6 jaar geleden

Het spreken in talen (1)

Ongeveer 100 jaar geleden werd het “spreken in tongen” in de christenheid weer populair. Men ziet daarin veelal de herbeleving van de machtige gave, die ten tijde van de apostel werkzaam was. Maar wat moeten we van de hedendaagse “spreken in tongen” denken? Hoe moeten dit fenomeen aan de hand van de Schrift beoordelen?

Toen de Pinksterdag vervuld werd, kwam de Heilige Geest op aarde. Op deze dag spraken de discipelen voor de eerste maal in nieuwe talen: Zij konden door Gods macht opeens in talen spreken, die zij niet geleerd hadden.

Vandaag verstaat men onder het spreken in talen vaak een extatisch spreken in een onverstaanbare taal. Dit “spreken in tongen”, wat meestal een lawaai maken en gebabbel is, moet, zoals vaak wordt gezegd, tot eigen opbouwing belangrijk zijn en ondersteunend bewijzen, dat men de Heilige Geest bezit.

Onbegrijpelijke klanken?

Men spreekt vandaag graag van een “spreken in tongen” en vermijdt de betere uitdrukking “spreken in talen“. Daardoor wordt versluierd, dat het bij het spreken in talen eigenlijk om echte talen gaan moet. De uitdrukking, die voor het spreken in talen in de Griekse grondtekst gebruikt wordt (glossa), betekent nergens in het nieuwe testament een onverstaanbaar “gestamel”.1 We vinden glossa in de zin van “talen” bijvoorbeeld in Openbaring 5 vers 9: “En zij zongen een nieuw lied en zeiden: U bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal [glossa], volk en natie”. Het gaat op deze plaats duidelijk om de verschillende talen, die op de wereld gesproken worden.

Dat het bij het spreken in talen in de bijbel om echte talen gaat, maakt ook 1 Korinthe 14 vers 20-22 duidelijk. Daar citeert Paulus uit Jesaja 28: “Door mensen die een andere taal spreken, en door andere lippen zal Ik spreken tot dit volk, en ook dan zullen zij niet naar Mij luisteren, zegt de Heere”. Het thema in Jesaja 28 is, dat de Israëlieten op grond van hun ontrouw de taal van een vreemd volk zouden gaan horen: de taal van de Assyriërs, die hun land zouden veroveren. Deze vreemde taal van de Assyriër was een teken van het oordeel van God over Zijn volk, dat geen acht op de profeten geslagen had.

Om de onverstaanbare klanken bij het (huidige) “spreken in talen” te rechtvaardigen, wordt ook gezegd, dat het daarbij om een taal van de engelen gaat, waarmee Paulus naar verluidt ook gecommuniceerd heeft: “Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden” (1 Kor. 13:1). Afgezien daarvan, dat de taal van de engelen niet tot een gestamel gedegradeerd moet worden, bewijst het aangevoerde vers niet, dat Paulus daadwerkelijk in de talen van de engelen gesproken heeft. Paulus wil eerder zeggen: “Stel je het geval voor, dat ik alle talen van de wereld en zelfs de talen van de engelen spreken zou, dan zou dat zonder liefde niets waard zijn”. Bij alle voorbeelden in de eerste drie verzen van 1 Korinthe 13 spreekt Paulus van mogelijkheden en niet van werkelijkheid. Paulus had juist niet alle kennis (vergelijk vers 2 met vers 9), en hij heeft ook zijn lichaam niet laten verbranden (vs. 2). Het zijn hypothetische veronderstellingen, die op een indrukwekkende wijze tonen moeten, dat ook de grootste gave of de meest toegewijde dienst zonder liefde waardeloos is.

Oerwoud-dialecten?

Enkele jaren geleden vroeg ik een christin uit de charismatische beweging, die over het “spreken in tongen” razend enthousiast was, in welke taal zij dan daarbij sprak. Zij antwoordde: “Dat is moeilijk te zeggen, dat gaat zo over van het Hebreeuws in het Chinees”. Met een woord: Het was koeterwaals. Maar zij trachtte het met echte talen te verbinden.

Wordt bij het “spreken in tongen” in moeilijk verstaanbare of minder bekende talen gesproken? Zijn het misschien dialecten uit het oerwoud? Is dat de reden waarom de woorden niet verstaan worden? Dat is geen goede verklaring. Want als de gave van het spreken in talen er vandaag nog zou zijn, zou ook de gave van uitlegging van de talen voorhanden moeten zijn, zodat het “spreken in tongen” in de samenkomsten van de gemeente vertaald en verklaard zou kunnen worden (verg. 1 Kor. 14:27-28). Maar waar gebeurt dat in een geloofwaardig en begrijpelijke wijze? Dat zou bijvoorbeeld het geval zin, wanneer twee uitleggers onafhankelijk van elkaar uit het stamelen van het huidige “spreken in tongen” hetzelfde erin zouden kunnen “beluisteren”. Een broeder in Christus, die tien jaar het “spreken in tongen” intensief gepraktiseerd heeft, schreef in een boek, dat hij het in deze jaren niet beleefd had, dat hijzelf of iemand anders in een echte, bestaande taal gesproken heeft. Deze eerlijke uitspraak spreekt een duidelijke “taal”!

De aankondiging (Mark. 16)

Het spreken in talen komt in het nieuwe testament op deze plaatsen voor: Markus 16, Handelingen 2, 10, 19 alsook in 1 Korinthe 12 tot 14. We zullen deze plaatsen eens gaan bekijken.

De Heer, Die zelf niet in talen gesproken heeft, kondigde dit teken aan: “En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden” (Mark. 16:17-18). Deze tekenen, zoals het spreken in “nieuwe talen”2, zouden het evangelie bevestigen, dat nu in de hele schepping gebracht werd (Mark. 16:15; verg. Hebr. 2:4).

Wanneer deze tekenen er vandaag nog zouden zijn, zouden alle vijf tekenen voorhanden moeten zijn, die in Markus 16 genoemd worden. Het is niet toelaatbaar, om het spreken in talen afzonderlijk te behandelen, terwijl men beweert, dat iedere christen in talen zou moeten spreken. Waar wordt dan bijvoorbeeld iets dodelijke gedronken, zonder dat er iets gebeurt? Of waar kunt u vandaag ongedeerd giftige slangen opnemen?3 In de apostolische tijd werden slangen daadwerkelijk “opgenomen”, zonder dat er iets gebeurde (Hand. 28:3-6) – en er werd ook in nieuwe, andere talen gesproken.

Het historische bericht (Hand. 2; 10; 19)

Handelingen 2 vers 1-36: De Heer Jezus heeft na Zijn opstanding aangekondigd, dat de Heilige Geest binnen enkele dagen uitgestort zou worden en dat de discipelen in de kracht van deze Geest Zijn getuigen tot aan het einde der aarde zouden zijn (Hand. 1:8). Toen de dag van Pinksteren vervuld werd, kwam de Heilige Geest naar beneden en kwam in de vergadering (gemeente) wonen en in iedere gelovige (Hand. 2:1-4). Tot aan dit tijdstip waren er nog geen christenen uit de volkeren. God werd bijgevolg (voornamelijk) in de Hebreeuwse respectievelijk Aramese taal vereerd. Maar binnen korte tijd zou God in vele talen geprezen worden. Van deze geweldige waarheid werd al op de Pinksterdag getuigenis gegeven: De joodse discipelen spraken in andere talen over de grote daden van God, zoals de Geest van God het hun ingaf.4 De toehoorders die hun eigen taal vernamen, vroegen zich met verbazing af: “En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn?” (vs. 8-11). Voor anderen die hun eigen taal of hun bekende dialecten niet hoorden, waren de woorden van de discipelen onbegrijpelijk. Zij meenden dat de discipelen te veel wijn gedronken hadden (vs. 13). Petrus maakt daarop duidelijk, dat datgene wat zij hoorden de werking van de Heilige Geest was, Die ervoor zorgde, dat de discipelen in werkelijk bestaande talen spreken konden, die zij voorheen niet geleerd hadden.

In Handelingen 10 vers 44-48 komt voor de tweede maal het spreken in talen voor. Nadat door innerlijke weerstand van de jood Petrus door een goddelijk gezicht overwonnen werd, bezocht hij een man uit de volken om hem het evangelie te brengen. Cornelius en anderen namen de boodschap in geloof aan. Zij ontvingen de Heilige Geest en begonnen in talen te spreken en God groot te maken. God had het zegel van de bevestiging op de verkondiging van het evangelie op de volkeren gedrukt! Toen Petrus de sceptische joodse broeders over deze gebeurtenis berichtte, “verheerlijkten zij God en zeiden: Zo heeft God dus ook aan de heidenen de bekering gegeven die tot het leven leidt” (Hand. 11:18). Ze konden door het teken van het spreken in talen onderkennen, dat God hen die uit de volkeren waren de heilige Geest gegeven had – precies zo als bij hen.

In Handelingen 19 vers 1-7 lezen we van de apostel Paulus, dat hij in Efeze joodse discipel aantrof, die het evangelie van het heil van de gekruisigde en verheerlijkte Heer niet kenden en daarom niet met de Heilige Geest verzegeld waren (verg. Ef. 1:13).Zij wisten niet eens, dat de Heilige Geest op aarde gekomen was. Deze discipelen waren opnieuw geboren – maar nog geen christen. Toen Paulus hen het volle evangelie predikte, namen zij het graag aan. Nadat zij gedoopt waren en Paulus hen de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken in talen en profeteerden.

Het spreken in talen bij deze drie gelegenheden was ogenschijnlijk iets bijzonders – het waren gebeurtenissen die een nieuwe periode inluidden. In Handelingen 2 kwam de Geest op aarde, en het evangelie werd om zo te zeggen wettig wettig (‘de jure’, van rechtswege) voor alle volken toegankelijk gemaakt. In Handelingen 10 bereikte het evangelie daadwerkelijk (‘de facto’, feitelijk) de volkeren: Cornelius hoorde door de apostel der joden, Petrus, het evangelie (verg. Hand. 15:8,9). In Handelingen 19 zien we, hoe de apostel van de volkeren, Paulus, het evangelie verkondigt en zulken hun vertrouwen op het werk van de Heer Jezus stelden, die alleen maar de leer van Johannes de Doper kenden.

Het valt op, dat alen die de Geest ontvingen en in talen spraken, al langere tijd vrome en opnieuw geboren mensen waren (de discipelen van de Heer; de vrome Cornelius; de discipelen van Johannes). Het spreken in talen markeert daarmee de overgang van het oude testament naar het Nieuwe testament, van de wet naar de genade: Nu in deze tijd van het heil, bezitten de gelovigen, uit welke achtergrond zij ook komen, zonder onderscheid de Heilige Geest, en zij vormen allen het ene lichaam van Christus. Dat was iets wat in het bijzonder de joden leren en begrijpen moesten, omdat zij op een door God gegeven godsdienst steunen konden, welke God nu terzijde zette. God maakte dat door het teken van het spreken in talen duidelijk.

De leerstellige afhandeling (1 Korinthe 12-14)

In Handelingen hebben we gezien, dat bij bijzondere gelegenheden collectief in talen gesproken werd. In de Korinthe-brief gaat het ook het spreken in vreemde talen – maar het gaat om gaven, die enkele bezaten en uitoefenden (1 Kor. 12:10,28). De retorische vraag van de apostel in 1 Korinthe 12, of allen in talen spreken (vs. 30), moet natuurlijk ontkend worden. De vaak gehoorde bewering dat alle christenen in talen zouden moeten spreken, is daarom niet houdbaar. 5

Wordt D.V. vervolgd

NOTEN:

1. De Griekse uitdrukking glossa betekent zowel “tongen” als ook “talen”. Beide vertalingen zijn mogelijk – het verband maakt duidelijk, waarom het gaat. Wanneer het om het spreken in een nieuwe taal gaat, moet men het begrip “spreken in talen” en niet “spreken in tongen” gebruiken, omdat dat naar het huidige taalgebruik met de feiten overeenkomt.

2. Het zijn geen nieuwe talen in absolute zin, maar nieuw voor hen, die ze spraken.

3. Het ontbreekt gewoonlijk niet aan pogingen om dit teken te imiteren: in sommige gemeenten wordt “het opnemen van slangen” gepraktiseerd. Telkens weer, leidt dit tot dodelijke gevallen. Zo stierf in mei 2012 een 44-jarige pinkster-voorganger stierf na de beet van een ratelslang, die hij gedurende een dienst in de hand genomen had.

4. Op deze plaats noch op een andere plaats is er sprake van, dat het spreken in talen bij het evangeliseren ingezet moet worden. Toen Petrus zijn toespraak op de Pinksterdag hield, (Hand. 2:14 en volgende), sprak hij niet in talen. – Overigens was het Grieks toen wijd en zijt verspreid, zodat vele mensen in deze taal met de goede boodschap bereikt kon worden.

© Folge mir nach – Gerrid Setzer

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol