Bij wie woont God?
Inhoud
- Een beschermd volk
- Een gekocht volk
- Een bevrijd volk
- Een verzorgd volk
- Een volk dat geheiligd is tot gehoorzaamheid
- Een volk dat hersteld is door genade
- Een volk dat de rust van God kent
Bij het bestuderen van een onderwerp in de Schrift is het altijd leerzaam om aandacht te besteden aan de context. Wanneer de Heer het toestaat, zullen we dat doen in samenhang met wat de Schrift zegt over Zijn woonplaats onder de mensen. De tabernakel was in zekere zin het middelpunt van Zijn openbaring aan Zijn aardse volk. Israëls kamp in de woestijn was rond de tabernakel ingericht, en de reizen van het volk waren er altijd mee verbonden. Toen ze het land bereikten, werd Gods orde in samenhang met de tabernakel daar ook gevestigd. Daarom zullen we de toestand van het volk onderzoeken toen God hun de tabernakel gaf.
Als dit al essentieel is bij het bestuderen van de letterlijke geschiedenis van Israël, hoe belangrijker is het dan wel niet wanneer we ons herinneren van Wie en van wat zij voor alle tijden een beeld is. Laten we nu kijken naar de voorgelezen Schriftgedeelten, die ons zeven belangrijke feiten voorstellen.
God verlangt ernaar te midden van de lofzangen van Zijn volk te wonen, en deze lofzangen zijn tegelijkertijd een voorwaarde voor Zijn tegenwoordigheid (Ps. 22:4: “Maar U bent heilig, U troont op de lofzangen van Israël”). Hij kan alleen wonen waar Hij gekend wordt; en Hij kan op zijn beurt alleen gekend worden op basis van verlossing. In Romeinen 1 zien we dat zij die het getuigenis hadden van “Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid” (Rom. 1:20) in de scheppingswerken die hen omringden, blind en verduisterd waren in hun verstand. Door te beweren wijs te zijn, werden ze dwaas en werden ze uiteindelijk meegesleept in allerlei vormen van afgoderij en schandelijke hartstochten.
Als wij God willen kennen, moet dat gebeuren op basis van Zijn eigen openbaring, in overeenstemming met Zijn ware en rechtvaardige natuur. Daarom moet Hij Zichzelf openbaren als volkomen rechtvaardig en heilig in Zijn omgang met zondige en schuldige mensen – als een God van oordeel, ook al had Hij nog veel meer te zeggen. Maar lof zij Zijn heilige Naam: Hij heeft inderdaad meer te zeggen, want Zijn openbaring in het oordeel had ons alleen maar kunnen veroordelen tot eeuwige scheiding van Hem en wel in volkomen duisternis. Dit vormt de donkere achtergrond waartegen de barmhartigheid van God in al haar glorie schijnt, zoals Hij die heeft geopenbaard in Christus Jezus – in Zijn persoon en in Zijn werk. Dit is wat in de genoemde passages tot uitdrukking wordt gebracht.
Een beschermd volk
Exodus 12 vers 12-13:
12. Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.
13. En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.
Deze eerste passage herinnert ons eraan, dat Zijn volk beschermd werd tegen een oordeel, dat ze terecht verdienden. God kan alleen wonen onder hen die beschermd zijn, want anders zouden ze nog steeds onder het oordeel staan (zoals alle andere volken) – net zoals Israël, samen met alle Egyptenaren, onder het oordeel stond totdat God het Lam gaf en gebood, dat zijn bloed op de deurposten en bovendrempels van hun huizen gestreken moest worden.
Hoezeer spreekt dit alles van Hem, het “vlekkeloos en onbesmet Lam” (1 Petr. 1:19), dat “tot zonde gemaakt” werd aan het kruis (2 Kor. 5:21) om de schuldigen een toevluchtsoord te bieden! Hoe liefdevol voor de Zijnen om hierbij stil te staan! Als Gods geduld was geëindigd in oordeel, zou er niets dan volkomen duisternis voor eeuwig zijn gebleven. Maar in Zijn liefde bood God volmaakte bescherming tegen het verdiende oordeel en de toorn. Hij deed dit terwijl ze nog in Egypte waren, de plaats van slavernij aan de zonde. God verlangt van de zondaar niet, dat hij de eerste stap zet op de weg naar Hem toe, maar verbindt Zichzelf met de persoon waar en hoe hij is, en biedt hem volmaakte bescherming door het kostbare bloed van Christus.
Wanneer dit kostbare bloed door geloof is ontvangen, [1] is Gods antwoord: “Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan.” Hierin herkennen we Zijn voorziening in het bloed van Christus en Zijn verzekering in Zijn eigen Woord, dat zij, die onder de bescherming van dit bloed staan, voor altijd vrij zijn van het komende oordeel. Zijn volk verwacht geen redding ergens in de toekomst; noch wachten ze tot er iets in henzelf gebeurt, voordat ze blijvende vrede met God kunnen hebben. Nee, het volk vertrouwt erop, dat ze zich onder de bescherming hebben gesteld die God heeft voorbereid. “En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan” (Ex. 12:13).
Een gekocht volk
Exodus 13 vers 1-2:
1. Toen sprak de HEERE tot Mozes:
2. Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.
Nadat we hebben gezien, dat de gelovigen een beschermd volk zijn, laat de volgende passage ons zien dat ze een gekocht volk zijn. Toen het oordeel in Egypte werd voltrokken, bleef Israël door het door God gegeven bewaringsmiddel veilig beschermd, waarbij het bloed dat hen bewaarde, gelijktijdig de prijs was, die voor hen betaald werd. Zoals er staat in Exodus 13 vers 2: “Heilig voor Mij alle eerstgeborenen,” of zoals we het in het Nieuwe Testament vinden: “… en dat u niet van uzelf bent? Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam” (1 Kor. 6:19-20). God zij dank is Zijn volk niet alleen bevrijd van het oordeel en de vrees voor Gods toorn, maar ook gekocht uit de slavernij van de satan en de zonde. Het mooiste is, dat ze niet hun eigen meester zijn geworden. Paulus verheugde zich erop zichzelf een “slaaf van Christus Jezus” te noemen (Rom. 1:1). Voor hem was het bezit van Christus zijn een teken van de hoogste eer. Ook wij zijn slaven en kunnen ons beroemen in een dienstbaarheid die volkomen vrijheid is. Het is een dienstbaarheid waarin we volledig er voor God zijn, het eigendom van zijn wonderbare liefde, gekocht met het kostbare bloed van Christus. De waarde die God aan ons hecht, wordt erkend door de prijs die is betaald. God kijkt naar ons en zegt in zekere zin: “Dit is mijn volk.” Kijk naar u als een arme, ellendige zondaar die Christus heeft aangenomen. Volgens de maatstaven van de wereld is zo iemand van weinig waarde, maar God zegt over hem: “Hij is kostbaar in Mijn ogen, want hij is verlost door het bloed van Mijn eigen Zoon.”
Een bevrijd volk
Exodus 14 vers 21-22:
21. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.
22. Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.
Het derde gedeelte laat ons een andere kant van de waarheid zien. De eerste twee gedeelten toonden, wat waar was voor Israël toen ze nog in Egypte waren. Net zoals de barmhartige Samaritaan naar de plek ging waar de gewonde man tussen de rovers lag en genezende olie en wijn uitgoot, zo daalde God neer naar Zijn volk in Egypte. Maar Hij liet Zijn volk daar niet achter. Hij sprak niet alleen tot hen over de zekerheid van het oordeel en over hun verbondenheid met Hem, maar door Zijn Woord leidde Hij hen er ook toe om op weg te gaan en de plaats van hun slavernij te verlaten. Als dienaren van God moesten ze eropuit trekken – vrij van alle andere banden. Dit ging niet alleen over het ontvluchten van de slavernij van de farao, maar ook over het ontvluchten van de plaats waar hij hen gevangen had gehouden. Voor de gelovige is deze wereld niet langer Egypte, maar de woestijn, de plaats van doorreis. De erfenis waartoe hij wordt getrokken is “een sieraad onder al de landen,” het “land dat overvloeit van melk en honing” (Ezech. 20:6). Het derde belangrijke feit is dus, dat Gods volk bevrijd is van de slavernij van de zonde, satan en de wereld. Laten we heel praktisch toch meer in de zegen van deze dingen ingaan.
Hoe goed is deze boodschap, die zowel de bevrijding van gevangenen als de vergeving van zonden verkondigt! Hoe groot is de slavernij en hoe bitter zijn de ketenen van de zonde! Wie de Meester heeft gediend in de steenoven van de zonde – en “wij waren aan allerlei begeerten en genietingen verslaafd” (Titus 3:3) – weet hoe verschrikkelijk deze gevangenschap is. Ja, er is een “genieting van de zonde,” maar deze lust is een “tijdelijke genieting” (Hebr. 11:25). De beloning ervan is alleen de eeuwige toorn van een heilige en zonde hatende God, evenals een eeuwige veroordeling door zijn ontwaakte geweten. Zelfs de gelovige wordt laat deze slavernij uitroepen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?” (Rom. 7:24). Maar het genadige en liefdevolle antwoord van Gods Woord is: “Door Jezus Christus onze Heer” (Rom. 7:25). “Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet langer onder [de] wet, maar onder [de] genade” (Rom. 6:14). God heeft daarmee verklaard, dat de zonde geen enkele macht meer heeft over Zijn volk! Het bloed van Christus heeft deze zaak beslecht. Maar hebben wij een antwoord op deze bevrijding door God? We kunnen pas delen in de vreugde die het verblijf van God onder ons met zich meebrengt als we enigszins begrijpen wat het betekent om bevrijd te zijn van de macht en de slavernij van de zonde.
Laten we nu eens bekijken hoe perfect het typologische beeld overeenkomt met de bevrijding van Gods volk van de zonde. De Israëlieten waren aan de oevers van de Rode Zee aangekomen en bevonden zich nu in een woestijngebied waar aan beide kanten bergen oprezen. Er leek geen uitweg te zijn voor farao, die, hersteld van de angst voor Gods oordeel, zijn leger had verzameld om de Israëlieten te achtervolgen en hen opnieuw in slavernij te brengen. Wat konden ze doen? Achter hen bevond zich hun meedogenloze vijand, aan de zijkanten waren ze omsingeld en voor hen lagen de wateren van de Rode Zee. Het enige wat hen restte, was tot God te roepen. En heeft Hij ooit nagelaten de roep van Zijn volk te verhoren? Hij opende een weg voor hen – niet door eerst farao te verslaan, maar door de Rode Zee te splijten. De golven van de dood werden gescheiden door de staf die plagen over Egypte bracht, zodat een weg door de Rode Zee werd geopend.
Een pas bekeerde man begint aan zijn pelgrimstocht, maar al spoedig begint de zonde haar greep op hem te heroveren en hem te achtervolgen. Ze lokt hem zo gemakkelijk in de val, en opnieuw hoort hij de bekende eisen van de oude meesters, die aandringen op zijn terugkeer in hun slavernij. Wat moet hij doen? Er lijkt absoluut geen uitweg voor hem te zijn. Wanneer hij naar zijn eigen kracht kijkt, ziet hij zijn volstrekte machteloosheid om de zonde te overwinnen. Er is geen ontsnapping naar rechts of links. Wat dreigend en duister voor hem opdoemt, is de het verdiende loon voor de zonde: dood en oordeel.
Maar juist hier kan hij zich de kostbare waarheid herinneren, dat hij in Christus’ dood met Hem gestorven is. Door de dood en de opstanding van Christus is de weg geopend. Christus verliet deze wereld, waarin de zonde regeert (hoewel die nooit de minste macht over Hem bezat), en heeft door Zijn dood de enige mogelijke weg voor de Zijnen geopend. Zoals zij met Hem gestorven zijn, zo zijn zij ook met Hem opgestaan. Daarom kunnen zij zichzelf beschouwen als dood voor de zonde, “maar voor God levend in Christus Jezus” (Rom. 6:11). Zo begint de triomftocht. Hij die eerst kreunde van angst voor de slavernij, zingt nu een triomflied: “Ik zal zingen voor de HEERE, want Hij is hoogverheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen” (Ex. 15:1).
Zij die dit werkelijk hebben begrepen, bevinden zich nu als pelgrims in de woestijn. Hun blik is niet gericht op wat achter hen ligt, maar op de erfenis die voor hen ligt – de berg van God, waar Hij al de rijkdommen van Zijn liefde openbaart die Hij voor ons in Christus heeft bewaard in heerlijkheid. God kan deze diepere waarheden van Zijn Woord alleen openbaren aan hen die bevrijd zijn van zonde en van de wereld. Geve Hij ons een dieper gaande oefening in deze zaken.
Een verzorgd volk
Exodus 16 vers 16-18:
16. Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten kan, een gomer per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet het nemen voor hen die in zijn tent zijn.
17. En zo deden de Israëlieten, zij verzamelden, de een veel en de ander weinig.
18. Zij maten het met de gomer. Wie veel had verzameld, had niets over, en hem die weinig had verzameld, ontbrak niets. Ieder had zó veel verzameld als hij eten kon.
Dit brengt ons bij het vierde gedeelte, waarin beschreven wordt hoe God voor Zijn volk zorgde in de woestijn – met manna uit de hemel en water uit de rots. Ze ontvingen brood en een zekere watervoorziening. De woestijn is een dor en droog land, dat van nature niets te bieden heeft om te overleven. Toch onderhield God dit grote volk veertig jaar lang, totdat ze hun erfdeel ontvingen. Aan het einde kon hij hen zelfs vragen of ze iets tekort kwamen. Hun kleren waren niet versleten; hun voeten waren niet opgezwollen (Deut. 8:4). Toen, net als nu, houdt God zich aan Zijn Woord.
Christus is het voedsel van Zijn volk, en de Geest van God, in de gedaante van de geslagen rots, brengt ons verkwikking door het Woord van God om ons te ondersteunen – “de steenrots nu was Christus” (1 Kor. 10:4). De wereld kent Christus niet, maar Hij is het brood van God, dat uit de hemel is neergedaald (Joh. 6:58) en Zichzelf heeft vernederd tot de dood toe om het dagelijkse voedsel van het volk te zijn, naar hun behoefte. Hij is het “brood van de machtigen” (Ps. 78:25), dat hen als zegevierende overwinnaars door de woestijn draagt en hen verfrist tot het einde van hun reis.
Een volk dat geheiligd is tot gehoorzaamheid
Exodus 20 vers 1-3:
1. Toen sprak God al deze woorden:
2. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.
3. U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
We gaan nu over naar het volgende punt, dat we zeer zorgvuldig moeten overwegen: de waarheid die ons wordt voorgehouden in Exodus 20 vers 1-3. Het volk bevindt zich bij de berg Sinaï, waar God Zich openbaart in Zijn ontzagwekkende majesteit en heiligheid. Niemand mag de berg zelfs maar aanraken. De Heer staat op het punt de wet te geven (dat wil zeggen, Zijn eisen aan de mensheid), en het ernstige feit wordt benadrukt, dat de mensheid niet aan deze eisen kan voldoen. In de eerste vier geboden vinden we de eisen van de wet met betrekking tot God; in de laatste zes de eisen met betrekking tot onze medemens. Dit is door onze Heer als volgt samengevat en geciteerd: “U zult [de] HEER, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf” (Luk. 10:27). De gevallen mensheid kan aan een dergelijke eis net zo min voldoen als dat zij een wereld kan scheppen.
Onder deze omstandigheden brengt de wet verre van leven; ze kan alleen maar de dood brengen. In plaats van mensen in de tegenwoordigheid van God te brengen, werpt ze barrières op rond de ontoegankelijke berg van Zijn heerlijkheid en heiligheid. “Daarom zal op grond van werken van [de] wet geen enkel vlees voor Hem gerechtvaardigd worden; want door [de] wet [komt] kennis van zonde” (Rom. 3:20).
Er zijn twee oefeningen die de wet teweegbrengt en die aansluiten, bij wat de genade tijdens het Pascha en bij de Rode Zee teweegbrengt:
- Wanneer de wet als grondslag voor rechtvaardiging wordt gebruikt, onthult zij aan de mens de omvang van zijn schuld en het feit dat hij niet geschikt is voor God. Men zal tevergeefs in de Schrift zoeken naar een voorbeeld, waarin het effect van Gods wet op de mens anders uitpakt.
- Soms wordt ons verteld, dat de wet weliswaar niet de grondslag is voor onze rechtvaardiging, maar wel onze levensregel. Het is inderdaad een uitdrukking van Gods volmaakte wil voor Zijn volk, dat volgens deze tien geboden moet leven. Het is echter een feit, dat mensen de wet net zo min als levensregel kunnen naleven als dat de wet een middel tot rechtvaardiging is. Door de wet komt immers alleen de kennis van de zonde (Rom. 3:20). Laten we ook eens kijken naar de opmerkelijke passage in 1 Korinthe 15 vers 56, die ons vertelt: “de kracht van de zonde is de wet” — zij legt de schuld van de zonde op het geweten.
Wat is het geheim van de strijd in Romeinen 7? Daar ontmoeten we een kind van God, dat de wet als levensregel aanneemt om heiligheid te bereiken. De gelovige moet echter erkennen, dat wat voor het leven gegeven is, uiteindelijk de dood blijkt te zijn. Dat wat “heilig en rechtvaardig en goed” is (Rom. 7:12) brengt hem slechts veroordeling, en de verboden wekken slechts het onweerstaanbare verlangen op om precies datgene te doen, wat verboden is.
Telkens wanneer u iemand ziet, die probeert de wet te houden, zoals God van hem verlangt, zult u hem schuldig en ellendig vinden, of, veel erger, zelfingenomen en vervuld met zelfbedrog. Als hij een kind van God is, wordt hij volkomen ongelukkig en roept uit: “Ik ben een ellendig mens!” (Rom. 7:24). Als dat het geval is, rijst de vraag welk doel de wet eigenlijk dient. Gods antwoord hierop is om de mond van de mens te sluiten en hem naar volledige verlossing door Christus te leiden, om bevrijd te worden van zowel alle schuld als de macht van de zonde. De wet heeft haar heilige taak vervuld toen zij de plechtige, het hart doorgrondende waarheid heeft overgebracht dat “in mij, dat is in mijn vlees geen goed woont” (Rom. 7:18). Wanneer zij dit heeft bewerkt, wijst zij de weg naar Christus. “Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van zonde en dood” (Rom. 8:2).
Nu we de belangrijkste vragen met betrekking tot de wet hebben behandeld, kunnen we ons wenden tot een andere grote waarheid, die in de wet wordt aangeduid. In zijn eerste brief schrijft Petrus aan een volk van pelgrims – vergelijkbaar met het volk Israël tijdens hun tocht door de woestijn. Hij spreekt hen aan als “uitverkorenen naar [de] voorkennis van God [de] Vader, door heiliging van [de] Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met [het] bloed van Jezus Christus” (1 Petr. 1:2). Zij waren niet alleen een uitverkoren en wedergeboren volk, beschermd door het besprenkelde bloed, maar ook geroepen tot praktische gehoorzaamheid. Misschien kunnen we het zo formuleren: het kostbare bloed werd niet alleen op hun deuren gestreken ter bescherming, maar het werd ook op de weg van Gods verloste volk gesprenkeld, om ervoor te zorgen, dat hun wandel voor Hem is.
Hoe diepgaand is de gedachte, dat onze hele weg een met bloed gesprengde weg is, dat wil zeggen, een weg van heiligheid. Het is een weg van verlossing voor een verlost volk (Jes. 35:8-10). Net zoals we bevrijd zijn van schuld en zonde, zijn we nu bestemd tot gehoorzaamheid aan God. En we kunnen dit in beeld zien in de wet. Het is een gehoorzaamheid die de wet niet kon bewerkstelligen, maar die God in Zijn volk wilde zien. We vinden dit in Romeinen 8: “Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was — God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan het vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld; opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld wordt in ons, die niet naar [het] vlees wandelen, maar naar [de] Geest” (Rom. 8:3-4). Voor hen die bevrijd zijn van de wet, wordt de wet juist het bewijs van de gehoorzaamheid, die zij zelf niet kon voortbrengen. Zo herinnert deze vijfde passage ons eraan, dat God woont te midden van een gehoorzaam volk.
Een volk dat hersteld is door genade
Exodus 33 vers 12-14:
12. Toen zei Mozes tegen de HEERE: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verdertrekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij uw naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen.
13. Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is.
14. En Hij zei: Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen?
We hoeven niet lang stil te staan bij ons zesde schriftpassage, hoewel de les die erin besloten ligt zeer waardevol is. Een droevige geschiedenis gaat eraan vooraf en vormt de basis ervan. Mozes bevindt zich op de berg en geniet daar van de gemeenschap met God met betrekking tot de tabernakel. God toont hem het ontwerp en geeft hem instructies over de details ervan. Maar het volk, dat even daarvoor nog absolute gehoorzaamheid had beloofd, zingt en danst rond het gouden kalf! Misschien denkt u: Wat een zielig volk, dat hun eed na zo’n korte tijd alweer vergeten is! Ach, is de natuurlijke mens in ons dan wel beter? Ook ons vlees zou zich afwenden van de heerlijkheid van de Persoon Christus naar de gouden kalveren! Als God ons ook maar een uur alleen zou laten, zouden we Hem onteren, net zoals Zijn geliefde dienaren Petrus, David en Hizkia deden – mannen van God als zij waren. Het vlees is niet te vertrouwen! Moge de Heilige Geest, door de kracht van Goddelijke liefde en genade, erin slagen dit besef in onze harten te bewerken.
God zij dank vormt deze scène slechts de donkere achtergrond waartegen de straling van de Goddelijke genade des te helderder schijnt. Mozes keert terug naar de berg om voor het volk te pleiten. “Misschien,” zegt hij (want hij heeft immers te maken met een wettelijk bindend, extern en voorwaardelijk verbond), “zal ik verzoening kunnen bewerken voor uw zonde” (Ex. 32:30). Vervolgens keert hij terug met nieuwe stenen tafelen waarop dezelfde geboden staan gegraveerd. Misschien kunnen we het zo uitdrukken, dat deze voor een halsstarrig en naar boosheid neigend volk – door genade verzacht de wet voorstellen. Deze straal van genade, in combinatie met de strenge wet, kon nog steeds geen leven schenken, maar het deed Mozes’ gezicht zo helder stralen, dat hij gedwongen was een sluier over zijn gezicht te leggen, omdat het volk niet in staat was te bevatten wat de apostel de “de bediening van de veroordeling” noemt (2 Kor. 3:9). Maar hoe dankbaar moeten we zijn, dat God nu in Christus de sluier heeft weggenomen, en dat we niet slechts een deel van zijn heerlijkheid zien, maar de volle heerlijkheid van de bediening van leven en gerechtigheid in de aangezicht van de Heer Jezus. Deze heerlijkheid wordt op zijn minst aangeduid in de Schriftplaats die we hebben overwogen. De les die we uit deze gebeurtenis leren, is dat een volk dat zijn eigen onwaardigheid heeft ervaren en op grond van genade is hersteld, nu kan genieten van wat God aan hen openbaart.
Een volk, dat de rust van God kent
Exodus 35 vers 1-3:
1. Toen liet Mozes heel de gemeenschap van de Israëlieten bijeenkomen en hij zei tegen hen: Dit zijn de woorden die de HEERE geboden heeft om ze te doen:
2. Zes dagen moet er werk verricht worden, maar de zevende dag moet heilig voor u zijn, een sabbat, een dag van volledige rust, voor de HEERE. Ieder die op die dag werk verricht, moet gedood worden.
3. U mag op de sabbatdag in geen van uw woongebieden vuur aansteken.
Dit brengt ons bij de zevende grote waarheid, die het hoogtepunt vormt van alle voorgaande: de rust van God. Alles wat diende ter voorbereiding van de tabernakel is voltooid, en voor hen ligt nu het eigenlijke begin van de bouw. Maar let op, dat eerst het gebod om de sabbat te houden wordt herhaald. Hierin ligt een aanwijzing voor de rust van God. Omdat Hij nooit kan rusten in de aanwezigheid van de zonde, laat Hij hier zien, dat Zijn woonplaats is gebaseerd op een eeuwige sabbat. We zien dit in het laatste deel van Openbaring, wanneer alle arbeid is voltooid en het glorieuze einde is bereikt. De dag van de mens, met al zijn bijbehorende aspecten, is eindelijk voorbij, en we betreden de wolkenloze, eeuwige dag van God. “Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen” (Openb. 21:3). De rust van God en de woonplaats van God zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, en dit blijft zo tot in eeuwigheid.
Als we terugkijken naar onze eigen tijd en ons afvragen wat de grondslag is voor Gods aanwezigheid bij Zijn volk, worden we op een kostbare wijze herinnerd aan Hem die het ware fundament van rust is, want onze werken of verdiensten kunnen dit fundament niet bieden. Zodra we dit hebben verinnerlijkt, houdt de strijd om het vlees te verbeteren op. Integendeel, we gaan nu al in Gods rust binnen in een soort van anticipatie, namelijk in Christus Zelf, die Gods rust is en Wiens heerlijkheid God als een deken uitspreidt over Zijn verlosten (Jes. 4:5-6).
Nadat we kort de kenmerken hebben besproken van de mensen die God tot de waarheid over hun woonplaats kan leiden, willen we ze nogmaals op een rijtje zetten. Het zijn …
- Een volk onder de bescherming van het bloed van het Lam.
- Een volk verlost door dit kostbare bloed.
- Een volk bevrijd van de macht van de zonde door de dood en opstanding van Christus.
- Een volk gevoed en gesteund tijdens hun tocht door de woestijn.
- Een volk geheiligd tot gehoorzaamheid door het bloed van Christus.
- Een volk hersteld van de zonde en dwaasheid van het zich afwijken van God.
- Een volk, dat in gedachten de rust van God is ingegaan.
Wanneer onze harten deze waarheden tot op zekere hoogte hebben begrepen, zullen we in een morele staat verkeren waarin we ons kunnen verblijden over wat God heeft geopenbaard met betrekking tot Zijn woonplaats onder Zijn volk, en daardoor gesterkt worden in Zijn genade.
© www.soundwords.de; Samuel Ridout
Online in het Duits sinds: 25.05.2021, geactualiseerd: 04.05.2025
Originele titel: “With Whom does God Dwell?”
Lezing 1 uit: “Lectures on the Tabernacle, 1914”.
Bron: www.stempublishing.com
Vertaald naar het Duits: Stephan Keune
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW