15 jaar geleden

Volgen van Jezus (2)

Lukas 5:1-11

Hier vinden we Petrus en zijn broer weer aan het vissen in het meer van Genézareth (meer van Galiléa). Ook Jakobus en Johannes waren hier aan het vissen.

Blijkbaar waren Petrus en Andreas niet bij Jezus gebleven, want wat hier gebeurt is op een later tijdstip dan wat we hierboven overdachten. Ze waren gewoon weer gaan vissen. Het komen tot Jezus had nog niet tot resultaat gehad dat zij bij Jezus waren gebleven. Zij erkenden dat Jezus de beloofde Messias was, zij geloofden Hem. Ondanks dat Simon (= luisterende) naar het Woord van de Heer luisterde, volgde hij Hem nog niet.We moeten dat zeker nier gering achten wanneer iemand luistert naar het Woord van God, maar dankbaar zijn wanneer dat gebeurt. Het geeft echter nog niet de garantie dat het leven daardoor zodanig is veranderd, dat men niet anders meer wil dan Hem volgen. Het Woord van God, de Bijbel, moet ook ontvangen worden met zachtmoedigheid (vergelijk Jakobus 1:21) en vervolgens ook daarnaar geleefd worden. Het moet ons hart raken en ons leven veranderen.

Op Uw Woord …

In dit gedeelte zien we dat het Woord van de Heer kracht uitoefent op het hart van Petrus, en wel zodanig dat hij zichzelf in het licht van God gaat zien. Ik denk dat het centrale woord hier is: “Vaar uit naar de diepte …”. Dat moest Petrus doen, dat moeten wij ook doen. Voordat Petrus geschikt was om visser van mensen te worden (zie Mattheüs 4:19) moest hij afvaren naar de diepte. Dat doet Petrus dan ook in gehoorzaamheid aan het Woord van de Heer. Maar voordat hij dit deed zei Petrus: “Meester, de hele nacht door hebben wij ons ingespannen en niets gevangen” (vers 5). Hier erkent hij eigen machteloosheid. Zolang deze erkenning niet in onze harten is, komen we niet verder. Zolang wij van onszelf nog iets denken, kan de Heer ons niet zegenen. Maar Petrus zag zijn totale machteloosheid toen hij in het licht van God kwam. Gelukkig komt hij dan ook tot het volgende: “… op Uw woord echter zal ik de netten uitwerpen”. Dit zal ook ons moeten kenmerken, dit “op Uw Woord”. Zo laat Petrus zijn afhankelijkheid zien.

Dan volgt er ook zegen. En wat voor zegen. Hier zelfs zoveel dat Petrus en Andreas het samen niet eens afkonden. Ze moesten hun vrienden Jakobus en Johannes (deelgenoten van Simon) inschakelen, om de grote vangst te kunnen bergen. Beide schepen waren zo vol dat zij bijna zonken. Overvloedige zegen! Ook anderen konden (en kunnen!) er in delen wanneer de Heer zegent.

Hij beschikt over alle dingen

We zien hier dan ook duidelijk dat de Heer Jezus als de Schepper van alle dingen over alles beschikt. Hij beschikt over de vissen en dirigeert hen in de netten van de eenvoudige vissers uit Galilea. Denk maar eens aan Jona. Ook daar beschikte de HEERE een grote vis (Jona 1:17). Alle dieren van het bos zijn van Hem, de beesten in de bergen; alle vogels en het wild van het veld (Psalm 50:10-12). Ja, de hele schepping is van Hem. Hij kent de aantallen sterren en zelfs hun namen (Jesaja 40:26). Daar zouden vooral de wetenschappers van vandaag eens naar moeten kijken. Maar niet alleen zij … ook wij doen er goed aan dit voor ogen te houden. Mogelijk dat zij dan een toontje lager gaan zingen. Een oud lied van J. de Liefde zegt:

Van U zijn alle dingen,

van U, o God! alleen.

Van U de zegeningen,

O hoorder der gebeen!

Uw liefd’ en trouw omringen,

mijn wankelende schreen.

En wat w’ooit goeds ontvingen,

het was van U alleen.

Alles is van Hem afhankelijk

Ook dat is hier duidelijk herkenbaar. De Heer Jezus had de omstandigheden zo gepland dat Hij bij het meer van Galilea kwam terwijl zij aan het vissen waren, want Hij wilde hen roepen om hen mensen te laten vangen. Tevens had hij ervoor gezorgd dat zij niets konden vangen. Hij zorgde ervoor dat die enorme massa’s vissen op dat moment in de netten van de vissers zwommen. Alles was van Hem afhankelijk. Dat is niet veranderd! Ook voor onze tijd geldt dat wij afhankelijk zijn van Hem. Houden wij daar ook rekening mee?

De diepte in

We hebben al gezien dat beide schepen boordevol waren met vissen, tot zinkens toe. Stromen van zegen!Toen Petrus dat zag viel hij aan de knieen van Jezus neer en zegt: “Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer”. Petrus kwam in de tegenwoordigheid van de Heer. Dit maakt dat hij meer ziet dan eenvoudigweg weer een volle bak vissen. Petrus ziet in de woorden en het daarop volgende wonder meer dan dat hij weer brood (in dit geval vis) op de plank heeft. De Heer openbaart zich zo aan Petrus en daarom ziet Petrus zichzelf. Dat raakt hem diep. Hij gaat nu echt naar de diepte. Dat was ook nodig. Nu ziet hij wat ook Jezus ziet. Zijn uitroep “Ga uit van mij” is daarom ook niet een wazige reaktie van hem. Nee, Petrus voelde diep hoe het er met hem voor stond. Petrus wordt ontdekt. Niet als iemand die geniaal en perfect is en waard is om als een buitengewoon mens te worden tentoongesteld, zoals in onze dagen zo vaak gebeurt. Nee, hij ontdekt dat hij een zondaar is en wordt in zijn geweten overtuigd van zonde.

God gebruikt allerlei middelen en wegen om ook ons dat te laten zien. Niet om ons te ontmoedigen, wel om ons vertrouwen niet langer meer in ons zelf te stellen en zo onszelf te misleiden. Nee, Zijn doel is Christus aan ons te kunnen openbaren. Als wij tot Christus worden gebracht, in Zijn tegenwoordigheid komen, zullen wij ook onszelf zien en tot dezelfde conclusie komen als Petrus, namelijk “ik ben een zondig mens”. Wanneer we dit erkend hebben openbaart Christus Zich ook aan ons hart. Waar Hij verschijnt neemt Hij ook vanzelf de eerste plaats in. Dat is onvermijdelijk. Dat geeft vervolgens grote vreugde en rust. In Zijn tegenwoordigheid kunnen we ook alles rustig aan Hem toevertrouwen; de behoefte om ons zelf waar te maken, om het zelf te doen en op onszelf vertouwen verdwijnt. We gaan dan ook beseffen dat we zonder Hem helemaal niets kunnen doen (Johannes 15:5).

Ga uit van mij

“Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer”.

Misschien denken we: “als het er zo voor staat Petrus, waarom maak je dan niet dat je wegkomt? Waarom vlucht je niet weg? Waarom blijf je dan nog bij Hem?” Ja dat is het bijzondere. Aan de ene kant voelt Petrus zich veroordeeld maar aan de andere kant voelt hij zich tot de Heer aangetrokken en wil hij niet bij Hem weg. Petrus doet niet als Adam die vluchtte toen Hij de stem van de Heere hoorde (Genesis 3). Ook geeft hij niet iemand anders de schuld, maar erkent dat het bij hemzelf niet goed zit. Niet voor niets viel Petrus aan de knieen van de Heer Jezus. Intuitief voelt Petrus aan dat Christus hem niet zal uitwerpen (vergelijk Johannes 6:37). Het is de liefde tot de Heer Jezus van Petrus en zo geeft hij tegelijkertijd, aan Zijn knieen (om dat te kunnen moet je zelf ook op je knieen!), aan dat hij ook een diep ontzag had voor de eer van Christus. Hij voelde duidelijk aan dat hij in het heilig gezelschap van de Heer jezus niet thuis hoorde. Is er een betere plek dan aan Zijn voeten?

Maria, de zus van Martha en Lazarus (Johannes 11:1) kende die plaats ook. Hoe gelukkig was zij daar. Haar drukke zus was zij daarin tot een voorbeeld. En wij? Kennen wij ook die gelukkige plek aan Zijn voeten waar alleen Zijn stem en Zijn Woorden tellen? Of ontbeekt juist dit ene ding bij ons ook? (vergelijk Lukas 10:38-42).

Toch is er bij Petrus een gevoel van vrees. Petrus kende ook nog niet de vruchten van het volbrachte werk van Christus. De vrees verdwijnt en maakt plaats voor vrede wanneer Zijn volbrachte werk gekend wordt. “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus … (Romeinen 5:1). De vrede die de Heer Jezus heeft gemaakt door het bloed van Zijn kruis (Kolosse 1:20) is dan ons deel. Wij hebben vrede met God ….! Dat maakt alles anders. Dat bevrijdt van vrees. De Liefde, de Heer Jezus Zelf, drijft de vrees uit op grond van Zijn werk.

Wees niet bang

“Ga uit van mij … !” Heeft de Heer dat ook gedaan? Nee, gelukkig niet. Integendeel. De Heer is niet in het schip gekomen om Petrus te laten zien hoe hij er van binnen uit ziet en hem te veroordelen om vervolgens dan weer weg te gaan en hem in angst aan zijn lot over te laten. Nee. “Wees niet bang”. Dit is de tweede keer dat de Heer iets tegen Petrus zegt. Tegen Simon staat er eigenlijk. Die naam betekent immers “de luisterende”. Dat is hier zeker goed op Petrus van toepassing. De eerste keer heeft hij goed geluisterd naar de Heer en in geloof gedaan wat Hij zei. Zonder verzet. Petrus zei immers “… op Uw woord echter zal ik de netten uitwerpen”. En dat heeft hij ook gedaan. De Heer ziet hier direct waarin Petrus verstrikt kan raken, namelijk zijn angst vanwege het feit dat hij een zondig mens is. Maar de Heer laat hem juist zien dat het dan, wat Hem betreft, niet afgelopen is maar dat Hij dan juist met hem verder kan.

“Wees niet bang”. De Heer snijdt hier “vertwijfeling” en “moedeloosheid” de pas af. Het kreeg geen gelegenheid om wortel te schieten. De Heer ziet de bangheid van Petrus en grijpt direct in. Dat is liefde en genade. Dat doet Hij ook bij ons.

De Heer Jezus spreekt het hart van Petrus aan dat al getroffen was door Zijn eerste woord. Bij het eerste woord “Vaar uit naar de diepte en werpt uw netten uit voor een vangst” geloofde Petrus de Heer. Bij dit tweede woord doet de Heer eveneens een beroep op datzelfde geloof. Wanneer het ging om de visvangst was er geloof in het Woord van de Heer, zou het dan nu niet toereikend zijn als het gaat om zijn angst? Jazeker wel! Gelukkig zien we dan dat Petrus de Heer hierin ook geloofde want “zij verlieten alles en volgden Hem” (vers 11). Daar was Petrus ook bij.

De Heer Jezus wilde Petrus niet alleen redden (door hem tot de erkenning te brengen dat Christus de beloofde Messias was, zie bij punt 1) maar Hij wilde Petrus nu ook tot visser van mensen maken. Zo wordt Petrus een werktuig in de handen van zijn Meester. In gemeenschap met de Heer, want de Heer kan en wil niet voldoen aan de woorden van Petrus “Ga uit van mij”. Nee, Hij heeft Zich aan Petrus geopenbaard en met succes. Nu is Petrus geschikt om een kanaal van zegen te worden. De Heer wil juist bij hem blijven, omdat Petrus ook geestelijk naar de diepte is gegaan.

Alles verlaten en Hem volgen

Ongetwijfeld is de bangheid uit het hart van Petrus nu ook verdwenen want hij volgt evenals de anderen de Heer (vers 11). Hoe hij dan ook in elkaar zit, hij mag de Heer volgen en doet dat ook. Hij wenst nu voortaan alleen nog voor Hem te leven. Niet alleen zijn redding, maar nu is er niets anders en niemand anders meer in zijn leven dan de Heer Jezus. Waar Christus heenging, daar ging Petrus ook heen, evenals de anderen. Christus bepaalde nu zijn leven en zijn interesse ging nu uit naar Hem alleen. Niet meer het doen van bepaalde geboden, maar in gehoorzaamheid achter Hem aangaan, dat werd zijn nieuwe levensdevies. Wel heeft hij eerst de dingen die nog gedaan moesten worden, gedaan. Hij liet geen rommel achter. Verantwoordelijkheden die hij nog had gooide hij niet zomaar neer om een ander daar zomaar mee op te zadelen. Nee, hij heeft alles in goede orde achter gelaten. Er staat immers: “En nadat zij de schepen op het land hadden getrokken …”. Ze lieten de schepen niet rondslingeren of ronddobberen op de zee, zodat iemand anders daar achteraan moest. Daar kunnen wij ook wel iets uit leren. Het volgen van de Heer is geen wilde, ongecontroleerde aanvlieging, maar een bewuste keus en ordelijke overgave aan de Heer. De Heer kon en kan ook heel goed “timen”. Petrus was er nu ook aan toe. De Heer kende zijn hart en de harten van de anderen. Zo ook ons. De Heer weet wanneer en hoe Hij komen moet! Dan is er ook een beheerst volgen van Hem, en wel zonder te aarzelen. Terstond verlieten zij dan ook hun netten (Mattheus 4:20). Zij lieten zich niet onnodig ophouden, waarvan vaak een definitief afhouden komt.

Maar laten we er ook goed op letten dat zij “alles” verlieten. Petrus herinnert de Heer in een ander verband daar ook aan (Mattheüs 19:27). Dan kan er ook pas sprake zijn van echt volgen. Anders kan ons hart nog niet onverdeeld Hem volgen. Eerst alles verlaten. Hebben wij dat al gedaan? Alles! Als we dat doen geldt ook voor ons de belofte van de Heer in Mattheus 19:29: “En ieder die heeft verlaten huizen, broers, zusters, vader, moeder, [vrouw], kinderen of akkers terwille van Mijn Naam, zal honderdvoudig ontvangen en eeuwig leven beërven”.

Misschien dachten ze nu wel: Maar wie moet er nu voor ons zorgen? Moeten wij dan niet onze vader en moeder eren, zoals de wet zegt? Moeten we nu onze oude vader alleen maar laten modderen? Wel, als de Heer Jezus roept, kun je er ook van op aan dat Hij voorziet. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij Hem die roept. We weten dat Hij dat dan ook rijkelijk deed, doet en zal doen. Het vraagt echter wel vertrouwen in Hem die de macht heeft om twee schepen tot zinkens toe te vullen, en nog veel meer.

Petrus en Andréas en de anderen waren dus tot Hem gekomen, waarvan Johannes de Doper had gezegd: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt”, en hadden in Hem geloofd. Nu geven ze hier hun hele leven aan de Heer Jezus. Hij is nu ook hun Heer, zij zijn nu ook Zijn dienstknechten. Hier vinden we dus het eerste volgen. Toch zullen we nog zien dat Petrus nog veel moest leren. Daar kunnen wij op onze beurt veel van leren. Er is immers nog de verloochening. Daarover mogelijk de volgende keer.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW