5 jaar geleden

Kinderopvoeding in het gezin van gelovige ouders

Geliefde broeders en zusters,

Ik heb hier uw brief, waarin u op zoek bent naar hulp bij een zeer interessant en belangrijk onderwerp van kinderopvoeding, namelijk de kinderen van degenen die behoren tot Christus. Ik bedoel hen, die ware kinderen van God zijn. Ik voel me zwak, over een dergelijk onderwerp te spreken, maar ik ben bemoedigd door de genade, waarvan ik elke dag zo veel leer.

U vraagt: Hoe moeten we hen zien: Als “op de kinderen van de toorn, net zoals de rest dat zijn” als op hen die “van de wereld zijn, dat in het boze ligt “, “op wie de toorn van God ligt” enzovoorts?

En ik geloof, dat we hier duidelijk onderscheid maken moeten tussen een morele status in Gods ogen – in allen zijn van nature zonden en misdaden aanwezig -, én de bevoorrechte plaats of de sfeer van zegen, waarin God de “gezinnen” van Zijn volk beschouwt, dat wil zeggen allen die God als aan het hoofd van het huis toebehorend aanziet. Dat er altijd al een dergelijke sfeer van de voorrecht geweest is, zeker vanaf de zondvloed, zo niet altijd, dat is voor mij vanuit de Schrift gezien heel duidelijk. Een atmosfeer van zegen, waarin God Zijn kind gebracht heeft en waarmee Hij het omringd heeft met vrouw en kinderen, zodat het licht dat Hij in de harten van het hoofd van het huis ontstoken heeft, helder naar buiten kan schijnen en door Zijn genade de kennis van God in de harten van hen brengen kan, die met hem in huis zijn.

Dat moet je natuurlijk allemaal onderscheiden van de natuur van degenen die zo bevoorrecht en uiterlijk door God gezegend zijn. Natuurlijk gaat het om precies dezelfde verdorven, nutteloze mensen zoals in de rest van de mensheid om ons heen.

Maar als God hen alleen als kinderen van de toorn bezien zou, dan zou Hij niet tegen de christelijke ouders hebben gezegd: “Voedt hen op in de tucht en vermaning van de Heer”. En u moet niet denken dat het hier alleen om gelovige kinderen gaat, waaraan de Geest in Efeze 6:1-4 denkt. De apostel laat het hier open, of ze nu wedergeboren zijn of niet, hij spreekt hen eenvoudig aan als kinderen. Hij zegt tegen de ouders dat zij hen moeten opvoeden voor Hem (zoals Jochebed Mozes opvoedde voor de dochter van de Farao) in de tucht en vermaning van de Heer. En het is absoluut zeker dat Hij ons deze vermaning niet geeft wanneer Hij van plan is hen later weer weg te stoten.

Ik denk dat er veel ligt opgesloten in de uitdrukking “de tucht en vermaning van de Heer”. Hij oefent tucht en vermaning over en met ons uit, en we moeten dit op een vergelijkbare manier op onze kinderen uitoefenen. Zijn zachte geduld, Zijn bewarende liefde wordt nooit moe, verwerpt nooit het doel totdat het bereikt is. Zijn trouw vleit nooit, maar gaat met ons om zodat wij op een praktische manier voorkomen alles wat onze boze natuur bevordert en de wereld, waaruit Hij ons heeft bevrijd. Het doel van God met ons is dat wij het vlees en alles wat daarbij uit de oude Adam en zijn wegen komt, afwijzen, en anderzijds aan Hem gelijkvormig worden. Dat typeert Zijn manier van wegen van tucht met ons, waarop Hij verheerlijkt wordt. En als we opgroeien en bekend worden met deze handelwijze, die Hij ten opzichte van ons, die Hij naar Zichzelf gebracht heeft, had voorzien, dan leren wij de handelwijze van Hem, die wij ook op onze kinderen moeten toepassen. We moeten proberen hen te laten zien waar de neigingen en de wil van het vlees vandaan komen en waarheen ze leiden. We moeten deze neigingen in onze kinderen verbieden, zelfs zoals de Heer dat ook met ons doet, en proberen om hun geest en hun harten naar Jezus te trekken, en met geduldige genade en blijvende liefde, hen tuchtigen en vermanen wat goed is voor hen.

Ik heb ook het gevoel dat het gezin de normale plaats voor de bekering van het kind is. Ik ben er zeker van dat veel van wat ons verteld wordt van bekeringen van kinderen, alleen dat, wat al lang in de ziel geweest is, tot een heel duidelijk punt gebracht is. Het is zeer wenselijk dat het deze duidelijke uitdrukking op de manier van een belijdenis van Christus in het kind accepteert; maar ik ben bang voor alles, wat door een soort van opwinding en ophitsing veroorzaakt wordt, waardoor het jonge, beïnvloedbare hart zo snel onder de indruk komt, en zij op deze manier tot onrijpe ontwikkeling van de nauwelijks waarneembare impulsen van het leven in de ziel gedwongen wordt. Ik geloof dat over het algemeen zulke gevallen de ziel verzwakken en het resultaat is vaak hetzelfde, wanneer je te vroeg de eierschaal van een vogeltje verwijdert. Er zal een zwakke toestand van de ziel overblijven.

Mijn indruk is (en de uitzondering bevestigt de regel) dat het kind van gelovige christelijke ouders, zelden – of nooit – in staat zal zijn te vertellen wanneer het bekeerd is, zoals wij dat zeggen. Het is waar dat tegelijkertijd het kind of de ouders in staat kunnen zijn om terug te kijken op een moment dat het geloof en het leven dat al in de ziel was, een zeer specifieke vorm aangenomen heeft en zich in activiteit en energie toonde, zoals zich de schoonheid en geur van een bloem verspreiden, die uit de kleine, onzichtbare kiem of uit de nauwelijks zichtbare knop groeien, zodra de aangename warmte van de zon en de zachte regen hen daartoe brengen, om voor de eerste maal hun bloemblaadjes te openen.

Hoe mooi was het geloof dat zonder welke vragen dan ook bij Hanna aanwezig was! Haar zoon, de vrucht van haar gebed, werd naar Silo gebracht, niet zonder de offergaven van het geloof in haar eigen en ook in de handen van haar man; op zo’n jonge leeftijd, zoals zijn tijd van spenen was, voordat levend geloof in de ziel van het kind zou kunnen werken, sprak zij toen tot Eli: “Och mijn heer, zowaar u zelf leeft, mijn heer, ik ben die vrouw die hier bij u stond om tot de Heer te bidden. Ik bad om deze jongen, en de HEERE heeft mij gegeven wat ik van Hem gebeden heb. Daarom heb ik hem ook voor alle dagen dat hij op aarde is, aan de HEERE overgegeven …” (1 Sam. 1:26-28).

Het contrast met het geval van het huis van Eli is ernstig en leerzaam. Het illustreert de aansluiting van gelovigen met zijn huis in Gods ogen: “Op die dag zal Ik over Eli alles gestand doen wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, van het begin tot het einde. Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken” (1 Sam. 3:12,13).

Als wij nu, geliefde broeders, over de bekering van een kind van een gelovige spreken, en vaststellen dat de tijd of het tijd stip daarvan meestal zelden bekend is, indien ooit, dan wil ik graag het geval van de jonge Timotheüs noemen. Hij werd opgevoed vanaf zijn kindertijd in de kennis van de heilige Schriften, die in staat waren hem wijs te maken tot zaligheid door het geloof dat in Christus Jezus is, want hij werd opgevoed door een vrome, toegewijde moeder en waarschijnlijk ook grootmoeder; over het ongeveinsde geloof van hen spreekt de oude apostel op een ontroerende wijze (2 Timoteüs 1:5). De gezegende kennis van het Woord van God, dat zo vroeg in dit jonge en beïnvloedbare hart geplant werd, en zo beleden werd, zoals een kind het ook belijden kan, bereidde ook de weg voor naar het moment toen het leven dat het aan zijn ziel bracht, zich uitstrekte naar de vrijheid van de genade en kennis van Christus door de apostel Paulus, toen hij in Lystra was. De apostel noemt hem zijn eigen kind in het geloof.

Dit is, geloof ik, een waar voorbeeld van de bekering van een kind van gelovige ouders. Het heeft het onschatbare voorrecht in een kring te zijn, waar de naam van Jezus een woord is dat bij de huishouding behoort en bij de grote omstandigheden en activiteiten van het leven van hun ouders. Zijn ouders hebben het gevoel dat ze hem van de Heer terugontvangen hebben, zodat hij zal worden groot gebracht onder het juk van Christus, van de vroegste momenten van zijn bestaan af. Zij voelen ook dat zij Hem, die hen gevraagd heeft dat te doen, niet tevergeefs vertrouwen met betrekking tot het levend maken van de ziel. Het kind heeft dat nodig, zoals ieder het nodig heeft, zodat het inderdaad leven heeft. Zij voeden het op bij het geloof in Christus, en werpen geen moment een blik van twijfel in zijn jonge en beïnvloedbare hart, dat het niet de Heer zou toebehoren. Ze onderwijzen hem in de weg dat God vergeeft en redt door het kostbare bloed van Jezus Christus. Ze leggen hem uit hoe de genade van God ontvangen wordt. Ze tonen de kinderen de verschrikkelijke gevolgen van ongeloof en verwerping van Christus. Ze leggen uit hoe echt geloof herkend wordt en onderscheiden wordt van de valse en holle belijdenis om ons heen. Ze leren hem dat gehoorzaamheid en het verlangen om de Heer te behagen, onder wiens juk hij opgevoed wordt, de ware manier is waarop het leven van God in de mens zich ontvouwt.

En zo wordt het geweten door dit onderwijs opgewekt. En als er in deze dingen wordt gefaald, dan wordt het ook gewezen op de noodzaak en het belang van de belijdenis van zonden en daarop, hoe men de last van zijn ziel bij Christus kan werpen. Daaraan wordt waarde gehecht en daartoe wordt het aangemoedigd. Ook wordt het verlangen om de Heer de verlangens van het hart bekend te maken voor zichzelf of voor anderen bekend te maken, naar de ware bron gewezen, het gebed: al deze dingen leiden het kind in de richting van vertrouwen op God, en het groeit op tot Christus net zoals het zich door de babyvoeding zich langzaam in de natuurlijke krachten ontwikkeld heeft.

Terwijl deze opvoeding voortgaat, hoe zal het hart van een gelovig ouder in stilte wachten op God, dat de soevereine levendmakende kracht die Hij alleen bezit, voor zijn kind werkzaam wordt, waarvan hij weet dat het van nature dood is in overtredingen en zonden. U zult ook merken, beste broeder, dat het in de tucht en vermaning “van de Heer” is. Dit impliceert respect en erkenning van het gezag van degene die over het kind gesteld is. Het betekent niet een relatie zoals tot de “Vader” of zoals tot “Christus”. Dat wat daarbij past, zou “zoon” of “kind” zijn of “lid van Zijn lichaam”. Dit is ook erg belangrijk: Hoewel het waar is dat niemand waarachtig aangenaam zijn kan voor Hem dan degenen die een relatie met Hem hebben, zo betekent het woord ”Heer” dit niet noodzakelijk en uitsluitend.

Als kinderen anders behandeld worden, betekent dat naar mijn begrip, hun zielen verwonden en het werk van Gods genade hinderen, voor zover wij dat beïnvloeden kunnen. Als een kind vaststelt, dat zijn ouders zelf gewoonlijk hun uiterlijke relatie met God beschouwen als iets voor buitenshuis (vgl. Deut. 14:2 met Ef. 2:3; zie ook 1 Kor. 7:14), en als het dan de ouders voor zichzelf hoort bidden, als mensen die niet gered zijn, dan groeit hij op met het idee (wat waar kan zijn), dat dit zo is. Het ziet dan bekering als iets dat op een dag misschien over hem zou kunnen komen, en misschien ook niet. In plaats van zijn ogen op Christus en helemaal van zichzelf weg te richten, kijken zijn ogen naar binnen en wordt zo verwond en gehinderd in zijn ziel: teruggeworpen misschien voor een lange tijd, in duisternis en hiermee bezig zijn, waarheen het bezig zijn met zichzelf noodzakelijkerwijze leiden moet; terwijl aan de andere kant, wanneer men anders met het kind gehandeld had, het door genade de goedheid van God genoten zou hebben, dat beter is dan het leven.

Onwillig heeft Mozes een dergelijk compromis met satan, zoals voorgesteld door de farao (Ex. 10), afgewezen. Zijn antwoord: “Laat de mannen gaan”, beantwoordde hij met: “Wij zullen met onze jongeren en ouderen gaan. Met onze zonen en met onze dochters”, enzovoorts. En hoe vaak vallen christelijke ouders niet in dezelfde valstrik van de vijand en gaan apart met betrekking tot de uiterlijke bodem van zegen tussen ouders en kinderen, zowel in hun eigen begrip als in het onderwijs, dat ze hen geven. Nee! Allen moeten zoals Noach oudsher op dezelfde plaats van zegen zijn. “Ga in de ark, u en heel uw gezin” is het bewijs van deze gezegende weg van Gods goedheid en Zijn barmhartigheid. “Ik heb gezien dat u temidden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig bent”, spreekt ervan, dat het hoofd van het gezin gezegend werd, en zelfs zijn zoon, die helaas zijn vader later onteerde, ging met hem mee naar de plaats van veiligheid.

Zeker zullen wijze ouders hun kind niet als een kind van God beschouwen, voordat ze de tekenen van een ontwaakt geweten herkennen en de vrees van de Heer in hem waarnemen. Maar ze proberen zijn hart naar Christus te leiden, in de praktijk, in entertainment en in de weg die ze gaan. En zo wordt afhankelijkheid van God, dankbaarheid van het hart voor Zijn barmhartigheden, gehoorzaamheid aan Zijn wil op zijn hart gelegd en het geloof van een ouder wordt door God beantwoord, doordat Hij het kind levend geloof schenkt. Ik geloof dat we voor onze kinderen op God moeten rekenen; voor ieder van hen – en waar bij ouders waar geloof is, om dat te doen, daar zal ook Hij die het kind geschonken heeft, het geloof beantwoorden doordat Hij het kind tot een van de Zijnen maakt.

F.G. Patterson

Uit: Words of Truth, Vol. 7, pag. 36-40

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol