14 jaar geleden

Het Wilhelmus

Wilhelmus van Nassouwe

ben ik van Duitsen bloed,

den vaderland getrouwe

blijf ik tot in den dood.

Een prinse van Oranje

ben ik vrij onverveerd,

den koning van Hispanje

heb ik altijd geƫerd.

In Godes vrees te leven

heb ik altijd betracht;

daarom ben ik verdreven,

om land, om luid’ gebracht.

Maar God zal mij regeren

als een goed instrument,

dat ik zal wederkeren

in mijnen regiment.

Lijdt u, mijn onderzaten

die oprecht zijn van aard,

God zal u niet verlaten,

al zijt gij nu bezwaard.

Die vroom begeert te leven,

bidt God nacht ende dag,

dat Hij mij kracht wil geven,

dat ik u helpen mag.

Lijf en goed altezamen

heb ik u niet verschoond;

mijn broeders, hoog van namen,

hebben ’t u ook vertoond:

Graaf Adolf is gebleven

in Friesland in den slag;

zijn ziel in ’t eeuwig leven

verwacht den jonsten dag.

Edel en hoog geboren

van keizerlijken stam,

een vortst des rijks verkoren

als een vroom christenman,

voor Godes Woord geprezen

heb ik vrij onversaagd,

als een held zonder vrezen,

mijn edel bloed gewaagd.

Mijn schild ende betrouwen

zijt Gij, o God, mijn Heer’

op U zo wil ik bouwen,

verlaat mij nimmermeer.

Dat ik toch vroom mag blijven,

Uw dienaar t’ aller stond,

de tirannie verdrijven

die mij mijn hart doorwondt.

Van al die mij bezwaren

en mijn vervolgers zijn,

mijn God, wil toch bewaren

den trouwen dienaar Dijn;

dat zij mij niet verrassen

in hunnen bozen moed,

hun handen niet en wassen

in mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchten

voor Saul den tiran,

zo heb ik moeten zuchten

met menig edelman.

Maar God heeft hem verheven,

verlost uit alle nood,

een koninkrijk gegeven

in Israel zeer groot.

Na ’t zuur zal ik ontvangen

van God mijn Heer’ het zoet,

waarnaar zo doet verlangen

mijn vorstelijk gemoed:

dat is, dat ik mag sterven

met ere in het veld,

een eeuwig rijk verwerven

als een getrouwe held.

Niets doet mij meer erbarmen

in mijnen wederspoed,

dan dat men ziet verarmen

des konings landen goed;

dat u de Spanjaards krenken,

o edel Neerland zoet,

als ik daaraan gedenke,

mijn edel hart dat bloedt.

Als een prins opgezeten

met mijner heires kracht,

van den tiran vermeten

heb ik den slag verwacht,

die, bij Maastricht begraven,

bevreesde mijn geweld;

mijn ruiters zag men draven

zeer moedig door het veld.

Zo het de wil des Heeren

op dien tijd was geweest,

had ik gaarn willen keren

van u dit zwaar tempeest.

Maar de Heer’ van hierboven

Die alle ding regeert,

Dien men altijd moet loven,

en heeft het niet begeerd.

Zeer christ’lijk was gedreven

mijn prinselijk gemoed;

standvastig is gebleven

mijn hart in tegenspoed;

den Heer’ heb ik gebeden

van mijnes harten grond,

dat Hij mijn zaak wil reden,

mijn onschuld maken kond.

Oorlof, mijn arme schapen

die zijt in grote nood,

uw Herder zal niet slapen,

al zijt gij nu verstrooid.

Tot God wilt u begeven,

Zijn heilzaam Woord neemt aan,

als vrome christen leven,

’t zal hier haast zijn gedaan.

Voor God wil ik belijden

en Zijner groten macht,

dat ik te gene tijden

den koning heb veracht,

dan dat ik God den Heere,

de hoogste Majesteit,

heb moeten obedieren

in der gerechtigheid.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW