8 jaar geleden

Hier wil Ik wonen (2)

Gods woonplaats bij Zijn volk – deel 2

Het eerste deel van deze uiteenzetting ging over de vraag, hoe de woonplaats van God, 21 maal genoemd in Deuteronomium, in het licht van het Nieuwe Testament in de huidige tijd toegepast kan worden. Het antwoord: De genoemde kenmerken van deze plaats laten zich met de christelijke samenkomsten (of bijeenkomsten van de vergadering/gemeente) vergelijken. Drie van deze kenmerken had deel I al voorgesteld: Gods woonplaats is heilig, een plaats van vrijgevigheid en offer (verg. Deut. 12:14-15). Nu volgen verder nog vijf kenmerken.

4. Een plaats van vreugde (Deut. 16)

In Deuteronomium 16 wordt de woonplaats van de HEERE zes maal genoemd. De nadruk ligt hier op de vreugde. In verbinding met het paas- en loofhuttenfeest word gezegd:

“En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God … Zeven dagen moet u het feest vieren voor de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn” (Deut. 16:11,15)*.

Zijn de samenkomsten van de gemeente voor ons momenten van vreugde? Misschien niet altijd. Het kan zelfs zijn, dat we ons ergeren – over aanwezige personen of hun bijdrage of misschien ook over de niet geschikte ruimte-temperatuur. – Geven wij acht op de werking van onze oude natuur! In ons vlees woont niets goeds.

Als alle aanwezigen zich geheel op de Heer concentreren, dan worden de samenkomsten van de gemeente tot een plaats van vreugde. Op de voorgrond staat zeker de vreugde in de Heer zelf. Dat hebben de discipelen toen ook ervaren, toen zij uit vrees voor de Joden vergaderd waren (het waren nog geen christelijke samenkomsten). De Heer Jezus kwam in hun midden, en zij verheugden zich, toen zij Hem zagen (verg. Joh. 20:20).

1 Korinthe 14, dat het samenkomen als gemeente als centraal thema heeft (verg. 1 Kor. 14:23), noemt indirect ook de vreugde: “… ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen” (1 Kor. 14:15). Aanleiding daartoe geeft de Heer zelf, Zijn verzoeningsdood en ook de prediking van het Woord van God. Als verlosten zich over hun geestelijke zegeningen verblijden, zullen ze graag met een loflied instemmen. Vandaag mogen we al een voorsmaak beleven, wat eenmaal in de hemel plaatsvinden zal: Het geslachte Lam is het centrum en motief van de lofzang. De gelovigen aanbidden het Lam en zingen een nieuw lied (verg. Openb. 5:6 en volgende verzen). Dat is een vreugde die  niemand afnemen zal, maar die we ook nu al genieten kunnen.

5. Een plaats van beslissing (Deut. 17)

“Als bij de rechtspraak een zaak voor u te moeilijk is, bij geschilpunten binnen uw poorten met betrekking tot bloedvergieten, rechtsvordering of geweldpleging, dan moet u opstaan en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. Dan moet u naar de Levitische priesters gaan, en naar de rechter die er in die dagen is, en hen raadplegen. Zij zullen dan een gerechtelijke uitspraak voor u doen” (Deut. 17:8-9).

Twisten onder gelovigen? Ja, helaas kan dit voorkomen. Indien mogelijk moeten ze snel tussen de (beide) betroffenen geslecht worden, zonder de zaak te verbreiden (verg. Matth. 18:15). Zou dat niet gelukken, dan moeten er twee of drie geestelijke broeders meegenomen worden. Soms heeft een zonde toch een dimensie aangenomen, dat zij niet (meer) in een kleine kring behandeld kan worden. De zaak is dan “te moeilijk om te beoordelen”. Wat moet men nu doen? Toen was er een plaats waar priester en rechter woonachtig waren en de noodzakelijke beslissingen namen, waaraan zich de betroffenen te houden hadden. Vandaag is er ook een “plaats” waar beslissingen genomen worden, die zowel op aarde als ook in de hemel erkend worden. Het is de plaatselijke gemeente, met de Heer in het midden. De Heer Jezus zelf spreekt ervan: “Alles wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden zijn; alles wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden zijn” (Matth. 18:18). Later, toen in Korinthe een geval voorkwam, waar de gemeente iemand die hoererij bedreven had uit de gemeente moest wegdoen, past Paulus de aanwijzing van de Heer toe (verg. 1 Kor. 5:2 en volgende verzen). Op de geestelijke voorwaarden voor zo’n tuchtmaatregel legt de apostel daarbij bijzondere nadruk (verg. vs. 2 en 4):

De gemeente moet over de zonde leed dragen; zij moet in de naam van de Heer Jezus handelen; de gelovigen moeten in de kracht van de Heer Jezus vergaderd zijn.

De Heer geeft dus de plaatselijke gemeente de volmacht, beslissingen met grote draagwijdte en onbeperkte verplichting1 te nemen. Zij gelden voor de gehele gemeente, wereldwijd. Want wie toentertijd in Korinthe “buiten” (dat betekent buiten de christelijke gemeenschap) was, was het ook in Efeze.

“Waarom is zo’n maatregel eigenlijk noodzakelijk?”, kan iemand vragen. Voor een rechtspraak in het tijdperk van de wet heeft men misschien meer begrip dan voor een tuchtmaatregel in de genadetijd. Toch willen we erop letten, dat het onderwijs van de 1e Korinthebrief algemene en tijdloze geldigheid hebben (1 Kor. 7:17; 14:33; 16:1); de Heer alleen daar “wonen” kan, waar in overeenstemming met Zijn heilige natuur gehandeld wordt (verg. Ps. 93:5).

6. Een plaats van de (Levitische) dienst (Deut. 18)

“Verder, wanneer er een Leviet komt, uit een van uw poorten in heel Israël, waar hij als vreemdeling verblijft, en hij naar het volle verlangen van zijn ziel naar de plaats komt die de HEERE zal uitkiezen, en hij daar dient in de Naam van de HEERE, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die daar voor het aangezicht van de HEERE staan, dan moet hij een evenredig deel aan voedsel ontvangen, ongeacht wat hij uit familiebezit verkocht heeft” (Deut. 18:6-8).

De stam Levi nam onder de 12 stammen een bijzondere plaats in. God had hen geen uitgekozen landstreek in Kanaän in bezit gegeven. Hun “erfdeel” bestond uit: de vuuroffers van de HEERE (Joz. 13:14); de HEERE zelf (Joz. 13:33); het priesterdom van de HEERE (Joz. 18:7) en 48 steden en hun grondgebied, binnen de verschillende stamgebieden (Joz. 21).

Daarom leefden de Levieten in het algemeen temidden van het gehele volk. Omdat bepaalde feesten uitsluitend op de plaats moesten worden gevierd, waar de HEERE Zijn Naam wilde laten wonen, was het duidelijk, dat ook de Levieten daarheen kwamen. Want aan hen waren de offerdienst en de dienst in het huis van God toevertrouwd.

In beeld zien we in de Levieten dienaren van de Heer, die verschillende opdrachten in verbinding met het huis van God hebben. En de “plaats”, waar vandaag in het bijzonder gediend moet worden, zijn de bijbelse samenkomsten. Dit aspect werd al onder 2b) besproken, zodat het hier niet verder behoeft te worden uitgelegd.

Er valt nog één ding op: Om het even wie de Leviet was – wanneer hij op de verkoren plaats diende, dan moest hij ook verzorgd worden (“dan moet hij een evenredig deel aan voedsel ontvangen”). Zo ordende God het toentertijd voor Zijn volk. En hoe kan deze aanwijzing op de huidige tijd toegepast worden? Misschien zo: Komt ergens een dienaar van de Heer bij ons in de gemeente, en hij komt “in de naam van de Heer”, dan moeten wij hem opnemen en zijn boodschap aannemen. “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie ontvangt, wie Ik ook zend, ontvangt Mij …” (Joh. 13:20; verg. Matth. 10:40). Noch opleiding, rang en namen noch zwakheden en fouten mogen daarbij een rol spelen. Hij komt in opdracht van de Heer – dat is beslissend.

Het ontvangen van dienaars houdt ook zijn materiële verzorging in: “Laat hij die in het Woord onderwezen wordt, hem die onderwijs geeft, van alle goederen meedelen” (Gal. 6:6). Ook deze opdracht behelsd geen verdere voorwaarden. Zelfs als de dienaar welgesteld zou zijn: “ongeacht wat hij uit familiebezit verkocht heeft” – omdat hij met het geestelijke dient, zijn wij verplicht hem met het stoffelijke te verzorgen (verg. 1 Kor. 9:11)2.

7. Een plaats van de aanbidding (Deut. 26)

“En wanneer u in het land komt …, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, …; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen … Dan moet u ze neerzetten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE, uw God” (Deut. 26:1,2,10).

God geeft altijd het beste! Zo is het niet verwonderlijk, dat het land Kanaän, dat God aan Zijn volk geven wilde, als “een zeer goed land” getypeerd wordt. Deuteronomium 8 vers 7-10 bericht uitvoerig daarvan (Deut. 8:7-10). In dit land zou het aan het volk niets ontbreken. Toch geldt altijd: Als God zegent, wenst Hij een daarmee overeenstemmend antwoord van ons. En precies daarover handelen de geciteerde verzen. De eerste vruchten van een nieuwe oogst moesten aan God behoren. Als de Israëliet ze in een korf naar Jeruzalem dragen zou, mocht hij zich dankbaar aan de grote verandering herinneren: zijn vader toentertijd in ellende in het land Egypte – hij nu in een land “dat vloeit van melk en honig” (zie o.a. Deut. 6:3; 11:9). Daar bleef hem niets anders over dan zich te verwonderen, neer te vallen en te aanbidden.

Hoeveel groter is onze redding! Zij is eeuwig. En hoeveel heerlijker is ons “land”! Het is hemels. Beiden leren wij kennen en waarderen, als we ons de tijd nemen en zorgvuldig de brieven van het Nieuwe Testament lezen. Dan vult zich onze “korf” met waardevolle vruchten. Dat gebeurt eerst thuis. Daarom is ons privéleven met de Heer en Zijn Woord zo belangrijk. Het speelt een beslissende rol voor ons gemeenschappelijk leven, speciaal in de samenkomsten. Want zoals de Israëliet met de gevulde korf naar Jeruzalem ging, gaan wij met onze verworven indrukken naar de samenkomsten van de gemeente, om de Heer te danken en te aanbidden.

Aanbidding is – kort samengevat – het bewonderende aanschouwen van de goddelijke Personen. In zoverre wordt er zeker in elke samenkomst van de gemeente aangebeden, hardop of in stilte. Het samenkomen tot broodbreking heeft in dit opzicht een bijzondere betekenis. Het is in de eerste plaats een gedachtenis-maaltijd. De Zoon van God “Die ons liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave, tot een welriekende reuk voor God” (Ef. 5:1), is het Onderwerp van ons gedenken. En toch spelen ook de geestelijke zegeningen een grote rol, bijvoorbeeld dat alle verlosten de gemeente het éne lichaam vormen: “Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam” (1 Kor. 10:17). Beiden geven aanleiding, God, de Vader, en Zijn Zoon lof en aanbidding te brengen. Hoe eert het Hen, als velen daaraan deelnemen. Allen die bij zulke samenkomsten innerlijk “meegaan”, meezingen en van harte “amen” zeggen, zijn ingesloten: mannen en vrouwen, jong en oud, jongbekeerden en geestelijk gevorderden. Telt u zich ook tot zulke gelukkige christenen?

“Wie dank offert, zal Mij eren; wie de rechte weg gaat, zal Ik Gods heil doen zien” (Ps. 50:23).

8. Een plaats van het Woord van God (Deut. 31)

“Na verloop van zeven jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van de kwijtschelding, op het Loofhuttenfeest, als heel Israël komt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen, moet u deze wet ten aanhoren van heel Israël voorlezen” (Deut. 31:10,11).

De laatst vermelding van de plaats, die God uitkiezen wilde, staat in verbinding met twee gebeurtenissen: Het jaar van de kwijtschelding (verg. Deut. 15:1 en volgende verzen) en het loofhuttenfeest (verg. Deut. 16:13-15). Beiden herinnerden het volk aan de barmhartigheid van God. Hij had hen uit Egypte bevrijd en hen in het beloofde land rijk gezegend. En dit tijdstip hield God voor passend, in het openbaar het volk de wet te laten voorlezen.

En vandaag? Heeft het Woord van God nog de centrale plaats in de samenkomsten van de gemeente? Het kan door niets vervangen worden. Ook in een tijd, waar “de gezonde leer niet meer verdragen” wordt, geldt: “Predik het Woord (zie 2 Tim. 4:2-3). En wie zulke gezegende “plaatsen” kent, is dankbaar daarvoor en neemt – indien mogelijk – alle personen mee, die hem toevertrouwd zijn: Mannen, vrouwen, vreemden en zelfs kleine kinderen (verg. Deut. 31:12a). De Heer wenst, dat wij geestelijk groeien en volwassen worden (verg. Ef. 4:13). Daarom is het nodig, te horen, te leren, God te vrezen en het Woord van God te doen (verg. Deut. 31:12b). Alleen zo kan de Heer met ons tot Zijn doel komen.

Christelijke samenkomsten, waar de Heer in het midden is, zijn “plaatsen”, waarheen wij graag alles brengen, wat wij hebben, ook wanneer het vaak slechts een beetje is. En wanneer we daar geweest zijn, hebben we ons er vele malen verwonderd, hoeveel wij ontvangen hebben.

“Predik het Woord, houd aan gelegen of ongelegen …” (2 Tim. 4:2)

“Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen …”(Ezra 7:10).

Hartmut Mohnke

* De aanhalingen uit het Oude Testament komen uit de pas uitgekomen Herziene Staten Vertaling.

NOTEN:
1. Dat een plaatselijke vergadering (gemeente) zich ook vergissen kan, is buiten kijf. In zo’n geval moet de beslissing teruggenomen worden.
2. Daarvan onaangesproken is de verantwoording van de dienaar. Als hij welgesteld is of een bijzondere situatie voorhanden is (verg. 1 Kor. 9:12b), kan hij natuurlijk van de directe stoffelijke ondersteuning afstand doen.

© Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol