15 jaar geleden

Martelaars (5)

In onze dagen is het voor sommigen het toppunt van het leven, of misschien moet men zelfs zeggen van de dood, namelijk “martelaar” zijn. Zonder daar nu verder diep op in te kunnen gaan in het kader van dit artikel, zijn er wel grote verschillen tussen Christen-martelaars en moslim-martelaars. Hiervoor verwijs ik u naar het eerste artikel over de martelaar Stefanus. Behalve Stefanus en Petrus, wordt ook Jakobus gerekend tot de Christen-martelaars. Wij wijzen u op de artikelen die hierover al verschenen. Omdat het martelaarschap in onze dagen nogal “in” is, vestig ik nu uw aandacht op nog een andere Christen-martelaar, Jakobus. Vandaar het volgende (korte) overzicht uit de geschiedenis van Johannes.

Frisse Wateren

De zoon van Zebedeüs

Johannes, de zoon van Zebedeüs en Salomé, en jongere broer van Jakobus. Hoewel zijn vader een visser was, blijkt uit het geschiedverhaal, dat zij in welvarende omstandigheden verkeerden. Sommige kerkvaders spreken van het geslacht als rijk, en zelfs als met de aanzienlijksten verwant. Doch deze overleveringen zijn niet geheel overeen te brengen met de feiten, die de Schrift meedeelt. Toch lezen wij van hun “huurlingen” (Markus 1:20) en zij kunnen meer dan een schip in bezit gehad hebben. Salomé was zeker een van de gezegende vrouwen, die de Heer dienden van haar goederen. En Johannes had een eigen huis (Lukas 8:3; Johannes 19:27). Uit een en ander kunnen wij veilig afleiden, dat hun toestand ver boven armoede verheven was. Daar velen tot een uiterste vervallen zijn in het spreken over de apostelen als arm en ongeletterd achten wij het goed de enkele wenken van de Schrift dienaangaande in herinnering te brengen.

Van het karakter van Zebedeüs weten wij niets. Hij maakte geen tegenwerpingen, toen zijn zonen hem verlieten op de roepstem van Jezus. Doch wij horen later niet meer van hem. Dikwijls treffen wij de moeder aan in gezelschap van haar zonen, doch de vader niet. Het is waarschijnlijk dat hij spoedig na de roeping van zijn zonen stierf.

De evangelist Markus zegt, dat de Heer aan Jakobus en Johannes de bijnaam gaf van Boanerges, dat is zonen des donders (Markus 3:17). Wat de bedoeling was van het geven van deze bijvoeging tot hun namen, is niet zo gemakkelijk uit te maken. Aan gissingen is geen gebrek. Sommigen vooronderstellen dat het was, omdat deze twee broers van een heviger en onverschrokkener aard en een vuriger temperament waren dan de overige apostelen. In de geschiedenis van het Evangelie vinden wij echter geen grond voor deze gissing. Bij een paar gelegenheden was hun ijver wel wat onstuimig; doch dat was, voor zij de aard van hun roeping verstonden. Meer waarschijnlijk gaf de Heer hun deze bijnaam, als profetie van hun vurige ijver in de openlijke en stoutmoedige verkondiging van de grote waarheden van het evangelie, nadat zij daarmee ten volle bekend zouden zijn geworden. Zeker zijn wij, dat Johannes in gezelschap met Petrus een moed tentoonspreidde, die alle dreiging trotseerde, en door geen tegenstand te overwinnen was.

De discipel, die Jezus liefhad

Johannes wordt voorondersteld de jongste van al de apostelen geweest te zijn; en naar zijn geschriften te oordelen, schijnt hij een bijzonder hartelijke, zachte en beminnelijken aard te hebben gehad. Hij werd gekenmerkt als “de discipel, die Jezus liefhad”. Bij verschillende gelegenheden had hij de meest vertrouwelijke omgang met Jezus (Johannes 13).

“Hetgeen Johannes onderscheidt,” zegt Neander, “was de vereniging van de meest tegenovergestelde hoedanigheden, gelijk wij dikwijls hebben opgemerkt in voorname werktuigen ter uitbreiding van het koninkrijk van God – de vereniging van een stille en diep peinzende geest met een vurige ijver, die nochtans niet aandreef tot grote en afwisselende werkzaamheid in de buitenwereld, geen hartstochtelijke ijver, zoals wij ons die voorstellen bij Paulus voor zijn bekeering. “Doch hij bezat ook een liefde, niet week en toegeeflijk, maar die met alle macht aangreep en onwankelbaar vasthield het voorwerp, waarop zij gericht was – krachtig afstotende alles, wat aan dit voorwerp niet aangenaam kon zijn, of beproeven mocht haar ervan af te trekken”.

Daar de geschiedenis van Johannes nauw verbonden is met die van Petrus en Jakobus, kunnen wij nu kort zijn. De drie namen, hier genoemd, komen zelden gescheiden voor in de Schrift. Maar er is een toneel, waar Johannes alleen voorkomt, en dat herinnering verdient. Hij was de enige apostel, die Jezus volgde naar de plaats van Zijn kruisiging. En daar werd hij verwaardigd met de blik en het vertrouwen van zijn Meester: “Toen nu Jezus zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn [huis] (Johannes 19:26,27).

Na de hemelvaart van Christus en de neerdaling van de Heilige Geest op de pinksterdag, werd Johannes een van de voornaamste apostelen van de besnijdenis. Zijn dienst strekte zich uit tot het eind van de eerste eeuw. Met zijn dood eindigt wat men noemt de apostolische eeuw.

Er bestaat een ruim verspreide en algemeen aangenomen overlevering, dat Johannes in Judea bleef tot aan de dood van Maria. Het tijdstip daarvan is onzeker. Spoedig daarop ging hij naar Klein-Azie. Hier grondde en verzorgde hij verschillende gemeenten in vele steden, maar maakte Efeze tot zijn middelpunt. Van daar werd hij gebannen naar het eiland Patmos tegen het eind van de regering van Domitianus. Hij schreef op dit eiland de Openbaring (Openbaring 1:9). Bij zijn bevrijding uit de ballingschap, toen Nerva de troon beklom, keerde Johannes naar Efeze terug, waar hij zijn Evangelie en zijn drie Brieven schreef. Hij stierf omstreeks het jaar 100 na Christus, in het derde jaar van keizer Trajanus, omtrent honderd jaar oud zijnde.

Overleveringen

Uit de menigte overleveringen betreffende Johannes kiezen wij slechts een, die ons het belangrijkste dunkt, en het meest de waarheid voor zich heeft. Onvermoeid in zijn liefde en zorg voor de zielen, werd hij eens diep gegriefd door de afval van een jongeling, in wie hij bijzonder belang gesteld had. De plaats, waar hij hem achtergelaten had, weer bezoekende, vernam hij dat de jonge man zich had aangesloten bij een roverbende, waarvan hij zelfs opperhoofd was geworden. Zijn genegenheid tot hem was zo sterk, dat hij besloot hem op te zoeken. Hij spoedde zich, naar de schuilplaats van de rovers, liet zich gevangen nemen, en verzocht in tegenwoordigheid van hun opperhoofd gebracht te worden. Toen deze de eerwaardige gestalte van de bejaarde apostel zag, ontwaakte zijn geweten. De herinnering aan de vroegere dagen was meer dan hij kon uithouden en hij vluchtte, ontsteld uit zijn tegenwoordigheid. Maar Johannes, vol vaderlijke liefde, ging hem na. Hij nodigde hem uit met berouw terug te keren tot de gemeente, en moedigde hem aan met de verzekering van de vergeving van zijn zonden in de naam van de Heer Jezus. De wonderbare genegenheid van Johannes voor de jongeling en zijn warme belangstelling voor diens ziel, overwonnen deze geheel en al. Hij deed boete, keerde terug, werd hersteld en was later een waardig lid van de Christelijke gemeenschap. Mogen wij hetzelfde doen, als wij hen die afgeweken zijn, zoeken weer terug te brengen.

Nu komen wij tot hetgeen genoemd kan worden de tweede groep van vier apostelen; en zoals Petrus staat aan het hoofd van de eerste groep, vinden wij aan het hoofd van de tweede Filippus.
Maar daarover D.V. de volgende keer!

Bron: Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk, A. Miller

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW