Bijbelgedeelte: Johannes 6 vers 1-13
Inleidende opmerkingen over hoofdstuk 6
We zagen aan het begin van hoofdstuk 5 al, dat de hoofdstukken 5 tot en met 7 met elkaar verbonden zijn. Alle drie de hoofdstukken beginnen met een gebeurtenis die plaatsvindt tijdens een Joods feest. In hoofdstuk 5 en 6 is dat het Pascha-feest, en in hoofdstuk 7 het Loofhuttenfeest. En in elk van deze drie hoofdstukken worden de inleidende gebeurtenissen gevolgd door gedetailleerde toespraken van de Heer Jezus die veel diepgaander zijn dan wat in de betreffende gebeurtenissen zelf wordt voorgesteld.
Hoewel elk van deze drie hoofdstukken begint met “Daarna,” betekent dit niet dat de betreffende gebeurtenissen elkaar in directe chronologische volgorde opvolgen. In Johannes 5 zagen we, dat het Joodse feest dat in vers 1 wordt genoemd, het Pascha is. Hier in Johannes 6 vers 4 horen we opnieuw over een Pascha, wat betekent dat er bijna een heel jaar ligt tussen de gebeurtenissen in hoofdstuk 5 en 6; een heel jaar in het leven van de Heer Jezus, dat min of meer wordt overgeslagen in het Evangelie van Johannes. In de andere evangeliën vinden we een hele reeks gebeurtenissen die zich in dit jaar hebben afgespeeld, maar deze worden niet door Johannes vermeld.
Hoofdstuk 5 en 6 onthullen twee waarheden over de Persoon van de Heer Jezus in verband met het eeuwige leven. In hoofdstuk 5 zien we meer van het aspect van Zijn Goddelijkheid; Hij is de Zoon die leven geeft – en deze waarheid wordt geïntroduceerd door de gebeurtenis bij de vijver van Bethesda. In hoofdstuk 6 zien we de Heer Jezus als de Mens uit de hemel die naar de aarde komt, hier leeft en Zijn leven geeft, en daarom de Persoon is, in Wie de mens moet geloven om het eeuwige leven te ontvangen – en dit thema wordt geïntroduceerd door de gebeurtenis van de vermenigvuldiging van de broden.
In dit hoofdstuk 6 komen drie bijzondere punten aan bod met betrekking tot de Persoon van de Heer Jezus: in Zijn menswording is Hij het brood voor de wereld (vs. 33), wat alleen dan van nut is voor de mensen als zij ook in Zijn dood en opstanding geloven; als de Gestorvene is Hij het voedsel voor de gelovigen (vs. 56); en als de Opgestane fundeert Hij de gemeenschap van gelovigen met een verheerlijkte Heer (vs. 62).
Het teken van de vermenigvuldiging van de broden – de spijziging van de vijfduizend
De spijziging van de vijfduizend, waarmee dit hoofdstuk begint, is het enige wonder of teken van de Heer Jezus dat door alle vier de evangeliën wordt beschreven (Matth. 14:13-21; Mark. 6:32-44; Luk. 9:10-17). Dit is uitzonderlijk, want verder worden alleen de ontmoeting met Johannes de Doper bij Zijn doop en Zijn lijden aan het kruis door alle vier de evangeliën vermeld. Maar hier hebben we de enige gebeurtenis uit Zijn leven die in alle vier de evangeliën wordt beschreven. Blijkbaar waren er ook verschillende beginpunten vóór dit teken. In Mattheüs had de Heer zich teruggetrokken naar een afgelegen plek na de onthoofding van Johannes de Doper; in Markus zouden de discipelen na een vermoeiende dag een tijdje bij Hem rusten. Alleen Johannes beschrijft het tot in detail, alsof elke handeling uitsluitend van de Heer Jezus uit zou gaan. Dit komt precies overeen met het karakter van het Evangelie van Johannes, waar alles van Hem afkomstig is en waar Hij vanaf het begin precies wist wat Hij wilde doen.
Door deze details bij zorgvuldig lezen te ontdekken, krijgen we bewondering voor de inspiratie van Gods Woord! Niet alleen is elk woord door God geïnspireerd, maar ook de algehele structuur, de ordening en de daaruit voortvloeiende beeldspraak maken deel uit van de inspiratie en geven dit Goddelijke Woord zijn unieke karakter.
Johannes beschrijft verschillende gevallen waarin iets ontbrak; in hoofdstuk 2, op de bruiloft in Kana, was er geen wijn meer; in hoofdstuk 4 ontbrak het de vrouw aan levend water; en hier ontbreekt het aan brood. In Johannes 21 wordt de discipelen opnieuw gevraagd: “Kinderen, hebt u soms iets te eten?” (vs. 5). Johannes laat duidelijker zien dan de andere evangelisten, dat de Heer de enige is die in alle menselijke behoeften kan voorzien.
Johannes is de enige schrijver van de evangeliën die, aansluitend aan dit teken, ook de uitleg geeft van de betekenis ervan. Het hele hoofdstuk 6 gaat over hoe Hij het manna aan hen aanbiedt; Hijzelf, als Mens op aarde, is dit manna dat uit de hemel is neergedaald. De woorden “uit/van de hemel neergedaald” worden zeven keer in dit hoofdstuk gebruikt (vs. 33,38,41,42,50,51,58). Zijn leven op aarde is ons voedsel. En vervolgens, als antwoord op het gemor van de Joden, beschrijft hij, hoe Hij ons manna werd; hij verandert de beeldspraak en spreekt over het eten van Zijn vlees en het drinken van Zijn bloed. De Heer Jezus werd Mens om te sterven en ons Zijn vlees te geven om te eten en Zijn bloed om te drinken. Dit betekent voor ons, zich door geloof één te maken met een gestorven Christus. Ten eerste, om tot geloof te komen (vs. 51 en 53), en vervolgens voortdurend als het voedsel van de gelovige (vs. 54 en 56), moeten we ons met Hem voeden. Dat is ons voedsel.
In grote delen van de christenheid worden deze woorden van de Heer in vers 54 geïnterpreteerd als verwijzend naar het avondmaal; maar dat zou betekenen, dat men eeuwig leven ontvangt door deel te nemen aan het avondmaal (vs. 54) – een volkomen valse leer! Door deze list is Satan erin geslaagd het evangelie in grote delen van de christenheid overbodig te laten lijken, want wie heeft het evangelie nodig als men het eeuwige leven kan verkrijgen door simpelweg deel te nemen aan het avondmaal?
“Daarna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galiléa, [of] van Tibérias” (vs. 1).
We hebben al gezien, dat dit geen chronologisch, maar een moreel “daarna” is. Johannes plaatst, onder leiding van de Heilige Geest, de verschillende gebeurtenissen in een morele context. Hoofdstuk 5 had een nogal droevig einde met de constatering, dat er geen geloof was onder de Joden. De Heer Jezus verliet Jeruzalem en we treffen Hem nu aan de overkant van de zee van Galiléa. Er is dus opnieuw een geografische verschuiving van Judea naar Galiléa, zoals we al vaker hebben gezien in de hoofdstukken die we tot nu toe hebben besproken.
“En een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij deed aan de zieken” (vs. 2).
De reden waarom de menigte de Heer volgde, waren de wonderen die Hij aan de zieken verrichtte. In de twee jaar sinds het eerste Pascha in hoofdstuk 2 was het volk niet verder gevorderd; zelfs toen geloofden ze al in Zijn Naam toen ze de wonderen zagen die Hij verrichtte (Joh. 2:23). Ze volgden Hem toen, net als nu, uitsluitend vanwege Zijn uiterlijke daden.
“En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met Zijn discipelen” (vs. 3).
Alleen Johannes bericht, dat dit teken van de vermenigvuldiging van de broden vanaf een berg plaatsvond. Hij stelt ons de Heer voor in het bijzonder als Degene die uit de hemel kwam, de Hemelse, en uiteindelijk komt dit wonder van boven. Dit wordt symbolisch aangegeven door de vermelding van de berg. Misschien had de Heer daar gezeten om te onderwijzen, zoals Hij had gedaan in de zogenaamde Bergrede (Matth. 5:1). Hij wilde Zijn discipelen onderwijzen over het voedsel van Gods volk, zoals we later in dit hoofdstuk zullen zien.
“En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij” (vs. 4).
Voor de derde keer in dit evangelie wordt het Pascha een Joods feest genoemd (Joh. 2:13; 5:1); ook het Loofhuttenfeest in het volgende hoofdstuk wordt een Joods feest genoemd (Joh. 7:2). De feesten die als feesten van de Heer waren ingesteld (Lev. 23) hadden hun oorspronkelijke karakter verloren en waren Joodse feesten geworden. We moeten echter ook bedenken, dat Johannes zijn evangelie zeer laat schreef, ongeveer 20 jaar na de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. Deze toevoeging dient dus ook als een soort uitleg voor zijn lezers, die niet meer zo vertrouwd waren met de vroegere Joodse ceremonies.
“Toen nu Jezus de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toekwam, zei Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen opdat dezen eten?” (vs. 5).
De uitdrukking dat Jezus zijn ogen opsloeg en zag, duidt op een zeer bewust, innerlijk gericht zien. Hij ziet niet alleen de naderende menigte, maar Hij ziet dieper; Hij ziet hun motieven en hun ware, oprechte behoefte. Het is een zien van barmhartigheid (Luk. 1:78). Markus 6 vers 34 zegt, dat Hij innerlijk bewogen werd door deze menigte, omdat ze waren als schapen zonder herder. En net zoals de ware Herder van Israël naar Zijn schapen informeert, zo zorgt Hij ook hier voor Zijn kudde (Ezech. 34:11 e.v.). Hij zag niet alleen wat uiterlijk noodzakelijk voor hen was – voedsel voor het lichaam – maar vooral wat hun ziel nodig had.
Maar Hij vraagt Filippus niet waar hij het benodigde brood zou kopen, maar Hij vraagt hem: “Waar zullen wij broden kopen?” Hij betrekt Zichzelf bij deze vraag en wijst Filippus daarmee al de weg naar de oplossing: Hij wilde niet, dat hij het probleem alleen zou oplossen.
Waarom vroeg de Heer specifiek aan Filippus? Uit de evangeliën weten we dat Filippus uit Bethsaïda kwam (Joh. 1:44) en dat dit wonderteken ook in de buurt van Bethsaïda plaatsvond (Luk. 9:10; Mark. 6:45). Juist Filippus moet geweten hebben waar men in die streek brood kon krijgen. Maar Filippus was ook een man die zeer rationeel dacht en objectief oordeelde, zich oriënterend op wat hij duidelijk voor zich zag. Hoe zou deze discipel reageren op de vraag van de Heer? Zou hij opnieuw rationeel berekenen wat nodig was? Dat is precies wat hij doet (vs. 7).
“Dit nu zei Hij om hem op de proef te stellen; want Hij wist Zelf wat Hij zou doen” (vs. 6).
De Heer wist van tevoren wat de discipelen Hem zouden voorstellen, maar Zijn plan was al lang klaar. Hij wilde iedereen te eten geven, en daarna zou er meer zijn dan voorheen. Maar de Heer wist ook welke geestelijke les Hij uit dit teken zou trekken (vs. 51). Enerzijds is Hij het brood uit de hemel, dat de Vader geeft (vs. 32-33), maar Hij wist ook, dat Hij Zijn lichaam zou geven voor het leven van de wereld.
Filippus was iemand die de Schriften van het Oude Testament kende (Joh. 1:46); had hij niet een ander voorval kunnen kennen, waarbij veel jonge mannen gevoed werden met slechts een paar broden (2 Kon. 4:42-44)? Had Filippus deze proef niet kunnen doorstaan op basis van het Oude Testament? Het Oude Testament biedt nog veel meer voorbeelden waarin God overvloed maakt uit het weinige dat beschikbaar is (bijv. 1 Kon. 17:7-16; 2 Kon. 4:1-7). Het is dus een proef voor degenen die Hij in Zijn dienst wil gebruiken, die van Hem moeten leren.
De kennis van de Heer Jezus beperkt zich niet tot wat Hij wil doen; Hij weet ook altijd al wanneer Hij iets wil doen. In Johannes 5 vers 6 zagen we, dat Hij wist hoe lang de zieke al leed. Hij reageert nooit op omstandigheden; Hij weet altijd wat Hij wil doen en wanneer Hij het wil doen. Ook hier zien we de Heer Jezus als de Zoon van God, die alles weet. We zagen dit in Johannes 2 vers 25, en we vinden deze kennis opnieuw aan het einde van dit hoofdstuk (Joh. 6:64). En als het gaat om de voltooiing van Zijn werk, vinden we het opnieuw in Joh. 13 vers 1 en 3 en 18 vers 4. Net zoals Hij destijds op aarde alles van tevoren wist, weet Hij het ook vandaag. We kunnen hierop vertrouwen in elke situatie. De Heer is nooit zonder raad of kennis – dit kan ons diepe vrede geven.
“Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd denaren broden is voor hen niet genoeg dat ieder een klein beetje krijgt” (vs. 7).
Filippus berekende de omvang van de behoefte en vergeleek die met hun eigen middelen, waaruit hij concludeerde, dat hun eigen middelen ontoereikend waren. Mozes redeneerde op dezelfde manier toen het gemengde volk hebzuchtig werd en de hele natie naar vlees verlangde (Num. 11:21-22). Zowel Filippus als Mozes waren in staat de geschatte behoefte te berekenen, maar ze hielden geen rekening met de Goddelijke oneindigheid. Wanneer deze factor in acht wordt genomen, zal men nooit iets ontoereikend vinden – de hand van de Heer is nooit te kort (Num. 11:23). Laten we vertrouwen op Zijn onbegrensde mogelijkheden! Hij staat hier vlak naast de discipelen, en zij zien niet wie Hij werkelijk is. Hoe vaak zijn ook wij blind voor Zijn aanwezigheid!
Als we de berekening van Filippus volgen en het dagloon van een arbeider in een zesdaagse werkweek in die tijd in ogenschouw nemen (Matth. 20:2), dan zou het geld van ongeveer acht maanden werk nodig zijn, en zelfs dan zou iedereen maar weinig ontvangen. Maar wanneer de Heer Jezus ingrijpt, ontvangt iedereen zoveel als Hij wil (vs. 11). Hoe genadig is de Heer! Hij neemt nooit genoegen met het geven van slechts een klein hapje; Hij geeft uit Zijn volheid.
“Eén van Zijn discipelen, Andréas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem: Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zo velen?” (vs. 8-9).
Hoewel Philippus de omvang van de behoefte heel goed kon beschrijven, was Andréas zich duidelijk bewust van de ontoereikendheid van zijn eigen mogelijkheden. Beiden maakten dezelfde fout. Zij hielden in hun overwegingen geen rekening met de mogelijkheden van de Heer Jezus. Ze wisten wat ze bij zich hadden, maar ze stonden er niet bij stil Wie ze bij zich hadden!
Er moest heel wat werk verzet worden voordat deze vijf broden klaar waren om gegeten te worden. Er moest gezaaid worden, geoogst, gemalen en gebakken – ze zijn het resultaat van een lange en veelzijdige inspanning voordat ze voedsel konden worden.
Voor vissen is minder moeite nodig; de Schepper stuurt ze het net in of aan de haak. Maar ze vertegenwoordigen ook iets wat de Heer kan gebruiken, iets wat we op dat moment misschien helemaal niet hadden verwacht. Iedere broeder die het Woord verkondigt, kent momenten waarop de Heer plotseling een gedachte openbaart die Hij op dat moment wil uitdrukken, en die wij vervolgens mogen doorgeven. De Heer wekt deze gedachte in ons hart vanuit een totaal andere context en geeft haar ons in deze specifieke context, omdat ze nodig is voor de behoeften van dat moment. Dit vereist, dat we innerlijk openstaan voor het laten werken van de Heilige Geest.
Wanneer Andréas hier specifiek wordt genoemd als de broer van Simon Petrus, weten we dat deze twee broers door de Heer geroepen waren om vissers van mensen te zijn (Matth. 4:18-19). Net zoals er in de natuur twee verschillende manieren zijn om te vissen – namelijk met een net en met een hengel – zo deden deze twee broers hetzelfde in hun dienst aan de Heer. We lezen over Petrus als visser van mensen in de Handelingen der apostelen, waar op een bepaalde gelegenheid drieduizend mensen zich bekeerden na een van zijn preken (Hand. 2:41). Hij viste praktisch met een net. Andréas daarentegen viste met een hengel; dit vereist andere kwaliteiten: kalmte, een scherp oog en ijver. En het was in de grote menigte van vijfduizend mensen dat Andréas een jongen met zijn brood en vis opmerkte, en hij bracht hem tot de Heer. Misschien zouden ook wij graag vurige preken houden die velen tot bekering tot de Heer zouden leiden, maar we voelen ons daartoe niet in staat omdat we meer het stille type zijn. Maar we moeten onszelf niet als nutteloos beschouwen in de dienst van de Heer; de Heer heeft juist zulke stille mensen nodig in Zijn dienst, mensen die oog hebben voor en een fijn medegevoel hebben met het individu.
De eerdere Elberfelder vertaling* luidde: een kleine jongen. Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt (paidárion) komt twee keer voor in het Nieuwe Testament, hier in Johannes 6 vers 9 en in Mattheüs 11 vers 16. Hoewel het een verkleinwoord is van pais = jongen, kon hij geen peuter meer zijn, noch een heel klein jongetje. Deze jongen reisde kennelijk alleen; een jongen die misschien de broden en vissen had gekregen die zijn moeder had ingepakt. En deze jongen staat nu dicht bij de Heer Jezus, te midden van de grote menigte. Niet de discipelen, niet de menigte, maar deze jongen was op dat moment het belangrijkst voor het wonder, dat de Heer wilde verrichten. En hij mag zien hoe met het weinige dat hij had, de vijfduizend mensen werden gevoed. Hieruit beseffen we opnieuw de waarde van onze kinderen als gaven van God, die Hij ons uit genade heeft gegeven (Gen. 33:5), en hoe belangrijk het is, dat we hen van jongs af aan laten wennen aan de tegenwoordigheid van de Heer.
Alleen hier in het evangelie van Johannes lezen we, dat de broden gerstebroden waren. Dit teken van de vermenigvuldiging van de broden vindt plaats vlak voor het Pascha (vs. 4), en ook vlak voor het allereerste Pascha in het Oude Testament lezen we dat de gerst al in de aar zat en daarom al platgeslagen was, maar de tarwe nog niet (Ex. 9:31-32). Gerst heeft een dubbele betekenis:
- Het was een zeer goedkoop graan; Salomo gebruikte het onder andere als voer voor paarden (1 Kon. 4:28); het was slechts ongeveer half zoveel waard als tarwe (2 Kon. 7:1) en werd beschouwd als het brood voor de armen; wanneer we gerst in verband brengen met de Heer Jezus, zien we daarin een beeld van Zijn volkomen nederigheid als Mens.
- Het oogstseizoen begon met de gersteoogst, en tijdens het Feest van de eerstelingen (Lev. 23:9 e.v.) werden schoven gerst binnengebracht; hierin zien we een prachtig beeld van Christus in Zijn opstanding, de eerste vruchten van een volledig nieuwe en wonderbaarlijke oogst (1 Kor. 15:20,23); en waar eerste vruchten zijn, zal de hele oogst volgen van hen die het opstandingsleven in Hem bezitten; Christus is het begin van deze nieuwe geestelijke schepping (Kol. 1:18; Openb. 3:14), en als iemand in Hem is, is er een nieuwe schepping (2 Kor. 5:17).
In dit hoofdstuk vinden we daarom verwijzingen naar het Pascha, de schoof van de eerstelingen en later ook naar het manna. Het Pascha spreekt over de dood van de Heer, Zijn verlossingswerk als het Lam van God. Het vormt het fundament van alles wat hier genoemd wordt. Hierna volgen de gerstebroden als een beeld van de opgestane Heer, en vervolgens, als verklaring voor deze spijziging van de vijfduizend, de Heer Jezus als het ware Manna, het ware Brood uit de hemel (vs. 32). Toen het volk Israël de Jordaan was overgestoken en aan de overkant in het beloofde land was aangekomen, hield het manna op (Joz. 5:12). Ze hadden het einde van hun geloofsreis bereikt; ze waren waar God hen wilde hebben. En daar aten ze van de opbrengst van het land, de gerst als de eerste oogst van het land – geestelijk gesproken verbleven ze in de hemelse gewesten en voedden zich met Christus als de opgestane Heer, die nu aan de rechterhand van God zit (Kol. 3:1). Maar voor ons leven op aarde hebben we ook het manna nodig; wanneer we ons voeden met de Heer als het ware Manna, ontvangen we de kracht om Hem op aarde te volgen (Matth. 11:29; Fil. 2:5; 1 Petr. 2:21). Het is wonderbaarlijk hoe al deze beelden wijzen naar de Heer als het voedsel voor Zijn volk – Hij is toereikend voor alles!
“Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. Dus gingen ze zitten, de mannen ongeveer vijfduizend in getal” (vs. 10).
Voordat de Heer Jezus de broden en de vissen vermenigvuldigde, moest de menigte gaan zitten. Hij had op dat moment nog geen manden vol brood naast zich. Hij had alleen de vijf broden en de twee vissen. Maar nu moesten ze voedsel ontvangen. Waarschijnlijk vroeg elke discipel zich af waarom Hij dit vroeg. Het is vaak zo, dat de Heer, vlak voordat hij een wonder verricht, het geloof van degenen die het ontvangen op de proef stelt (vgl. Joh. 11:39-40; Luk. 9:41). En dan kunnen ze vol verbazing zien hoe Zijn handen dit schijnbaar onoverkomelijke probleem aanpakken.
Wanneer de Heer voedsel wil uitdelen, moeten degenen die het ontvangen, in rust en op een ordelijke manier voor Hem zitten. In Markus lezen we, dat het groen gras was en dat de menigte in groepen van honderdvijftig personen ging zitten. De term die daar – in Mark. 6:39 – voor “afdelingen” wordt gebruikt, betekent ook tuinperceel of -gedeelte. Het was bijna Pasen, dus het was lente, en de hele beschrijving wekt de indruk van een lenteachtige situatie, waarin nieuw leven ontluikt. De overvloed aan gras suggereert ook, dat de mensen comfortabel konden liggen. Toen de discipelen de bovenkamer voor het Paasfeest moesten voorbereiden, troffen ze die bedekt met kussens aan (Mark. 14:15) [1]. Het gras hier en de kussens daar waren niet de belangrijkste aspecten van deze scènes, maar ze boden wel de mogelijkheid om zich op hun gemak te voelen. Waar de Heer ook voedsel geeft, mogen wij ons op ons gemak voelen!
Drie keer in deze verzen spreekt de Heer van “zitten” (vs. 10,11). Het is een verzoek aan Zijn discipelen om een atmosfeer te creëren die bevorderlijk is voor het eten van voedsel. In het verhaal, dat hier in het evangelie van Johannes wordt verteld, is dit het enige wat de discipelen doen totdat ze aan het einde de overgebleven brokken verzamelen (vs. 13). De Heer doet al het andere; de discipelen zijn alleen verantwoordelijk voor het (gaan) zitten. Een belangrijke taak! En de discipelen waren gehoorzaam aan deze taak.
“Jezus dan nam de broden, en toen Hij gedankt had, verdeelde Hij ze onder hen die daar zaten; op gelijke wijze ook van de vissen, zoveel zij wilden” (vs. 11).
De Heer nam nu de vijf broden van de jongen, hoewel Hij ze niet nodig had. Toen Hij ontbijt had bereid voor Zijn discipelen aan het Meer van Tiberias, had Hij ook de vis die de discipelen hadden gevangen niet nodig (Joh. 21:9). De vis en het brood lagen al op het vuur toen de discipelen aan land gingen. Hier gebruikt Hij het weinige, dat voorhanden was en vermeerdert het op wonderbaarlijke wijze. In het geval van Mozes was het slechts een staf in zijn hand, maar die werd tot staf van God, en machtige wonderen gebeurden ermee omdat God deze staf kon gebruiken (Ex. 4:1-5). Wanneer God werkt, neemt Hij bijna altijd iets dat er al is en maakt er iets groots van.
Dan dankt de Heer; hoewel Hij wist, wat Hij doen wilde, dankt Hij. Dit is een belangrijke aanwijzing, dat we dankbaar moeten zijn voor wat de Heer ons geeft – zowel in de fysieke als in de geestelijke wereld. In vers 23 keert de Heilige Geest terug naar deze plaats en laat Hij Johannes uitdrukkelijk schrijven, dat de Heer gedankt had. In Gods ogen is dit dankzeggen buitengewoon belangrijk. De Heer zou Zich nu openbaren als de eeuwige Zoon van God in het wonder van de vermenigvuldiging van de broden, maar in de momenten daarvoor is Hij heel bewust de afhankelijke Mens voor de Vader. En als we bedenken, dat de Heer tweemaal dankte in het tweede wonder van de vermenigvuldiging van de broden, de spijziging van de vierduizend: eerst voor het brood en daarna voor de vis (Mark. 8:6+7), laten we hieruit leren om ook in de fysieke wereld bewust en niet alleen uit gewoonte te danken voor voedsel.
En dan deelt de Heer uit, zoals Johannes het hier beschrijft. Uiteindelijk komt elke geestelijke zegening die we ontvangen van de Heer. Hij maakt mogelijk gebruik van menselijke kanalen, maar die worden hier niet genoemd. En Hij verdeelt het onder degenen, die daar waren gaan zitten. Dit betekent voor ons, dat als we zegeningen van de Heer willen ontvangen, we op het gebied van de zegeningen moeten blijven. Laten we worden aangemoedigd om de bijeenkomsten regelmatig bij te wonen. Een uur dat niet wordt bijgewoond, is een verloren zegen die niet opnieuw kan worden ingehaald!
Waarom worden de vijfduizend gevoed? Aan de ene kant werden ze verzadigd omdat de Heer het brood vermenigvuldigde. Zonder de Heer zou niemand gevoed zijn. Aan de andere kant raakten ze verzadigd, omdat ze aten. En dat is een beroep op de verantwoordelijkheid van ieder individu. De Heer deelt inderdaad uit, en Hij geeft meer dan we kunnen opnemen, maar om verzadigd te worden, om geestelijk gevoed te worden, moeten we eten. Er is geen zegen zonder de Heer, maar als we niet bereid zijn te ontvangen wat Hij ons geeft, zullen we geestelijk hongerig blijven.
“En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat” (vs. 12).
Natuurlijk had de Heer zoveel kunnen geven, als nodig was om de vijfduizend mensen te voeden. Maar Hij maakt duidelijk, dat wat Hij geeft meer is, dan noodzakelijk is en boven de werkelijke behoefte uitgaat. De Heer geeft altijd meer dan een mens kan opnemen en meer dan we allen tezamen kunnen opnemen.
Maar Hij laat ook niet toe, dat hetgeen overgebleven is zomaar blijft liggen en bederft. Hierin zien we een aanwijzing, dat de Heer nooit iets verloren zal laten gaan in wat Hij werkt (verg. Joh. 10:28).
“Zij verzamelden ze dan en vulden twaalf handkorven met brokken van de vijf gerstebroden, die waren overgelaten door hen die hadden gegeten” (vs. 13).
Dit grote grasveld, waar de vijfduizend mensen aten, was al vóór de wonderbaarlijke spijziging in orde; het was een wonderbaarlijke ordening terwijl de Heer Jezus aan het werk was, en het zou ook na de spijziging een tafereel van rust en orde blijven. Waar de Heer Jezus werkt, is alles in wonderbaarlijke sfeer van zegen en orde.
De twaalf manden zijn wellicht een teken, dat de Heer deze zegen in de toekomst zal blijven schenken aan het hele volk Israël, aan elke stam. Profetisch gezien zien we hierin een voorafschaduwing van Psalm 132 vers 15, de heerlijkheid van de komende Messias, die brood zal verschaffen aan de behoeftigen onder Zijn volk.
Praktische toepassing met betrekking tot de tijdstippen van samenkomst voor opbouw
We kunnen ook praktische lessen trekken uit dit teken van de vermenigvuldiging van de broden, aangezien de Heer ons ook wil gebruiken om Zijn kudde onder Zijn hoede van voedsel te voorzien. Hoe gaan wij met de kudde om? Hoeveel vertrouwen we op onszelf en hoe weinig vertrouwen we op de Heer?
Een vergelijking van de vier verslagen in de afzonderlijke evangeliën helpt ons dit te begrijpen; daarbij wordt namelijk duidelijk, dat de Heer tijdens dit teken precies zeven keer iets gezegd heeft. Deze zeven Goddelijk volmaakte uitspraken hebben alle betrekking op onze samenkomsten tot opbouw.
- “Waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten?” (Joh. 6:5): de indringende vraag van de Heer of we ons vertrouwen op Hem stellen of op menselijke hulpmiddelen rekenen.
- “Zij hoeven niet weg te gaan; geeft u hun te eten” (Matth. 14:16; Mark. 6:37; Luk. 9:13): waar de Heer Jezus aanwezig is, hoeft niemand weg te gaan; maar Hij wijst ons ook op onze verantwoordelijkheid om de verzamelde broeders en zusters van voedsel te voorzien.
- “Hoeveel broden hebt u? Gaat zien” (Mark. 6:38): Hoeveel hebben wij, als broeders, dat we bereid zijn in de gemeente te dienen, zodat onze broeders en zusters de nodige voeding voor hun ziel ontvangen? Verdiepen we ons in het Woord van God om onszelf te voeden, zodat de Heer dat vervolgens kan gebruiken voor anderen? Als we niets hebben, kunnen we ook niets bijdragen! Misschien moeten we erkennen, dat we tekortschieten omdat we ons niet genoeg met het Woord hebben beziggehouden.
- “Breng ze Mij hier” (Matth. 14:18): het centrale punt van deze zeven uitspraken. Wat wij hebben zal nooit genoeg zijn voor de behoeften van onze broeders en zusters; maar wanneer we het naar Hem brengen, maakt Hij van ons weinige een enorme overvloed, en dan kan er aan het einde zelfs nog worden verzameld. Vergeleken met het grote aantal van onze broeders en zusters zijn wij allemaal maar kleine jongetjes die slechts vijf broden en twee vissen hebben; maar wanneer we Hem dit weinige brengen, kan Hij er een grote overvloed van maken.
- “Laat de mensen gaan zitten” (Joh. 6:10): de broeders en zusters moeten innerlijk voor de Heer Jezus tot rust komen, net zoals Maria van Bethanië aan de voeten van de Heer Jezus zat en in nederigheid en verwachting naar Zijn Woord luisterde (Luk. 10:39; verg. Deut. 33:3). De hele plaatselijke gemeente heeft de verantwoordelijkheid om hindernissen voor het werken van de Geest van God weg te nemen, zodat er tijdens de samenkomsten een sfeer heerst waarin de broeders en zusters geestelijke voeding kunnen ontvangen. Als er ruzies of onrusten onder de broeders en zusters zijn, zijn de omstandigheden niet geschikt om goed tot rust te komen en Gods boodschap te horen en te ontvangen.
- “Laat hen gaan zitten in eetgezelschappen , elk van <ongeveer> vijftig” (Luk. 9:14): hier ligt de nadruk meer op het feit, dat de verzamelde broeders en zusters zich bewust in een bepaalde uiterlijke orde voor de Heer moeten opstellen om de zegen te ontvangen. We moeten ook onze verantwoordelijkheid nemen om ervoor te zorgen, dat externe verstoringen worden vermeden. We moeten ook aandacht hebben voor de geestelijke ingevingen van individuen, of iemand nu het liedboek of de Bijbel pakt om iets voor te stellen. We moeten op elkaar kunnen wachten, rust brengen in het verloop van de bijeenkomsten.
- “Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat” (Joh. 6:12): als we dit hebben opgevolgd door Hem ons persoonlijke weinige te brengen, dan zal onder Zijn macht ieder verzadigd worden en zal er geestelijk voedsel overblijven voor hen die er misschien niet bij konden zijn.
* Dit is een Duitse vertaling.
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 29.06.2019
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW