Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 31-33
Terugblik op vers 1-31
Het Evangelie van Johannes stelt in het bijzonder de Persoon van de Heer Jezus voor, hoe Hij als mens op deze aarde was en tegelijkertijd als de eeuwige Zoon van God. In dit evangelie vinden we zeven wonderen die de Heer Jezus verrichtte vóór Zijn werk aan het kruis, en deze wonderen worden bijna altijd tekenen genoemd. Het zijn dus niet zomaar bovennatuurlijke gebeurtenissen, maar elk wonder draagt een boodschap in zich.
Wat betreft het eerste van deze zeven tekenen1, lezen we in Johannes 2 vers 11, dat de Heer Jezus dit begin van de tekenen verrichtte en Zijn heerlijkheid openbaarde. De tekenen verwijzen altijd naar deze heerlijkheid van de Persoon van de Heer Jezus. In Johannes 20 vers 31 zegt Johannes, verwijzend naar deze tekenen, opdat we daardoor geloven, dat de Heer Jezus de Christus is, de Zoon van God.
Aan het begin van dit vijfde hoofdstuk zien we het derde teken: de genezing van de verlamde. De vermenigvuldiging van de broden bij de spijziging van de 5000 vormt vervolgens het vierde teken. Deze twee tekenen brengen belangrijke boodschappen over die de Persoon van de Heer Jezus verheerlijken. In Johannes 5 zien we, dat de Heer Jezus de kracht, macht en autoriteit heeft om leven te geven aan wie Hij wil. In Johannes 6 ontdekken we vervolgens, dat de voorwaarde voor het schenken van dit leven is, dat de Heer Jezus naar de aarde kwam als het brood van het leven en zelfs Zijn eigen leven gegeven heeft.
Johannes 5 is verdeeld in drie hoofdgedeelten:
- Vers 1-18: de genezing van de verlamde; hier zien we de heerlijkheid van de Heer Jezus, maar anderzijds ook de onmacht van de natuurlijke mens, die zichzelf niet kan helpen en die ook door niemand anders geholpen kan worden dan alleen door de Heer Jezus, de Zoon van God;
- vers 19-30: een bijzonder hoogtepunt in dit evangelie: de eenheid tussen de Vader en de Zoon in handelen, in liefde, in de macht om eeuwig leven te geven, in het oordeel en ook in heerlijkheid;
- vers 31-47: vier verschillende getuigenissen over de Heer Jezus: Johannes de Doper (vs. 33), de werken van de Heer Jezus (vs. 36), de Vader (vs. 37) en de Schriften van het Oude Testament (vs. 39).
De vier getuigenissen over de Heer Jezus
“Als ik van Mijzelf getuig, is mijn getuigenis niet waar” (vs. 31).
Een vergelijking met Johannes 8 vers 14 lijkt een tegenstelling te onthullen tussen deze twee uitspraken van de Heer. In de ene passage zegt de Heer Jezus, dat Zijn getuigenis waar is wanneer Hij over Zichzelf getuigt; en hier zegt Hij, dat Zijn getuigenis niet waar is wanneer Hij over Zichzelf getuigt. Maar beide uitspraken zijn juist; het hangt af van het verband waarin ze voorkomen. Eerder had de Heer Jezus gesproken over Zijn eenheid met de Vader; en nu, in dit verband, zegt Hij, dat als Hij onafhankelijk van de Vader zou getuigen – wat Hij niet doet en niet kan doen – Zijn getuigenis niet waar zou zijn.
Als de Heer Jezus over Zichzelf zou getuigen, zou dat niet voldoende zijn als getuigenis die geldig is voor mensen. Door dit te doen, plaatst Hij, die zich zojuist als de eeuwige Zoon heeft geopenbaard, Zichzelf hier als een afhankelijk Mens onder de Vader. Hij zou het recht hebben gehad om op Zijn eigen getuigenis aan te dringen. Maar hier zegt Hij in wezen, dat Zijn eigen getuigenis als Mens niet voldoende zou zijn.
“Er is een ander die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt, waar is” (vs. 32).
De andere persoon over Wie de Heer Jezus hier spreekt, is de Vader, niet Johannes de Doper. Dit wordt duidelijk door het verband en de overgang tussen deze twee passages. Bovendien staat het getuigenis van de Vader in dit vers tweemaal in de tegenwoordige tijd; het is een voortdurend en doorlopend getuigenis, terwijl het getuigenis van Johannes de Doper in het volgende vers in de verleden tijd staat.
Het is een bewijs van de Godheid van de Heer Jezus, wanneer Hij hier zegt, dat Hij weet dat het getuigenis dat de Vader van Hem aflegt, waar is. Alleen God de Zoon kan dit zeggen. In Johannes 8 vers 14 spreekt Hij over het weten waar Hij vandaan komt en waar Hij heen gaat.
Dit vers dient als inleiding voor het volgende gedeelte over de vier getuigen van de Heer Jezus. Deze vier getuigen stemmen allen overeen en hebben allen hun oorsprong in de Vader -daarom verwijst de Heer eerst naar de Vader, voordat Hij de vier getuigenissen achtereenvolgens voorstelt. Johannes de Doper werd door God gezonden; de werken die de Heer Jezus verrichtte, heeft Hij bij de Vader gezien en de Vader Zelf getuigde ervan; en de Schriften van het Oude Testament komen ook van de Vader. De Vader waakt over de zichtbare openbaring van de heerlijkheid van Zijn Zoon.
Deze vier getuigenissen zijn bedoeld om de Joden duidelijk te maken, dat de Heer Jezus de Zoon van God en de gezondene van de Vader is. En als Hij dat is, dan is het gevolg, dat zij in Hem moeten geloven. Het getuigenis van de Vader, dat de Heer Jezus Zijn geliefde Zoon is, heeft ook gezag waaraan men zich moet onderwerpen.
“U hebt naar Johannes toegezonden, en hij heeft van de waarheid getuigd” (vs. 33).
Wat betreft de kracht en betekenis van deze vier getuigenissen, die nemen toe. De Heer Jezus begint hier met Johannes de Doper, alvorens vervolgens drie directe Goddelijke getuigen te noemen. Hij wil de harten van de Joden bereiken en noemt daarom eerst iemand die ze hadden gezien en gehoord. Ze hadden de boodschap van deze man gehoord, die aanvankelijk hoog in aanzien stond bij hen.
De Heer Jezus zegt niet direct, dat Johannes de Doper van Hem getuigde, maar dat hij van de waarheid getuigde. Dat is niet precies hetzelfde, maar het ligt wel heel dicht bij elkaar.
Er was een tijd waar de Joden priesters en Levieten naar Johannes de Doper gezonden hadden (Joh. 1:19 e.v.; 3:26). Hij werd herhaaldelijk ondervraagd en geconfronteerd met zijn getuigenis over Christus. En wat heeft hij over Hem gezegd? “En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is” (Joh. 1:34). Dit was precies wat de woede van de Joden in hoofdstuk 5 (vs. 18) had opgewekt. “Hij die van boven komt, is boven allen … Hij die uit de hemel komt, <is boven allen” (Joh. 3:31) – een wonderbaar getuigenis van Johannes de Doper over de Heer Jezus als de Hemelse!
De Heer zegt drie dingen over Johannes de Doper:
- Hij getuigde van de waarheid (vs. 33);
- hij was de brandende en schijnende lamp (vs. 35);
- in zijn licht kon men zich verheugen (vs. 35).
Wat het eerste punt betreft, Johannes de Doper getuigde in overeenstemming met de waarheid over zichzelf, maar hij heeft ook met betrekking tot de toestand van de mensheid in overeenstemming met de waarheid getuigd. Maar het mooiste aspect is, dat hij oprecht getuigde van de Heer Jezus (verg. Joh. 10:41), hij heeft Hem grootgemaakt.
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 27.06.2019
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW