6 maanden geleden

Gouden appels in zilveren schalen (2)

Tweede dag

In zijn schaduw rusten

“Als een appelboom tussen de bomen van het woud, zo is mijn Liefste tussen de jongemannen. Ik verlang er sterk naar in Zijn schaduw te zitten, en Zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte” (Hooglied 2:3).

Wie van ons in de jachtige bezigheden van het leven heeft niet verlangd naar een rustig uur – voor een paar momenten van vrije tijd, dat onze vermoeide krachten zich zouden ontspannen? Meer dan dat, we weten allemaal dat de lieflijkste rust van alles zou zijn in het gezelschap van onze geliefde Heer en Meester – rustend in Zijn schaduw.

Maar velen slagen er niet in om deze gezegende schaduw te vinden. Ze zoeken tevergeefs, dag in dag uit zwoegend van vermoeidheid en pijnlijk gebukt onder de last van hun dagelijkse beslommeringen. “Zoekt en u zult vinden”, zei onze Heer. Maar dezen slagen er niet in om rust te vinden omdat ze een plaats zoeken, en geen Persoon. Christus Zelf is “de appelboom”. Aan Zijn voeten is zowel rust als opgetogenheid.

Sommige vermoeide harten zoeken rust in de eenzaamheid van de natuur. Maar die schaduw die rust geeft voor de ziel van de gelovige is niet te vinden te midden van eenzame heuvels en ook niet op een open plaats in het bos. Sommigen zoeken vrede voor hun vermoeide hart in donkere kloosters met religieuze roem.

Sommigen gaan zich terugtrekken in de stille routine van een monnikachtige retraite, waar het hart, verlost van de plichten en verantwoordelijkheden van het leven, liefdevol maar tevergeefs hoopt binnen de gevangenismuren van de aarde de rust van de hemel te vinden. Misschien vinden ze verlichting voor lichaam en geest, maar er is geen rust voor de ziel, zonder Christus Zelf te kennen en van Hem te genieten.

Alleen de schaduw van de appelboom, Christus Zelf, zal vermoeide heiligen voldoening geven en verfrissen. We moeten Hem zoeken Die onze zielen heeft geleerd lief te hebben. Niemand anders en niets anders kan een plaatsvervanger voor Hem zijn. Laten we zoals de bruid in het Hooglied zeggen: “Laat ik toch opstaan en in de stad rondtrekken, door de straten en over de pleinen, Hem zoeken, Die ik innig liefheb (Hooglied 3:2). Ik zal met grote vreugde in Zijn schaduw gaan zitten.

* * * * *

Schaduw figuurlijk gebruikt, komt vaak voor in de Schrift. Het figuur varieert enigszins in de toepassing van de betekenis ervan, maar het geeft over het algemeen de hulp en de bescherming weer die God biedt aan degenen die op Hem vertrouwen.

In de ene passage is het de schaduw van een wolk aan de hemel die door de verzengende hitte wordt afgetast (Jes. 25:4,5); in een andere de schaduw van een grote rots voor de vermoeide reiziger in een dorstig land (Jes. 32:2); en in weer een andere de behaaglijke schaduw van een prachtige appelboom met zijn groene bladeren en zijn weelderige vruchten (Hooglied 2:3). Maar de Ene Die in alle passages aanwezig is, is Dezelfde. Hij is die Ene, geliefd en aanbeden door alle geredde mensen. Zijn schaduw is een onfeilbare en een hemelse verrukking.

Schaduw! Hoe levendig spreekt de schaduw ook voor ons! Maar denk aan de vermoeide pelgrim in landen uit de Bijbel, die over het woestijnzand zwoegt in de felle gloed van een drukkend hete, wolkenloze hemel, zijn handen lusteloos, zijn voeten als van lood, zijn levenskracht snel weg ebbend. En bedenk wat de aanblik van een schaduwplek voor hem betekent! Het lijkt het leven zelf voor hem. In de koele schaduw kan hij, die klaar was om te sterven, rusten en zijn verloren energie terugkrijgen.

Zovelen van Gods volk worden moe van het goede te doen, omdat zij overbelast raken door de zorgen en angsten van dit huidige leven. In huis, op kantoor en de werkplaats, in privé en in het openbare leven, is er een onophoudelijke uitputting van de vitale energieën van lichaam en geest. Elke zenuw schreeuwt luid om verlichting, om rust.

Moderne omstandigheden vormen een voortdurende bedreiging voor het welzijn van de ziel. Tijd, het denken en financiële middelen vergen veel meer van het uithoudingsvermogen om rond te komen in zaken van het dagelijks bestaan. Ware kinderen van God worden gehaat en gehinderd. Ze zijn zo uitgeput dat ze geen rustig moment lijken te vinden voor gebed, lofprijzing en het lezen van de Bijbel.

Dan, als de zenuw-spanning hen dichter en dichter bij het breekpunt brengt, hoe verlangen ze naar enige verlichting! De enorme last en de hitte van de dag zorgen ervoor, dat ze de horizon aandachtig afzoeken op het zien van een of andere schaduwplek. Tot nu toe zijn ze Hem vergeten Die hun Schild en Beschermer is, en hebben ze zich, eigenzinnig maar wanhopig, op eigen kracht voortgesleept. Nu, deze bezwijkende zielen roepen uit: “U, Die ik innig liefheb, maak mij bekend waar U de kudde weidt, waar U die op de middag laat rusten” (Hooglied 1:7).

Het is droevig als een van de heiligen van God het persoonlijk contact met de Meester zou verliezen. Het is triest als iemand, die de verantwoordelijkheden van het leven alleen op eigen kracht onder ogen ziet, overspannen en nerveus wordt en ten onder gaat door de sterke, overweldigende stroom van dagelijkse taken. Waarom zouden de kinderen van God aan de wereld zo’n jammerlijke zwakheid en falen laten zien wanneer de Machtige nabij is om hen te dragen, hen er doorheen te voeren, om voor hen de overwinning over elke vijand te verzekeren?

Waarom zouden we steeds verder moeten zwoegen in de brandende zonnestralen wanneer de koelte van Zijn schaduw dichtbij is voor onze huidige rust? Daar in Hem kunnen we blijven – niet slechts rusten voor een moment, maar altijd. Want als we willen, kunnen we zelfs nu de waarheid van die duizendjarige belofte bewijzen: “Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige“ (Ps. 91:1).

Oh, de rust en vreugde van de schaduw van de Almachtige! Daar vinden we absolute bescherming en volledige verlichting. Maar daar vinden we ook gemeenschap met de Heer, en dit is zoeter dan alleen vrij te zijn van zorg. “Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgeboom was, zag Ik je”, zei de Heer eens tegen de verbaasde Israëliet, voor wie deze woorden een openbaring waren. En Nathanaël bekende: “Rabbi, U bent de Zoon van God; U bent [de] koning van Israël” (Joh. 1:49-50).

Gezeten onder Zijn schaduw, zullen ook wij van Zijn eigen woorden de geheimen van Zijn Persoon leren. In de verfrissende stilte van Zijn tegenwoordigheid zullen we leren Wie Hij is, wat Hij heeft gedaan en wat Hij kan doen; juist wanneer we wankelend en strompelend over het zongebruinde zand gaan, leren we de vernederende lessen van wat we niet kunnen doen.

Er was vanouds schaduw onder de palmbomen van Elim voor de pelgrims. En er is nu een schaduw van rust voorzien voor alle vermoeiden. De Heer roept ons op om deze ontmoeting met Hemzelf te hebben. Hij zegt, zoals Hij lang geleden tegen Zijn discipelen zei: “Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk naar een woeste plaats, en rust wat” (Mark. 6:31).

Laten we niet vergeten dat we niet ver hoeven te gaan om deze schaduw te vinden. De Heer is nabij. Alleen als we het hebben gevonden, laten we daar dan gaan zitten, zodat Zijn aanwezigheid onze verblijfplaats wordt.

Daar leren we hoe de Heer ons van achteren en van voren omringt; hoe Zijn hand ons leidt; hoe Zijn rechterhand ons verdedigt. Rustend in Zijn schaduw zullen we geen andere schaduwen vrezen: “Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij” (Ps. 23:4).

Wordt D.V. vervolgd.

W. J. Hocking

Tweede druk, C. A. Hammond, 1945.

Bewerkt uit het Engels.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol