13 jaar geleden

Hoofdschap en hoofdbedekking (I)

Moeten we daar nu nog over praten? Dat is toch al lang achterhaald? In onze dagen gaan we toch niet weer oude koeien uit de sloot halen en onze geëmancipeerde vrouwen opzadelen met een ‘domme hoed’ of een ‘onnozel hoofddoekje’? Laat dat nu eventjes over aan de leden van ons koninklijk huis en andere hoogwaardigheidsbekleders wanneer zij op bepaalde gelegenheden een wedstrijd hebben wie de mooiste en vooral de meest excentrieke hoed draagt. “Blauw bloed” van de EO heeft daar wel mooi werk mee, maar val mij daar nu niet mee lastig. We proberen immers nu net om in onze maatschappij het dragen van een ‘sluier’ door hen die de Islam aanhangen uit te roeien. Grote broer Frankrijk is daarin ons een goed voorbeeld. Wel, deze en nog veel meer andere meningen kunt u hebben, om iets wat in de Bijbel omtrent hoofdbedekking – en wat daaraan verbonden is – te negeren en vervolgens als ‘middeleeuws’ of als ‘cultuur- cq tijdgebonden’ te verwerpen. Toch wil ik uw aandacht vragen voor iets wat voor God wel zoveel waarde heeft, dat Hij ervoor gezorgd heeft dat dit in Zijn boek, de Bijbel, staat. Zet je vooroordelen aan de kant en lees …

Voorwoord

Wat een heerlijke waarheid is de Goddelijke instelling van het hoofdschap! Het hoogste en voornaamste is het hoofdschap van God: “Die de zalige en enige heerser, de koning der koningen en Heer der heren is” (1 Timotheüs 6:15). Dit behoort onze harten te vullen met ontzag en eerbied! Hij is het Hoofd van Christus, Die Zelf de verheven en verheerlijkte Mens is: “… en heeft Hem als Hoofd boven alles gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem, Die alles in allen vervult; …” (1 Korinthe 11:3; Efeze 1:22-23).

Daarna zien we in de schepping de man die geschapen was naar “het beeld en de heerlijkheid van God” als de vertegenwoordiger van God als hoofd geplaatst. En dat allereerst als “het hoofd van de vrouw en van de familie” (1 Korinthe 11:3, 7; Efeze 5:23). Deze belangrijke aspecten van het hoofdschap beheersen ook de voorschriften over het ‘bedekte’ hoofd en het ‘onbedekte’ hoofd in de tegenwoordigheid van de Heer. Ze zijn gegrond op Goddelijke openbaring!

In onze dagen van verandering en algemene afwijking van het Woord van God en van de Goddelijke principes in de Heilige Schrift, wordt het noodzakelijk het onderwerp “hoofdbedekking en hoofdschap” opnieuw te onderzoeken.

In de hoop sommige gelovigen van dienst te zijn bij het onderzoek van dit belangrijke onderwerp, is deze brochure geschreven. We hebben deze daarna aan meerdere broeders die het Woord van God goed onderzocht hebben, ter controle gegeven En zij hebben mij geholpen en aangemoedigd. We hebben onderzocht wat de Schrift leert en ook diverse beschouwingen en verklaringen nageslagen, die in deze tijd uitgegeven zijn over dit onderwerp.

HOOFDSCHAP

Het ons gegeven apostolisch voorschrift over de hoofdbedekking in de Brief aan de Korinthiërs begint met de fundamentele waarheid van het hoofdschap.

Het grondbeginsel van het hoofdschap van God, van Christus en van de man is de basis van het gehele onderwijs over de hoofdbedekking in hoofdstuk 11.

Daarom is dit een bijzondere belangrijke zaak, omdat het gegrond is op een fundamentele leerstelling.

“Maar ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus. Iedere man die bidt of profeteert met iets op zijn hoofd, onteert zijn hoofd; en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is één en hetzelfde alsof zij geschoren was. Want als een vrouw niet gedekt is, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw schande is, zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, dan moet zij zich dekken. Want de man moet het hoofd niet dekken, daar hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man” (1 Korinthe 11:3-7).

Drie symbolen

Merk op dat het onderwijs over het hoofdschap en de hoofdbedekking vooraf gaat aan het onderwijs over het avondmaal van de Heer. Het staat dus tussen de voorschriften van de tafel van de Heer in hoofdstuk 10 en het avondmaal in hoofdstuk 11. In dit deel van de Schrift zijn ons drie symbolen gegeven: Het brood, de beker en de hoofdbedekking. Zij zijn met elkaar verbonden! Hoe zullen wij het dan wagen één van deze als onbelangrijk terzijde te stellen, of naar eigen keus, of alleen voor de tijd van de gemeente te Korinthe?

Drieënig hoofdschap

Ten eerste wordt God voorgesteld als het Hoofd van de Mens Christus Jezus en als de hoogste Autoriteit. Dit hoofdschap werd volmaakt geopenbaard in het leven van de Heer Jezus Christus en zal getoond worden in de eeuwige toestand wanneer de Zoon als Mens onderworpen zal zijn: “… aan Hem Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen” (1 Korinthe 15:28).

Ten tweede is Christus het Hoofd van iedere man en de heerlijkheid van dat hoofdschap wordt openbaar door het onbedekte hoofd van de man wanneer hij bidt of profeteert.

Ten derde is de man het hoofd van de vrouw. Dat hoofdschap wordt erkend door de vrouw in het symbool van de hoofdbedekking. De heerlijkheid van het hoofdschap van de man wordt bedekt door de vrouw in de tegenwoordigheid van de heerlijkheid van het hoofdschap van Christus, dat gesymboliseerd wordt door het onbedekte hoofd van de man. Dit is het Goddelijke bevel op het gebied van het ingestelde hoofdschap (“heerlijkheid” wordt omschreven als: “Tentoongespreide voortreffelijkheid”).

Hoofdbedekking

Het onbedekte hoofd van de man en het bedekte hoofd van de vrouw zijn gegeven als de Goddelijk voorgeschreven zichtbare erkenning van van het bevel van God van het hoofdschap en het teken van gezag. Satan tracht altijd het hoofdschap van Christus aan te vallen en ook dat wat het tentoonspreidt. Ook in deze tijd is veel ingebracht wat deze kardinale waarheid ontkent.

Er ligt daarom een diepgaande Goddelijke waarheid ten grondslag aan deze zaak van de hoofdbedekking. Er is een werkelijke Schriftuurlijke reden en betekenis aan dit voorgeschreven bevel van het onbedekte hoofd van de man en het bedekte hoofd van de vrouw in de tegenwoordigheid van de Heer. Het is niet een zaak van gewoonte of Oosterse cultuur. Ook is het niet maar een vraag van superioriteit of ondergeschiktheid, maar van onderlinge posities in de orde van God.

De man

Merk op dat de man eerst wordt toegesproken met betrekking tot de hoofdbedekking. Sinds hij “het beeld en de heerlijkheid van God” is (Zijn vertegenwoordiger op aarde), zou hij Christus onteren en beschamen, als hij zijn eigen hoofd bedekt had tijdens het bidden en profeteren. De heerlijkheid van Christus behoort gezien te worden en niet bedekt te zijn. Dus heeft de man de eerste verantwoordelijkheid in deze zaak van de hoofdbedekking.

Het is niet iets dat speciaal toegepast wordt op de vrouwen. Het onbedekte hoofd van de man in gebed, tijdens het spreken over Goddelijke dingen en in een openbare samenkomst, is niet een zaak van louter beschaving en algemeen aangenomen fatsoensorde. Het is in overeenstemming met de Goddelijke orde die het hoofdschap en de heerlijkheid van Christus tentoonspreidt.

De vrouw

Maar de vrouw is geschapen voor de man, zij is van de man en is de heerlijkheid van de man. Daarom moet haar hoofd bedekt zijn wanneer zij bidt of profeteert, want de heerlijkheid van de man mag niet gezien worden in de tegenwoordigheid van de heerlijkheid van het hoofdschap van Christus, die getoond wordt door het onbedekte hoofd van de man. De heerlijkheid en het hoofdschap van Christus – niet die van de man – moet tentoongespreid worden. Zo moet ook de persoonlijke heerlijkheid van het lange haar van de vrouw bedekt zijn (vers 15; we zullen dit later overdenken).

De schande van het onbedekte hoofd van de vrouw

“… en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is één en hetzelfde alsof zij geschoren was. Want als een vrouw niet gedekt is, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw schande is, zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, dan moet zij zich dekken” (vers 5-6).

Wanneer het hoofd van een vrouw onbedekt of geschoren was in het Oude Testament, was het een teken van schande, zoals te zien is in Numeri 5:18, waar een vrouw onder verdenking stond van haar echtgenoot. Ook in Deuteronomium 21:10-13 betreffende een vrouw, schoon van gedaante, die gevangen genomen is door een Israëliet. Eveneens hier in de Brief aan de Korinthiërs zegt de apostel dat, als een vrouw bidt of profeteert met haar hoofd onbedekt, dat gelijk is alsof haar hoofd geschoren was. Waar het voor een vrouw een teken van schande is har haar af te knippen of geschoren te zijn, behoort zij haar hoofd bedekt te hebben.

Een vrouw mag geen teken van schande op zich hebben in de tegenwoordigheid van de Heer. Zij mag niet voor God verschijnen, zoals één die in het Oude Testament verdacht werd van ontrouw aan haar man.

De bedekking op haar hoofd wilde aangeven dat zij haar man als haar hoofd erkent en zijn volledige vertrouwen geniet. In de wereld van vandaag is het ook een antwoord op of weigering aan de onschriftuurlijke buitensporigheden en houding van de tegenwoordige bewegingen zoals “Bevrijding van vrouwen” en “Unisex”.

Algemene toepassing

Het bedekken van het hoofd is zowel van toepassing op ongetrouwde vrouwen als op getrouwde vrouwen. Er wordt in dit onderdeel over hoofdschap en hoofdbedekking gesproken over de vrouwen in het algemeen en de man in het algemeen.

Numeri 30:3-5 zegt dat een jonge vrouw in haar vaders huis aan zijn gezag onderworpen is. Haar geloften konden alleen volbracht worden als haar vader het toestond. Eveneens waren de beloften van een echtgenote slechts van kracht als haar man ze toestond. Dus een vrouw heeft het gezag te erkennen van haar vader, haar echtgenoot en van de man in het algemeen in de tegenwoordigheid van de Heer. Haar hoofdbedekking is een teken daarvan. Dus een vrouw die tijdens geestelijke activiteiten geen bedekking op haar hoofd heeft, maakt een gebaar, of: wil laten zien, dat zij een plaats van gezag heeft ingenomen en haar eigen gepaste positie van onderworpenheid heeft verlaten. Natuurlijk behoort aan deze openlijke onderworpenheid aan de man (te kennen geven door het dragen van het symbool van de hoofdbedekking) ook kracht bijgezet te worden door een leven dat gehoorzaamheid en onderworpenheid aan de Goddelijke orde openbaar maakt.

ORDE IN DE SCHEPPING

De apostel Paulus verwijst ook naar de orde van God in de schepping met betrekking tot het onderwerp van het hoofdschap. De mens was geschapen naar het beeld en de heerlijkheid van God. “… maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man; want de man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. Daarom moet de vrouw een macht [een symbool van gezag] op het hoofd hebben ter wille van de engelen. Evenwel is noch de vrouw zonder de man, noch de man zonder de vrouw, in de Heer. Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God” (1 Korinthe 11:7-12).

De mens was geschapen naar het beeld en de heerlijkheid van God. Hij vertegenwoordigde het gezag van God en was bekleed met de heerlijkheid van God. De vrouw ontstond uit de man en was geschapen voor hem tot een “hulpe, die als tegen hem over zij”, geschikt voor hem (Genesis 2:18-24). Dit geeft aan dat de man haar hoofd is.

Daarom schrijft de apostel met het oog op de plaats van de vrouw in de schepping, dat zij een symbool van gezag op haar hoofd behoort te hebben, een teken van haar bestaan onder het gezag van de man. Dit is het wat haar hoofdbedekking voorstelt.

In 1 Korinthe 11:8-12 hebben we een volmaakt beschermde en evenwichtige voorstelling van de verhouding van man en vrouw. Er is gelijkheid en verscheidenheid. Hoewel de vrouw uit de man gemaakt is, is iedere man na Adam gekomen door geboorte uit de vrouw. God heeft nooit bedoeld, dat de geslachten onafhankelijk van elkaar of in wedijver zouden zijn. Maar er is Goddelijke orde, en het hoofdschap is bekleed in de man.

De engelen

Aan het eind van vers 10 voegt de apostel toe: “… terwille van de engelen” aan: “Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben”. Engelen zien wonderlijke orde en ontwerp in de gehele schepping en zij zijn toeschouwers van de wegen van verlossing van God. Zij zijn begerig in te zien in de dingen, welke de profeten gesproken hebben (1 Petrus 1:10-12).

De serafs bedekken zichzelf in de tegenwoordigheid van de Heer (Jesaja 6:1-3), en zij zien toe of de vrouwen hetzelfde doen in het erkennen van de orde van God. De engelen behoren geen wanorde te zien onder de Christenen, zeker niet in de gemeente van de levende God. Het doel van God is: … opdat nu aan overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente bekend gemaakt zou worden de veelvoudige wijsheid van God” (Efeze 3:10).

Broeder J.N. Darby heeft juist geschreven: “Hoe de mens ook gevallen mag zijn, de Goddelijke orde in de schepping verliest nooit zijn waarde als de uitdrukking van de gedachte van God … zijn positie in de wereld, als hoofd en middelpunt van alle dingen – wat geen engel nooit geweest is – is de gedachte van God Zelf. Zo is het ook met de positie van de vrouw, de gezellin van zijn heerlijkheid, maar aan hem onderworpen: Een plan wat volkomen verheerlijkt zal zijn in Christus, en met betrekking tot de vrouw in de vergadering; maar wat waar is in zichzelf, zijnde de gevestigde orde van God en als zodanig altijd juist (Synopsis Vol. 4; Synopsis VII bladz. 37-38).

Wat de natuur leert

De geïnspireerde schrijver vervolgt zijn stelling in de verzen 13-15 op grond van wat de natuur leert.
“Oordeelt zelf: is het betamelijk dat een vrouw ongedekt tot God bidt? leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt, het een schande voor hem is? Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat haar het lange haar tot een sluier gegeven is”.

Het is in het oog springend dat er een groot verschil is tussen de man en de vrouw in overeenstemming met de natuur. In het rijk van de natuur zijn zij op vele wijzen gevormd, geheel verschillend door Goddelijk ontwerp en bedoeling. Dus doet de apostel een beroep op het verstand van juistheid en gepastheid, gegrond op de verschillende vormgeving van de man en de vrouw in de natuur, als zijnde nog een reden waarom zij haar hoofd behoort te bedekken en anders dan de man voor God te verschijnen. Haar lange haar – in tegenstelling met het haar van de man – liet zien, dat zij niet geschapen was om voor alles zichzelf voor te stellen met dezelfde vrijheid als de man. Het lange haar dat haar gegeven is als een sluier, liet zien dat eerbaarheid en onderworpenheid als het ware bij een gedekt hoofd zijn inbegrepen. Dit was haar werkelijke positie door de natuur en haar kenmerkende heerlijkheid Synopsis Vol. 4, 1 Korinthe 11 – JND).

De apostel verklaart dus dat de natuur zelf leert, dat als een man lang haar heeft, het een oneer of schande voor hem is; maar als een vrouw lang haar heeft, het een eer voor haar is. Lang haar is betamelijk voor de vrouw en het is haar persoonlijke heerlijkheid. Het bekleedt haar lichamelijk als “het zwakker vat”, zoals 1 Petrus 3:7 zegt als aansporing tot de echtgenoten. Haar lange haar is een deel van: “… het onvergankelijke van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God. Want zo versierden zich vroeger ook de heilige vrouwen, die haar hoop op God stelden, terwijl zij aan hun eigen mannen onderdanig waren” (1 Petrus 3:4b-5).

Kort haar was onbekend onder de heilige vrouwen van vroeger. Waarom zou een vrouw veel van haar heerlijkheid afknippen en het wegwerpen? De vrouw in Lukas 7, van wie de Heer zei: “… zij heeft veel liefgehad”, waste Zijn voeten met haar tranen van berouw en droogde za af met de haren van haar hoofd. Haar haar was lang genoeg om te gebruiken als een handdoek tijdens de verkwikking voor de gezegende Heiland.

Tot besluit van dit gezichtspunt over wat de natuur leert, is een opmerkelijke bewering gemaakt, dat de vrouw: “… lang haar is gegeven (aan haar) in plaats van een sluier” (Nieuwe Vertaling JND). De King James Vertaling geeft dit weer met: “… haar haar is haar gegeven tot een bedekking”. In dit geval is het niet juist. Het woord in het oorspronkelijke Grieks is een ander woord dan gebruikt wordt voor “bedekking” in dit gedeelte. Hier in vers 15 is het “peribolaiou”, wat betekent: “dat wat rondom gedragen wordt” – dat wil zeggen zoals een sluier. Elders is het woord voor bedekking “katakaluptespho”, wat betekent: “Toedekken, bedekking van een hoofd” (Liddel en Scott Lexicon; Thayer’s Greek-English Lexicon: Expository Dictionary, W.E. Vine). De bedoeling in vers 15 is dat een vrouw zichzelf kon sluieren met haar lange haar. Dit legt nog meer de nadruk op het voorschrift van zichzelf te bedekken in de tegenwoordigheid van God.

Het lange haar is niet een hoofdbedekking

Sommigen hebben deze onjuiste vertaling aangegrepen “… haar haar is haar gegeven tot een bedekking” en leren dat het lange haar van een vrouw de bedekking van haar hoofd is. Maar als de heerlijkheid van de man bedekt behoort te zijn in de tegenwoordigheid van de heerlijkheid van Christus, vervolgens het lange haar van de vrouw wat haar persoonlijke heerlijkheid is, behoort dit ook beslist bedekt te zijn.

Op dit punt willen we in het kort de aandacht vestigen op enkel ontoereikende dingen die soms als hoofdbedekkingen gebruikt worden.
Is een lint geplaatst op het hoofd het antwoord op de Schriftuurlijke inzetting van een bedekking? En zijn luchtige doorzichtige weefsels of opzichtige hoofddeksels die op een deel van het hoofd van de vrouw gedragen worden wel werkelijk een bedekking? Omdat er zijn die proberen de wettigheid van een goede bedekking te ontkennen, is het nodig realistisch te zijn en daarbij ook eerlijk en nauwgezet.

Iemand anders heeft geschreven: “Geve de Heer dat Christelijke vrouwen geoefend worden de juiste bedekking te kiezen, die voor dit doel gebruikt behoren te worden” (Paul Wilson).

De kledingswijze verandert; een mode komt en gaat. Het Woord van God verandert en veroudert niet. Daarom zou een belangrijke persoonlijke overweging zijn: “Waarom een vrouw een hoofdbedekking draagt, of dit nu wel of niet ouderwets, of het in de mode of een algemene gewoonte is, of dat het louter gedaan wordt uit gehoorzaamheid aan het Woord van God”.

R.K. Campbell – november 1984

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM