13 jaar geleden

Het geloof van Noach

We leven vandaag in een tijd die verschrikkelijk veel overeenkomsten heeft met de dagen voor de zondvloed. Daarom hebben wij ook het geloof van Noach nodig, zoals het ons in Hebreeën 11:7 voorgesteld wordt. Het geloof neemt aan, wat God zegt, omdat God het zegt. Zijn wij ook zo trouw als Noach die ondanks alles door ging en God gehoorzaamde door de ark te bouwen? Is ons geloof “dood” of “springlevend”?

“Door het geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar het geloof is” (Hebreeën 11:7).

Noach werd 600 jaar vóór de zondvloed geboren (Genesis 7:6). Hij leefde in een zeer verdorven wereld, die rijp was voor het oordeel in een eindtijd, toen “de boosheid van de mensen menigvuldig was op aarde, en al het gedichtsel van de harten van zijn hart te allen dage alleen boos was” (Genesis 6:5). Maar in tegenstelling met de geschiedenis van de toenmalige wereld staat er: “Dit zijn de geboorten [of wel: dit is de geschiedenis (vertaler)] van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God” (Genesis 6:9).

Toen God tot het oordeel besloot, stelde Hij de mensen een termijn van 120 jaar (Genesis 6:3), “toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten … terwijl de ark gereed gemaakt werd …” (1 Petrus 3:20). Noach die al vele jaren met God geleefd had, moest nu actief worden en de ark bouwen.

Noach wordt ook een “prediker van de gerechtigheid genoemd” (2 Petrus 2:5). Maar de woorden van zijn prediking worden ons niet meegedeeld. God richt onze aandacht veelmeer op dat, wat Noach gedaan had. Juist daarin toont hij zich een voorbeeldig geloof.

Met betrekking tot dit geloof deelt ons Hebreeën 11:7 in totaal zeven dingen mee, die wij op volgorde overdenken willen.

1. De grondslag van het geloof

“… toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had …” – Geloof grondt zich op het Woord van God.

Aan het begin staat de aanwijzing van God. God doet de eerste stap en openbaart iets van Zijn gedachten. Noach reageert daarop met geloof.

Vandaag heeft God Zich volledig geopenbaard. De openbaring is afgesloten en in de Bijbel schriftelijk vastgelegd. Het geloof grondt zich op het Woord van God – juist ook dan, wanneer het om dingen gaat, die het menselijk verstand niet begrijpen kan of die nu nog niet te zien zijn. Het geloof neemt aan, wat God zegt, omdat God het zegt.

2. Het terrein van het geloof

“over de dingen die nog niet gezien werden …” – Geloof heeft met onzichtbare dingen te doen.

God heeft Noach het komende oordeel aangekondigd. Daarvan was nog niets te zien. “Want zoals zij waren in die dagen vóór de zondvloed, etend en drinkend, trouwend en uithuwelijkend, tot op de dag dat Noach in de ark ging, en zij het niet merkten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam …” (Mattheüs 24:38-39). Toen de vloed kwam, was het zichtbaar. Daar was geen sprake meer van geloven, toen was het te laat.

In Mattheüs 24 staat er verder: “… zó zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn”. Van het terugkomen van onze Heer is vandaag nog niets te zien. Ongelovige spotters vragen uitdagend: “Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó als van het begin van de schepping” (2 Petrus 3:3-4). Met andere woorden zeggen zij: “God zal niet onverwacht en in oordeel in de loop van de wereld ingrijpen; zo iets is er nog nooit geweest en zal er ook nooit zijn …” De apostel Petrus antwoord daarop met een verwijzing naar de zondvloed (vers 5-6). Toen heeft God zeer zeker ingegrepen door het oordeel en Hij zal het ook weer doen – niet meer door water, maar door vuur (vers 7).

3. De oefening van het geloof

“… eerbiedig … [door vreze Gods bewogen (vertaler)]” – Geloof bewerkt eerbied voor God [eerbiediging van God (vertaler)]

De overtuiging van het oordeel bewerkt in Noach “vrees” [in de zin van eerbied (vertaler)]. Dat was geen angst – zoals bijvoorbeeld die mensen ondervonden hebben, toen de vloed kwam en zij voor een gesloten deur stonden – maar respect, eerbied voor God [het woord Godsvrucht bergt dat ook in zich (vertaler)].

Het was geen verlammende vrees [eerbied (vertaler)]. Veelmeer zette het hem in beweging. “Door vrees bewogen” begon hij aan de bouw van de ark. Zijn geloof bracht werken tevoorschijn, zoals het altijd zijn zal wanneer er geen dood geloof is (Jakobus 2:17). Een dood geloof zonder werken, zonder de bouw van de ark, zou Noach niet hebben kunnen redden (vergelijk Jakobus 2:14)

Ook voor ons geldt deze volgorde: Geloof – eerbied – werken. Wij kennen bijvoorbeeld “hoezeer de Heer te vrezen is”, wij weten dat de ongelovigen voor de grote witte troon openbaar moeten worden en wat dat betekenen zal. Bewerkt dat bij ons geen woorden en werken?

4. Het werk van het geloof:

“… heeft Noach … een ark gereed gemaakt …” – Geloof maakt actief

De ark gereed maken was een buitengewoon grote opgave, die voor Noach bijna onuitvoerbaar scheen. Want stellen wij eens voor: Daar moet een man een schip bouwen, die waarschijnlijk nog nooit iemand gezien heeft. In ieder geval was er voordien nog nooit zo’n groot schip geweest. Met buitenmaten van ongeveer 150 x 25 x 15 meter1 zou de ark zelfs de meeste schepen van de daarop volgende duizend jaren overtreffen.

De “werf” van Noach lag, zoals wij aannemen, ver weg van de zee. De ark kon je niet in het water laten zinken, maar moest wachten totdat het water tot haar kwam! Men kan zich levendig voorstellen, dat de tijdgenoten van Noach hun hoofden geschud hebben.

Maar wanneer de mensen van hem rekenschap voor zijn buitengewoon doen eisten, was hij zeker elk moment bereid verantwoording af te leggen over de hoop, die in hem was. In overdrachtelijke zin moeet dat bij ons precies zo zijn (1 Petrus 3:15).

De bouw van de ark was dus nauw verbonden met de prediking van Noach. De prediking fundeerde de bouw van de ark en de bouw van de ark maakte zijn prediking geloofwaardig. Zijn woorden en zijn daden pasten bij elkaar.

Ondanks zijn trouw getuigenis zag Noach echter geen of slechts zeer weinig gevolgen. Behalve zijn naaste familie werd niemand gered. Het resultaat van de verkondiging hangt nu eenmaal niet alleen van de verkondiger af, maar ook van de toehoorders. Zelfs de volmaakte “zaaier”, de Heer Jezus, beleefde dat een groot deel van het uitgestrooide zaad geen vrucht bracht (Mattheüs 13:1-23).

Wanneer wij vandaag iets soortgelijks beleven zoals Noach in die eindtijd voor de vloed, moet ons dat niet onzeker of moedeloos maken. Wij moeten zeker verder getuigenis afleggen van de Heer Jezus, zoals ook Noach verder aan de ark bouwde. Toen 119 jaar voorbij gegaan waren en Noach altijd nog – in dit opzicht – zonder vrucht aan de ark bouwde en predikte, gaf hij het niet op! Dag na dag ging hij met zijn werk verder. In een bepaald opzicht werd zijn getuigenis zelfs steeds duidelijker, omdat de ark steeds duidelijker vormen aannam (vergelijk Spreuken 4:18).

5. Het resultaat van het geloof:

“… tot behoudenis van zijn huis …”

God redde Noach en zijn gehele huis, zijn gezin. God heeft altijd het gehele huis op het oog, als het om redding gaat (zie bijvoorbeeld Handelingen 16:15,31-34). Dat heft geenszins de verantwoording van ieder persoonlijk op. De vrouw van Noach, zijn zonen en schoondochters – zij moesten allemaal zelf in de ark gaan.

Aan het voorbeeld van Noach zien wij echter ook de verantwoording van het gezinshoofd. Hij deed al het mogelijke en bouwde door geloof de ark “tot behoudenis van zijn huis”.

6. Het getuigenis van het geloof:

“… waardoor hij de wereld veroordeelde …”

Voor de ongelovige wereld was de bouw van de ark ook een getuigenis, dat hen veroordeelde (Genesis 6:13) en Noach, die dit oordeel accepteerde, betuigde het, doordat hij de ark bouwde.

Toen God de gekruisigde Christus – die de wereld verwierp – uit de doden opwekte, veroordeelde Hij de wereld definitief. De mensheid heeft ook deze laatste beproeving van God niet doorstaan, het boze heeft zijn hoogtepunt bereikt. Iedereen die nu gelooft en zich aan de kant van Christus schaart – bijvoorbeeld door de doop -, erkent dat het oordeel van God en veroordeelt zo de wereld.

Ons mondelinge getuigenis moet er precies zo uitzien: Wij verkondigen de mensen niet alleen de behoudenis [het heil (vertaler)] – als het ware de redding door de ark -, maar moeten ook van het komende oordeel spreken (overeenkomstig de zondvloed). Bij de boodschap van het heil hoort ook de donkere achtergrond van het oordeel, die de redding nog helderder laat schijnen. Zonder deze achtergrond wordt het heil zelfs onvolledig, zoals een ark zonder vloed geen zin gehad zou hebben.

7. Het loon van het geloof:

“… en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar het geloof is” – Geloof wordt beloond

Van Noach kon God betuigen, dat hij rechtvaardig was (Genesis 6:9; 7:1). Hij heeft de gerechtigheid die in overeenstemming met het geloof is en die ter erving voert. Noach zou als loon de nieuwe aarde, de aarde na de vloed, erven. God heeft het geloof van Noach dus niet onbeloond gelaten.

Ook ons geloof wil God belonen. Dat moet ons des te meer aansporen, in deze wereld God door geloof te eren!

NOOT:
1. Ter vergelijking: de ark is daarmee ongeveer 1,5 maal zo groot als een voetbalveld.

Joachim E. Setzer, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM