1 jaar geleden

Na de Babylonische ballingschap (13-14)

Esther 2:21-23:
21. In die dagen, toen Mordechai in de poort van de koning zat, waren Bigthan en Teres, twee hovelingen van de koning, uit de kring van de deurwachters, erg kwaad en zij wilden de hand aan koning Ahasveros slaan.
22. En deze zaak werd bekend bij Mordechai en hij vertelde dit aan Esther, de koningin, en Esther zei het tegen de koning namens Mordechai.
23. Toen de zaak onderzocht werd, en juist bevonden, werden zij beiden aan een galg gehangen. En in de tegenwoordigheid van de koning werd dit in de kronieken opgetekend.

Esther 3:1-2:
1. Na deze gebeurtenissen maakte koning Ahasveros Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, groot en hij verhoogde hem. En hij plaatste zijn zetel boven al de vorsten die bij hem waren.
2. En alle dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, knielden en bogen zich voor Haman neer, want zo had de koning dat bevolen ten aanzien van hem. Mordechai echter knielde niet en boog zich niet neer” (Esther 2:21-3:2).

XIII

Het redden van de koning

Wat doen we als we ontdekken dat iemand van plan is om iets heel ergs te doen? Zouden we hem dan niet vertellen in niet mis te verstane bewoordingen om er mee te stoppen en dan proberen om hem te laten stoppen? Gaan we niets doen om uit de problemen te blijven, blij dat het onze zaak niet is? Of vertellen we het iemand die er iets aan kan en wil doen?

Mordechai koos het laatste. Hij vertelde koningin Esther over Bigthan en Teres, twee deurwachters wiens complot om de koning te vermoorden hem bekend geworden was. Zij vertelde het de koning en noemde Mordechai als bron van de informatie. Er werd onderzoek gedaan en de daders werden opgehangen, en het incident werd in de kronieken opgetekend. Het leven van de koning werd gered. In Jakobus 4 vers 17 lezen we: “Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde”.

Zou het niet juist zijn om voor een dergelijke daad goed te worden beloond? Ja, zeggen wij, maar we kunnen bij het leven in deze wereld niet altijd vertrouwen op eerlijkheid. In plaats van het belonen van Mordechai vinden we dat de koning Haman de Agagiet verhoogde, en zijn zetel plaatste boven al de vorsten die bij hem waren, en allen beval zich voor hem te buigen en hem zo eer te betonen. [Agag was de titel van de koning van Amalek, de oude vijand van Israël. God heeft vijandschap gezworen tegen Amalek van generatie op generatie (Ex. 17: 13-16).]

Mordechai heeft grote liefde betoond jegens Esther de wees. Hij had grote eerlijkheid aan de koning getoond. Nu toonde hij grote trouw aan God en riskeert zijn leven door het plaatsen van Gods Woord boven dat van de mens.

XIV

Esther 3:3-6:
3. De dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, zeiden tegen Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning?
4. Het gebeurde nu, toen zij dit van dag tot dag tegen hem zeiden en hij niet naar hen luisterde, dat zij het aan Haman vertelden om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden, want hij had hun verteld dat hij een Jood was.
5. Toen Haman zag dat Mordechai niet knielde en zich niet voor hem neerboog, werd Haman met woede vervuld.
6. Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld tot welk volk Mordechai behoorde. En Haman zocht een manier om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen.
7. In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het ‘pur’, dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, tot de twaalfde maand, dat is de maand Adar*.* Lees ook: Esther 3:8-15.

Plannen voor genocide (volkerenmoord)

Niets negatiefs wordt over Mordechai in het boek Esther gezegd. In dit verband is hij een zwak voorbeeld van onze Heer Jezus Christus. We weten dat de Heer Jezus veel groter is dan wie ook die een type is van Hem of die op enigerlei wijze ons aan Hem doet denken. Hij is de Enige voor Wie God ooit de hemelen geopend heeft om Zijn welbehagen in Hem te verklaren!

Trouw aan zijn God weigerde Mordechai zich voor Haman – afstammeling van de koning van de Amalekieten – neer te buigen en hem eer te betuigen. Toen zij er op aandrongen zich neer te buigen en vroegen waarom hij dat niet deed, vertelde hij hun dat hij een Jood was. Dit werd Haman bekend en dit vervulde hem met woede. Minachting jegens Mordechai alleen, bracht Haman ertoe om alle Joden in het rijk, het volk van Mordechai, te vernietigen. Na het werpen van een lot om een gunstige dag voor zijn boze plannen te bepalen, bood hij de koning een grote som geld aan om de toestemming om het uit te voeren veilig te stellen. De koning verleende hem toestemming, dus stuurde hij brieven om dit ten uitvoer te brengen in het hele Perzische Rijk.

Openbaring 12 toont ons in symbolische taal dat satan’s haat en vervolging van de Joden er is omdat zij het volk van onze Heer Jezus zijn, het hoogste voorwerp van de haat van de duivel. Toen satan onbeschaamd Jezus in verzoeking bracht om hem te aanbidden, weigerde Jezus absoluut zijn valse voorstel, en haalde eveneens de Schrift aan, zoals Hij alleen dat kon. De Joden, Jezus’ aardse volk, zijn vaak het doelwit van de moorddadige haat van de duivel geweest. De geschiedenis wemelt van de pogingen die satan gedaan heeft om dit volk uit te roeien. God liet ze alle mislukken.

© The Lord is near, Eugene P. Vedder, Jr.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol