4 maanden geleden

Het zwijgen van de vrouwen in de gemeenten (2)

Dit is nog een studie over het zwijgen van vrouwen in de gemeente. Een goede aanvulling op het 1e artikel. {FW}

Een studie over 1 Korinthe 14 vers 34 en 35

“Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in [de] gemeente” (1 Kor. 14:34,35).

In de afgelopen jaren lijkt dit onderwerp een soort van “langdurige brandhaard” te zijn worden. Meer en meer leiders onder Christenen veranderen hun gedachten over dit onderwerp. Een paar jaar geleden zou het onmogelijk zijn geweest onder zogenaamde bijbelgetrouwe christenen zelfs te overwegen, dat zusters op enigerlei wijze leidend in de gemeenten bezig zouden zijn. Tegenwoordig zijn vrouwelijke predikanten en oudsten bijna niet weg te denken in veel christelijke kringen. In de tussentijd, zelfs onder de gemeenten die de Bijbel als absolute grondslag van alle vragen vast hebben gehouden, wordt de openbare deelname van de zusters in de gemeenten door het opgeven van liederen, door het uitspreken van gebeden en ook door profetische dienst als positief gezien.

Onder vele gelovigen wordt alleen nog maar gelachen om het feit, dat men hierover zelfs nog nadenkt. Je kunt onder andere insinuaties horen zoals “vrouwenhaters”, “problemen met het vrouwelijke geslacht”, “onverwerkt verleden met ervaringen met het vrouwelijke geslacht” en nog veel meer.

De psychologisering van pastorale zorg, de feministische herinterpretatie van de Bijbel, wordt intussen met kracht geïnfiltreerd in het zogenaamde evangelische kamp. Hoe is  het anders te begrijpen, dat er in Engeland onder de Methodisten nu de mogelijkheid is om tot zowel God de Vader als ook tot God de Moeder te bidden? Postmoderne filosofieën gecombineerd met een postmoderne levenshouding veranderen langzaam maar zeker de door God gegeven ordeningen.

We zijn van mening dat het dringend nodig is om voor deze ontwikkeling te waarschuwen. De volgende studie houdt zich hoofdzakelijk bezig met de tekst in 1 Korinthiërs 14.

  1. Het gaat in 1 Korinthe 14 duidelijk om het samenkomen van de gemeente op één plaats (1 Kor. 14:23; verg. 1 Kor. 11:20). Het doel van dit samenkomen is de opbouw van deze plaatselijke gemeente (1 Kor. 14:5,12,26).
  2. God zelf wil in het midden van deze plaatselijke gemeente door Zijn Geest werken. Hij wil onder hen zijn (1 Kor. 14:25).
  3. Profetie (profetische woorden tot opbouwing, vermaning, vertroosting, 1 Kor. 14:3), leer, spreken in tongen, nieuwe openbaringen, uitleg van openbaringen zouden de broeders in Korinthe ertoe moeten brengen om het tot opbouw van de gemeente door te geven (1 Kor. 14:26). Liefde moet de bron van alles zijn (1 Kor 14:1), alles moet “met orde” gedaan worden (1 Kor. 14:40). Het spreken in talen en profeteren moet “[ieder] op zijn beurt” gebeuren (1 Kor. 14:27,31) met het doel dat “allen leren en allen vertroost [vermaand] worden”. “Leren” en “vertroost (vermaand, bemoedigd)” worden is het doel van christelijke opbouwende samenkomsten. Het moeten leerprocessen en gedragsveranderingen bij hen die verzameld zijn teweeg brengen. Dit is in tegenspraak met de wijdverspreide ideeën van een zogenaamde ‘feelgood community’, waarin men comfortabel achterover leunt, min of meer luistert, en dan verder gaat in dezelfde sleur (1 Kor. 14:19,20).
  4. De deelnemende “profeten” (mannelijk, 1 Kor. 12:28; Ef. 3:5; Openb. 22:9) moeten zichzelf kunnen beheersen. Ze staan niet onder dwang om boodschappen door te geven, maar kunnen op anderen wachten; ze kunnen ook zwijgen, zich laten leiden door de Heilige Geest en niet door hun ego en hun verlangens (1 Kor. 14:30,32).
  5. Het hoofdstuk richt zich tot “broeders” (1 Kor. 14:6,20,26). Lees ook de volgende teksten: 1 Korinthe 1:10,11,26; 2:1; 3:1; 4:6; 6:8; 7:24,29; 8:12; 9:6; 10:1; 11:33; 12:1; 15:6,50,58; 16:12,15,20. Overigens is het onaanvaardbaar om overal “broeders en zusters” te vertalen voor “broeders” – zoals sommigen denken en vertalen. Deze vervalsing wijkt heel duidelijk af van de ordeningen van God.In het Nieuwe Testament wordt “broeder (adelphos)” en “zuster (adelphä)” in het enkelvoud heel duidelijk onderscheiden (zie bv. 1 Kor. 7:15; zie ook Mark. 3:35, enz.). Mattheüs 19 vers 29 wordt ook in het meervoud onderscheid tussen broers en zusters gemaakt. Er staat daar: “En ieder die heeft verlaten … broers, zusters” (adelphous ä adelphas). Broers en zusters worden ook samen vermeld in Lukas 14 vers 26. Dit maakt duidelijk dat “broeders” niet altijd “zusters” omvat.Maar – zo kan men terecht aanvoeren – als de gelovigen persoonlijk worden aangesproken (niet de eigenlijke familieleden), dan zouden de zusters in deze aanhef mee ingesloten zijn, dus eveneens aangesproken zijn? Dit geldt zeker ook voor veel passages, waar de context dit duidelijk maakt (bv. Rom. 1:13; 1 Thess. 1:4, enz.). Maar Handelingen 15 vers 7 spreekt van “broeders” en verwijst naar mannen (Hand. 15:6,13). In 1 Korinthe 7 vers 29 zou de tekst onbegrijpelijk zijn, omdat de context duidelijk verwijst naar “broeders” (mannen) (1 Kor. 7:1,2,24,27,29). In 1 Timotheüs 5 vers 1 worden de “jongere” broeders (mannen) genoemd in tegenstelling tot de jongere zusters. In 1 Timotheüs 6 vers 2 kunnen “broeders” alleen maar “mannelijke broeders” zijn, omdat eerder van “meesters” geschreven werd. De lezer kan deze studie verder verdiepen.Maar het is waar, dat volgens Benseler en andere woordenboeken inderdaad hoi adelphoi (“de broeders”) in het oud-Grieks “broeders en zusters”, ja zelfs “verwanten” betekenen kan. Maar kan men daaruit concluderen, dat men in het Nieuwe Testament zonder meer broeders kunt vertalen met “broeders en zusters”? Nee, dat klopt niet, zelfs niet waar zusters duidelijk mee aangesproken zijn. Zonder twijfel, in teksten zoals Romeinen 8 vers 29; Hebreeën 2 vers 11; 1 Johannes 3 vers 14 en vele andere zijn zusters mee ingesloten. Ook als in tekstplaatsen gelovigen worden aangesproken als “broeders”, kunnen “mannen en vrouwen” bedoeld zijn (Rom. 12:1; 1 Kor. 1:10; 1 Thess. 1:4; Hebr. 3:1), maar ook alleen mannen (1 Kor. 7:29).Verder, in een tijd van enorme antropologische (leer van de mens) en theologische (leer over God) veranderingen moeten we erkennen, dat deze denkwijzen typische kenmerken zijn van deze huidige tijd, waarin over de androgyne mens (een man-vrouw mens) of de “vrouwelijke zijde in God” wordt gesproken.In het Nieuwe Testament wordt in de aanspreekvorm alleen de term “broeders” gebruikt (en daarmee het mannelijk element benadrukt, zelfs als ze zo vaak gefaald hebben) en juist niet “zusters”. Wanneer zusters in het Nieuwe Testament aangesproken worden, staat in zo’n aanspreekvorm altijd “vrouwen” (Ef. 5:22; Kol. 3:18; 1 Petr. 3:1).Wie nu denkt dat deze uitspraak typisch patriarchaal is en een bewijs van de mannelijke zienswijze is, moet verweten worden, dat hij door de tijdgeest vastgegrepen is – misschien zonder het te beseffen.Nogmaals, zusters zijn zonder twijfel vaak ingesloten in de aanhef “broeders”, maar daarom kan men niet zomaar broeders met “broeders en zusters” vertalen. Trouwens: zouden alle vertalers het fout hebben gehad in de laatste 19 eeuwen en alleen in onze tijd van toenemende afval van het christelijk geloof een aantal “leiders” het juist zien?
  6. In 1 Korinthe 14 vers 26 worden “broeders” aangesproken en vers 34 zegt: “Laten1 de vrouwen zwijgen” (1 Kor. 14:34). Wanneer “broeders” hier “broeders en zusters” {in het Duits: ‘Geschwister’ (‘brusters’ kan men misschien in on-Nederlands zeggen) – vertaler} betekende, dan zou dat in tegenspraak zijn met vers 34. Hoe kon Paulus “broeders” en “zusters” aanmoedigen tot de dingen in vers 26 en tegelijkertijd in vers 34 zeggen dat de vrouwen in de gemeenten zouden moeten zwijgen, en in 1 Timotheüs 2 vers 11 voorschrijven dat vrouwen niet moeten leren?
  7. Maar staat dan niet herhaaldelijk het woord “allen” in 1 Korinthe 14 om duidelijk te maken, dat allen profeteren en dat allen in talen moeten spreken (1 Kor. 14:23,24,31)? Maar dat “allen” niet “allen die aanwezig zijn” betekenen kan, laat vers 31 zien, omdat hier immers bijvoorbeeld de profeten niet tot hen behoren die aangesproken worden, maar zij die aangesproken worden toch met het woord “allen” geïdentificeerd worden. Bovendien spreekt vers 29 over twee of drie profeten die spreken. Ook dit beperkt vers 31 enigszins. Het is heel duidelijk, dat met het argument dat “allen profeteren”, vers 34 niet aan de kant geschoven kan worden, omdat aan de ene kant “broeders” worden aangesproken en aan de andere kant vers 34 duidelijk een beperking is.
  8. Sommige mensen willen ons uitleggen, dat er in deze verzen verschillende geslachts-neutrale woorden zijn. Maar de volgende begrippen zijn mannelijk:
    • “eenieder” (hekastos);
    • “één het uitleggen” (kai eis diermäneueto);
    • “uitlegger” (ho diermeneutäs);
    • “laat hij zwijgen” (sigato, derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd – wat betreft “uitlegger”: duidelijk mannelijk);
    • “ieder op zijn beurt” (allo, Dat. Sing.);
    • “laat de eerste zwijgen” (ho protos sigato);
    • “één voor één” (kat’hena);
    Deze teksten bewijzen ook dat de apostel niet eens aan openbare deelname van zusters dacht.
  9. Volgens Benseler2 betekent het woord “spreken” in het Nieuwe Testament “bekend worden, leren, spreken, aanwijzen” en volgens Bauer3: “luide geluiden maken, spreken, zich uiten, voordragen, verkondigen”. In de context van 1 Korinthe 14 verwijst het naar het spreken in talen (1 Kor. 14:2,5,6,18,23,27, enz.), naar profetieën (1 Kor. 14:3,29), en  naar het spreken met verstand (1 Kor. 14:19), naar het bidden en lofzingen met het verstand (1 Kor. 14:15,16). Het is daarbij belangrijk, dat het altijd gaat over een persoon die namens God tot de gemeente spreekt, of over een persoon die tot God spreekt als “mond” van de gemeente (zie het woord “Amen” in vs. 16), dus de aanwezigen voorgaat.In het hele hoofdstuk gaat het ook helemaal niet over het gemeenschappelijk zingen, tenzij, zoals sommigen denken, de uitdrukking “allen profeteren” of “allen spreken in talen” in vers 23 en 24 een gemeenschappelijk zingen betekent; wat echter moeilijk te bewijzen is.Ook 1 Korinthe 14 vers 26 laat duidelijk zien, dat juist het gedeelte van vers 26 tot vers 40 niet het gemeenschappelijke zingen benadrukt, maar de opbouw van de gemeente.
  10. Er wordt gezegd: “Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten”. Het woord “zwijgen” betekent “stil zijn, rustig zijn, zich zwijgend en stil gedragend, niets zeggen” (Bauer, blz. 1486). In Lukas 9 vers 36 zwegen de discipelen nadat zij Gods stem vernomen hadden; in Lukas 20 vers 26 zwegen de spionnen, nadat zij de wijsheid van Jezus gehoord hadden; in Handelingen 12 vers 17 zweeg de gemeente om naar Petrus te luisteren; in Handelingen 15 vers 12 en 13 zweeg de menigte en luisterde naar het verslag van Barnabas en Paulus. Romeinen 16 vers 25 spreekt over de verborgenheid, dat in de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest en nu is geopenbaard. Zwijgen is gewoon niet-spreken4.Hetzelfde woord vinden we in 1 Korinthe 14 vers 28: “Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in [de] gemeente”; en in 1 Korinthe 14 vers 30: “En als aan een ander die [daar] zit, [iets] geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen”. Zwijgen is daarom in tegenspraak met spreken en betekent: “rustig zijn, zich niet uiten”. De vrouwen wordt duidelijk gezegd, dat ze zich in de gemeenten niet moeten uiten, ze moeten zwijgen.Verder wordt gezegd: “Want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn [lett. ondergeschikt zijn], zoals de wet zegt”. Het woord “veroorloven, toestaan” gebruikt Paulus ook in 1 Timotheüs 2 vers 12, wanneer hij zegt: “… maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn”. Paulus zegt niet: “ik veroorloof niet”, maar: “het is hun niet geoorloofd”. Ook de wet voert hij aan om de gedachte te onderstrepen. Misschien denkt de apostel aan Genesis 3 vers 16 (“Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen)”, of andere plaatsen waar een ondergeschikte positie aan de vrouw wordt toegeschreven.“… want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in [de] gemeente”. Hier is hetzelfde woord gebruikt als in 1 Korinthe 11 vers 6, waar wordt gezegd, dat het een schande is wanneer een vrouw haar haar geknipt of geschoren heeft. Voor veel vrouwen is dat laatste al tientallen jaren geen schande, omdat hen is geleerd dat het om een toenmalige culturele gewoonte gaat. Geen wonder dat het intussen ook geen schande meer is, wanneer vrouwen in de gemeenten spreken. Voor sommige vrouwen is het ook niet langer een probleem meer, om zich bij gebed en profetie persoonlijk en bij het samenkomen “ter wille van de engelen” (niet ter wille van welke cultuur of broeders en zusters dan ook) niet te bedekken. Wanneer men daar al lang klaar mee is, verwondert men zich niet, wanneer in 1 Korinthe 14 vers 34 het woord “zwijgen” geen betekenis en dus ook geen geestelijke kracht meer heeft.Ten slotte wordt het woord “spreken” (lalein) gebruikt: “Want het is hun niet geoorloofd te spreken”. Sommige uitleggers willen hier graag didaskei (“onderwijzen”) inleggen, omdat direct na dit vers van mogelijke vragen van vrouwen gesproken wordt. Maar in 1 Korinthe 14 wordt “spreken” op alle uitingen in een plaatselijke bijeenkomst als gemeente toegepast (zie 1 Kor. 14:2,3,6,9,11,19,28,29). Het gaat dus om een uitdrukkelijk verbod om tijdens de samenkomsten van de gemeente te spreken.
  11. Men zou zich kunnen afvragen of de vrouwen in de gemeente vragen mogen stellen om te leren. Ook dat zouden ze niet moeten doen, maar thuis hun echtgenoten (of vaders of broers) moeten vragen. Het wordt daarmee duidelijk dat het samenkomen als gemeente van “thuis, aan huis” wordt onderscheiden. Maar als ze nog niet eens vragen mogen stellen, hoe is het dan mogelijk dat sommigen denken dat ze op zijn minst kunnen profeteren, hardop kunnen bidden als “mond” van hen die bijeen vergaderd zijn en zo de gemeente in gebed kunnen voorgaan? De apostel wordt steeds duidelijker.
  12. Nu een aantal sterke woorden zoals “niet geoorloofd, onderdanig zijn, schandelijk” genoemd zijn, deelt Paulus mee: “Of is het woord van God van u uitgegaan” (vs. 36). Zijn boodschap is Gods Woord. Niet de Korinthiërs hadden deze traditie, deze Griekse of Joodse gewoonte. Paulus was geen vrouwenhater, zoals sommigen, hetzij uit onwetendheid of uit boosheid beweren, neen, hij leerde Gods Woord. Hieruit volgt: “Of is het alleen tot u gekomen?” (vs. 37). Elke geestelijke Korinthiër zou meteen antwoorden: Nee, het is bindend voor alle gemeenten (zie 1 Kor. 1:2). Men kan in deze kwestie niet zijn eigen gedachten hebben, naar eigen goeddunken het Woord spreken, zonder daarbij het Woord van God ongehoorzaam en daardoor ontrouw te zijn. Als vergaderingen (gemeenten) dit uitdrukkelijk gebod ongehoorzaam zijn, nadat ze het  tientallen  jarenlang bijbels hebben beoefend, dan moeten we ons afvragen of de Heilige Geest of het door de tijdgeest gevormde vlees achter zo’n nieuwe orde staat. Wanneer gelovigen het praktiseren, omdat ze tot dusver geen andere gedachte begrepen, moet men niet overhaast oordelen maar liefdevolle zorg om de dingen op te helderen uitoefenen.
  13. Verder staat er: “Als iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, laat hij erkennen, dat wat ik u schrijf een gebod van [de] Heer is” (vs. 37). Elke geestelijk denkende (door de Geest levende) gelovige, iedere broeder die werkelijk trouw is aan de Bijbel en iedere zuster die werkelijk trouw is aan de Bijbel, herkent en erkent zonder probleem, dat men aan dit uitdrukkelijk gebod van de Heer gehoorzaam moet zijn – ook wanneer steeds meer ‘profeten’ en geliefde broeders en zusters in onze tijd proberen deze tekst te herinterpreteren waarmee hij overeenstemt aan de geest van de tijd.Overigens, als iemand beweert, dat 1 Korinthe 14 vers 34 toch betekent, dat zusters hardop kunnen bidden, liederen kunnen voorstellen of profeteren, dan moet zo iemand uitleggen, waarnaar dan eigenlijk “het zwijgen” verwijst. Moet “niet spreken” in verband met “leren en vragen” dan betekenen “niet leren”? Waarom staat het dan daar niet heel duidelijk, waar het woord “leren” zo vaak wordt gebruikt? Bovendien gaat het hoofdstuk hoofdzakelijk over het spreken in talen en profeteren. Waarom benadrukt men nu juist het leren?Als iemand beweert dat dit hoofdstuk niet in de eerste plaats over het gebed gaat en daarom de vrouw heel goed kan bidden in de samenkomsten, moet men zich eerst laten welgevallen, dat men naar vers 16 verwijst en ook 1 Timotheüs 2 vers 8 citeert, waar uitdrukkelijk staat: “Ik wil dat de mannen in elke plaats bidden”. De ‘leerbrieven’ moedigen op geen enkele plaats zusters aan om hardop te bidden in de samenkomsten als plaatselijke gemeente, maar ze spreken wel principieel over de onderdanigheid van de vrouw (1 Tim. 2:11-14 e.a.).
  14. Sommigen menen nu, dat 1 Korinthe 11 vers 5 toch duidelijk stelt, dat vrouwen in de gemeente kunnen bidden of profeteren. Maar hoe komen ze op het idee, dat het hier om de samenkomst als gemeente gaat? De oorzaak van deze misvatting kan liggen in de veronderstelling, dat de opschriften geïnspireerd zijn, wat natuurlijk niet het geval is!
    ° Ten eerste kan men uit 1 Korinthe 11 vers 1-16 niet direct afleiden, dat het om het samenkomen van de plaatselijke gemeente gaat, want 1 Korinthe 11 vers 1 sluit zich aan bij het vorige gedeelte (1 Kor. 10:23-33), en dit behandelt ook niet de samenkomsten als gemeente;
    ° ten tweede worden algemene aanwijzingen gegeven die men niet alleen op het samenkomen betrekken kan (1 Kor. 11:7,14,15);
    ° ten derde lijkt pas 1 Korinthe 11 vers 18 het samenkomen te benadrukken (“… wanneer u als gemeente samenkomt …”);
    ° en ten vierde betekent de uitdrukking in 1 Korinthe 11 vers 16 niet “het plaatselijk samenkomen”, maar de plaatselijke gemeenten van God”, tot wie alle kinderen van God behoorden en behoren – ook wanneer ze samenkomen op verschillende locaties (1 Kor. 4:17; 7:17; 16:1). In 1 Korinthe 11 vers 1-16 hebben we daarom een ​​algemeen principe, dat zijn beperkingen vindt in 14 vers 34.
  15. 1 Korinthe 14 vers 34 is het Woord van God, het gebod van de Heer en de zegen van de gemeente van God op deze aarde. Ieder die dit negeert zal de bittere gevolgen moeten oogsten. We moeten niet verbaasd zijn als Satan steeds meer huwelijken en families kan vernietigen, wanneer we geloven dat we de orde van God opzij kunnen zetten. God is geen God van verwarring maar van vrede. Als we de wanorde in deze zaak verlangen, zullen we ervaren dat de God van vrede er op zijn goddelijke manier op reageert.

Maar misschien vragen sommige lezers zich ook af, waarom God deze ontwikkeling toestaat, waarom Hij niet diegenen een halt toeroept die steeds meer open staan ​​voor deze ontwikkeling? Maar waarom zou God een halt toeroepen als Zijn kinderen de verkeerde kant willen opgaan? Heeft Hij het verval van het Christendom niet heel duidelijk en profetisch voorzegt? Hij is een liefhebbende, hoewel waarschuwende Vader. Wanneer men 1 Korinthe 11 vers 1-16 niet meer ernstig neemt, omdat men zich bij bepaalde trends wil aansluiten, waarom moet God een halt toeroepen, wanneer men verder wil gaan op het pad van verwereldlijking en ongehoorzaamheid? Nee, en nogmaals nee, we willen Gods handelen niet bekritiseren, maar onszelf. Wij mannen hebben gefaald, mogelijk verslaafd aan onze carrière, het geld liefhebbend en ijdel geworden, hebben we het lezen en bestuderen van het Woord van God verwaarloosd om van de wereld met haar schijnbare schoonheid te genieten. Wij mannen hebben gefaald omdat we misschien niet in de bijbelse zin hoofd waren en zijn van onze vrouwen, maar de liefde van Christus te weinig in ons huwelijk afgebeeld hebben. Wij mannen hebben gefaald omdat we ons gewoon nauwelijks nog als mannen gedragen (1 Tim. 2:8), maar ons zo snel aan allerlei wind van leer aanpassen en te weinig in de zachtmoedigheid van Christus (2 Kor. 10:1) en als dienaren van God in Zijn Woord vaststaan. Wij mannen hebben gefaald omdat we in veel gevallen onze vrouwen ertoe hebben aangezet zich aan wereldgelijkvormigheid over te geven, omdat we uiteindelijk een wereldse geest in onszelf hebben gevoed.

Nee, nee, we geven in de eerste plaats niet onze geliefde zusters de schuld, maar ons vaak zo ongeestelijke mannen die vaak hun mond niet kunnen openen in gebedsbijeenkomsten, omdat ze hun dagelijks leven zonder gemeenschap met de Heer leven. Als we echt weer mannen willen worden, die “het kledingstuk van een vrouw” niet dragen (Deut. 22:5), dat betekent bijvoorbeeld tijdens de samenkomsten zwijgen, dan zullen de zusters hun door God gegeven positie graag innemen en zo vele diensten voor de Heer Jezus ontvangen, dat ze dankbaar zijn dat ze in de samenkomsten mogen zwijgen. Wat zou dat een vreugde zijn voor de Heer en leiden tot een opwekking onder het volk van God!

Moge de Heer ons terugvoeren naar zijn Woord, dat nog steeds “vaststaat in de hemelen”.

Andreas Steinmeister

NOTEN VERTALER:
1. Of: ‘van vrede. – Laten, zoals in alle gemeenten van de heiligen”, enz.
2. Grieks-Duits woordenboek.
3. Bauer: eveneens Duits woordenboek.
4. ° zwij·gen (zweeg, heeft gezwegen)
1 niet spreken: wie zwijgt stemt toe wie geen bezwaar inbrengt keurt het goed
2 niets mededelen: het verhaal zwijgt daarover
3 ophouden te spreken, te klinken enz.: het geschut zweeg
° zwij·gen (het; o)
1 iem. het zwijgen opleggen (a) de mond snoeren; (b) doden, vermoorden. {Van Dale}

 

Online in het Duits sinds 01.01.2001, geactualiseerd: 08.09.2018.
Originele titel: “Eine kurze Studie zum Thema ,Die Beteiligung der Frau in den Versammlungen”.
Uit: Folge mir nach, 1999/6, bladz. 26–33.

 

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW