BIJBELGEDEELTE: JOHANNES 5 VERS 21-23
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (Joh. 5:24).
De belangrijkste thema’s die deze verzen tot en met vers 30 kenmerken zijn: leven, oordeel en dood. Deze verzen werken de twee belangrijkste punten uit vers 21 en 22 verder uit en verdiepen ze. Vers 21 liet zien, dat de Zoon, in Zijn goddelijke soevereiniteit, levend maakt wie Hij wil. Hier zien we het aspect van de menselijke verantwoordelijkheid: men moet horen en geloven, en dan ontvangt men het eeuwige leven. Dit is leven in zijn volheid, leven in overvloed (Joh. 10:10). Geen enkele gelovige uit andere tijdperken van verlossing kent dit; zij kennen ook de wedergeboorte, maar alleen gelovigen in het huidige tijdperk van genade ontvangen Christus Zelf als het eeuwige leven.
Aan de evangelist C.H. Spurgeon werd ooit gevraagd hoe hij deze twee kanten kon verzoenen: de soevereiniteit van God enerzijds en de verantwoordelijkheid van de mens anderzijds. Spurgeon antwoordde, dat hij niet wist waarom men vrienden zou moeten verzoenen. Deze twee gezichtspunten zijn niet tegenstrijdig; ze zijn beide waar.
Dat we het eeuwige leven ontvangen, betekent dus dat onze toestand verandert. De slotzin van het vers benadrukt vervolgens, dat we een ander rijk zijn binnengegaan. Dood en leven zijn twee rijken die elkaar volledig uitsluiten. Daarom is het absoluut onmogelijk, dat degenen over wie hier gesproken wordt ooit nog aan het oordeel onderworpen zullen worden.
Vers 24 is een absoluut hoogtepunt, een speciaal vers ook voor de verkondiging van het evangelie. Dit vers geeft onvaste zielen een stevig fundament; het geeft de zekerheid van de behoudenis. Ook hier worden waarheden uitgedrukt in de eenvoudigste woorden, waarheden met zo’n diepgang, dat we ze niet volledig kunnen bevatten. Het vers onthult drie zegeningen en wijst de weg naar deze zegeningen:
- Eerste zegen: eeuwig leven hebben; dit is leven in zijn rijkste vorm, verbonden met de Heer Jezus Zelf; Hij is de ware God en het eeuwige leven (1 Joh. 5:20). Dit eeuwige leven is niet iets, dat je op een gegeven moment ontvangt, maar we hebben het al; hoewel Paulus het eeuwige leven vaak presenteert als iets toekomstigs, bedoelt hij echter altijd het eeuwige leven in zijn volle, onbewolkte genot. Maar Johannes stelt het eeuwige leven echter altijd als een huidig bezit voor. Dit geeft zekerheid van behoudenis, dit neemt alle twijfel weg; en het is niet aanmatigend om hiervan te getuigen als een huidig persoonlijk bezit, want de Heer heeft het Zelf gezegd.
- Tweede zegen: niet in het oordeel komen; dit betekent niet, dat zo iemand niet geoordeeld zal worden, maar eerder dat hij of zij niet eens in een situatie terechtkomt waarin het oordeel wordt uitgesproken. Als dat het geval zou zijn, zou het werk van de Heer Jezus niet voldoende zijn. De Zoon zou moeten oordelen over wat Hij Zelf heeft gegeven, en dat is ondenkbaar.
- Derde zegen: de overgang van de dood naar het leven; in zijn eerste brief schrijft Johannes, dat we dit wonderbaarlijke feit zonder enige twijfel mogen weten (1 Joh. 3:14). Slechts één van de twee is mogelijk: of men is nog steeds in het rijk van de dood, of men is al in het leven overgegaan. Hier wordt de voltooide tijd gebruikt, wat betekent dat men is overgegaan in het leven en nog steeds is. Er is niets daartussenin. Wie het Woord van de Heer hoort en het niet in geloof aanneemt, is en blijft in het rijk van de dood – een ernstig feit!De weg naar deze zegeningen is het Woord van de Heer te horen en te geloven in Hem die Hem gezonden heeft. Het is de Zoon van God, de eeuwige Zoon, die hier spreekt; en Hij is tegelijk Mens, want Hij is gezonden door de Vader. De uitroep “… wie mijn Woord hoort” is een beroep op de verantwoordelijkheid van elk mens. Voordat het Woord gehoord kan worden, moet het verkondigd worden (Rom. 10:14). Maar het horen alleen is niet genoeg; het moet gevolgd worden door geloof, door aan te nemen wat er gezegd werd.Horen en geloven is een zeer persoonlijke zaak, zoals de uitdrukking “wie mijn Woord hoort” duidelijk maakt. Het richt zich niet tot groepen mensen, maar tot ieder individu persoonlijk. En wat vandaag gepredikt moet worden, is het Woord, “Mijn Woord” (2 Tim. 4:2), ook in de verkondiging van het evangelie.
De toevoeging betekent niet “gelooft die Mij heeft gezonden,” maar “gelooft Hem die Mij heeft gezonden.” Wat de Zoon zegt, zegt ook Hij, Die Hem heeft gezonden.
De twee uren – leven geven, het oordeel uitvoeren
We zagen in vers 21 en 22 dat de Zoon twee belangrijke werken verricht: Hij maakt levend en Hij zal het oordeel uitvoeren, dat Hem is toevertrouwd. En vanaf vers 25 komen we nu twee uren tegen die deze twee belangrijke werken gedetailleerder uitleggen. De term “uur” verwijst niet naar een periode van 60 minuten of een specifiek tijdstip, maar naar tijdperken, tijdsperioden. Hier in vers 25 is het het tijdperk waarin de geestelijk doden het eeuwige leven ontvangen. Dit eerste uur bestaat uit twee fasen:
- Het begon toen de Zoon van God hier op aarde was als Mens en geroepen heeft, en mensen hebben leven ontvangen.
- Het gaat ook nu nog door in de tijd van genade, wanneer de Zoon van God nog steeds roept door het evangelie, en mensen ontvangen leven.
In vers 28 hebben we dan het tweede uur, het uur van het oordeel, en ook dit uur kent twee fasen:
- Er is de opstanding van het leven.
- En er is de opstanding van het oordeel.
Er zijn vijf verschillen tussen deze twee uren die duidelijk laten zien, dat het om verschillende tijdsperioden gaat:
- In vers 25 wordt het uur gemarkeerd met de toevoeging “en het is nu”; dit ontbreekt in het tweede uur in vers 28.
- In vers 25 worden degenen die horen, aangeduid als doden, in vers 28 als degenen die in de graven zijn.
- In vers 25 is het de stem van de Zoon van God, in vers 27 de stem van de Mensenzoon.
- In vers 25 hoort niet iedereen deze stem, in vers 28 zal iedereen Zijn stem horen.
- In vers 25 is het resultaat leven, in vers 28 een opstaan uit de graven.
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en die deze hebben gehoord, zullen leven” (vs. 25).
Voor de derde keer in deze passage komt de uitdrukking “Voorwaar, voorwaar” voor. Als we deze drie passages vergelijken, zien we in het eerste geval, vers 19, dat de Zoon niet onafhankelijk van de Vader handelt. In het tweede geval, vers 24, zien we dat de Zoon en de Vader in overeenstemming zijn. Nu, in het derde geval, komt alleen de Zoon naar voren, hier in de hoedanigheid van de Zoon van God. Het gaat dus niet langer zozeer om de relatie van de Zoon tot de Vader, maar om de aard van Degene die hier handelt, die in de volle kracht van God handelt.
Juist op dit moment zijn er mensen die zich in het rijk van de geestelijke dood bevinden en die de stem van de Zoon van God horen en deze stem in geloof aannemen. De Zoon van God heeft de macht om leven te geven aan iedereen die naar Zijn stem hoort. Wat een enorme verandering om van de dood naar het leven te zijn gekomen! Bijna onmerkbaar wordt hier gezegd, dat alle mensen dood zijn! Alle levende mensen zijn geestelijk dood in Gods ogen.
Al in Johannes 4 vers 23 kwamen we deze uitdrukking “Maar er komt een uur, en het is er” tegen met betrekking tot de christelijke aanbidding. Het begon met de aanwezigheid van Degene die het opende. Hier verwijst het naar het horen van de stem van de Zoon van God. Geloof is hier inbegrepen bij dit horen, want alleen wanneer er geloof is in wat er gehoord wordt, ontvangen zij die de stem van de Zoon van God horen dit eeuwige leven. De Zoon van God roept, in Zijn soevereiniteit en macht (Rom. 8:30) – en er komt ook een antwoord.
Dit uur heeft dus een begin, maar het zal ook een einde hebben. Het is niet oneindig, en aangezien de mens dit einde niet kent, moet hij het horen van de stem van de Zoon van God niet blijven uitstellen.
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 04.03.2019
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW