel uw hart op … (zie ook vs. 7).

 

Wordt DV vervolgd.

© The Lord is near, Eugene P. Vedder, Jr.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol