2 maanden geleden

Gouden appels in zilveren schalen (11)

Elfde dag

Onze schreden vast maken


“Hij beurde mij op uit een kuil vol kolkend water, uit modderig slijk; Hij zette mijn voeten op een rots en maakte mijn schreden vast. Hij legde mij een nieuw lied in de mond, een lofzang voor onze God. Velen zullen het zien en vrezen, en op de HEERE vertrouwen”
(Ps. 40:3,4).

Omhoog vanuit het moeras van de zonde naar de bergtop waar geen wolken de heerlijkheid van de opgevaren Christus verduisteren; omhoog vanuit de schuilplaats van schaamte naar de “Rots die hoger is dan ik” – dat is de verheffing van genade.

Daar in die hoogten van goddelijke gunst kunnen de verlosten van de Heer, hoewel nog in de woestijn, hun nieuwe en hemelse liederen zingen, ver boven het rumoer van aardse strijd, in geloof aan de ruime poort van gelukzaligheid zelf, hoewel nog niet feitelijk binnen de hoven van eeuwige vrede en vreugde.

Is dan ons nieuwe leven alleen een onophoudelijk lied? Zeker, we moeten altijd zingen: “Zonder ophouden, zing”. Maar er zijn ook andere ervaringen. Er zijn kliffen te beklimmen, stromen te doorwaden, woestijnen door te gaan, vijanden te overwinnen. Dat zijn onze “schreden”.

Het is een nieuwe “positie” die we op de Rots hebben, maar er is ook een nieuwe “schrede”. Het is goed om niet langer te worstelen en weg te glijden in het modderige slijk, maar om standvastig te rusten met de voeten op de levende Rots, de Rots der eeuwen. Maar het is niet genoeg om altijd te staan, of het nu ‘op uw gemak’ is of zelfs ‘in de houding’; in het christelijke leven moet er beweging zijn; er moet vooruitgang worden geboekt. De gelovige is geen standbeeld op een solide voetstuk; hij is een reiziger, een klimmer. Er zijn “schreden” achter hem en vóór hem.

Het Woord van de Heer aan ons, zoals het was aan Israël vanouds, is: “Ga voorwaarts”. Het leven van het geloof is er een van gestage beweging naar voren en naar boven, van pijnlijk streven naar een doel, van voetgangersinspanning in plaats van kalme, gemakkelijke, snelle vooruitgang.

Er zijn geen gemotoriseerde wegen voor het geloof, maar ruige voetpaden over verlaten heidevelden en steile bergtoppen. We hebben Iemand nodig om ons voor te bereiden. En we hebben zo Iemand in de moeilijke reis van het leven. Onze God richt de schreden van hen die hun vertrouwen stellen op Hem, de levende God en Vader. Onze Heer is nabij om te voorkomen dat we vallen.

In de evangeliën hebben we vele beelden van lammen, die gingen lopen. Kom mee naar de vijver van Bethesda, en de menigte van machtelozen in zijn poort. Beschouw één hopeloze zaak onder hen. Denk aan de achtendertig jaar lang, machteloos in zwakheid; achtendertig jaar falen om het eerst in het water van genezing te duiken en kracht te verwerven om rechtop te staan en te lopen zoals een man zou moeten doen.

Denk dan aan het beeld van datzelfde verminkte gezicht van de Man van Nazareth – een nederige gestalte, een medelijdende blik, een fluisterend woord. Zie, hij staat op, komt overeind, neemt zijn rustbed op en wandelt. Voor zo’n man was alleen staan al een wonder van inspanning; lopen was een wonder van beweging. De Heer richtte zijn schreden, en vond hem daarna in de tempel.

Zo werd de zwakkere mens, door het woord van de Heer, uit de modderige kuil van zwakheid en wanhoop opgericht, waar hij niet kon staan. Door de kracht van de Heiland stond hij op de rots van de redding. Diezelfde macht richtte zijn schreden, zodat hij wandelde in het bijzijn van de grote menigte van machteloze mensen die zich daar verzameld hadden.

Er zou kunnen worden gezegd van de genezen kreupele in Bethesda, zoals ook van een andere in de tempelpoort: “Al het volk zag hem lopen en God prijzen” (Hand. 3:9). Beiden waren opgeheven uit het modderige slijk en hun schreden waren een voortdurend getuigenis van de Naam van de Heer Jezus.

Het woord “schreden” komt overeen met “stappen” en de zin “maakte mijn schreden vast” in Psalm 40 vers 2 is in een andere vertaling als volgt weergegeven: “stelde me in staat om stevig te stappen”. Vrijheid, kracht en standvastigheid waren geschonken.

Stevige passen zijn niet mogelijk als je voeten in modderig slijk staan. Maar stabiliteit komt wanneer de voeten op de Rots zijn geplaatst. Op bevel van zijn Meester werd Simon Petrus in staat gesteld om zijn voeten stevig op de “vloeibare” golven te zetten; en door zijn “schreden” over de wateren werd hij een treffend getuige van de kracht van Christus, waardoor een mens boven de ergste beperkingen van de natuur uitstijgt.

Maar toen Petrus in de raad van de goddelozen wandelde en op de weg van de zondaars stond, en op de zetel van de spotters zat (verg. Ps. 1:1), daalde zijn houding af van de weg van het getrouwe getuigenis. In het paleis van de hogepriester was Petrus weer in het modderige slijk en zijn stappen begonnen te glijden.

Als de apostel een voorzichtige man was geweest en goed op zijn schreden had gelet (verg. Spr. 14:15), zou hij in Getsémané hebben gewaakt en gebeden en de plaats van verleiding onder de vijanden van Christus hebben vermeden. Maar daar waren de voeten van Petrus bijna verdwenen; zijn voeten (schreden) waren bijna uitgegleden (Ps. 73:2). Gelukkig ondersteunde de Heer hem en verloste hem (Ps. 119:117). Hij haalde hem uit de vreselijke kuil en maakte zijn schreden vast.

Maar zelfs als we voorzichtig zijn en niet de glibberige paden van verleiding kiezen, moeten we niet verwachten dat we de ruige wegen van moeite en beproeving kunnen ontvluchten. Niettemin, in de laatstgenoemde, zegt Hij die in overeenstemming met deze oudtestamentische zin “onze schreden vast maakt”, tegen ons in nieuwtestamentische verzekering: “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor. 12:9).

Op de ongeplaveide wegen van het discipelschap van Christus kunnen we altijd rekenen op zegen van Aser: “Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn; laat uw kracht (of rust) zijn overeenkomstig uw dagen” (Deut. 33:25).

Wanneer de fundamenten van het pure getuigenis vernietigd lijken en het moeilijk is om vanuit het geloof tegenover de menigte afvalligen te staan, kunnen we toch zingen, zoals Habakuk: “De HEERE Heere is mijn kracht, Hij maakt mijn voeten als die van de hinden, en Hij doet mij treden op mijn hoogten” (Hab. 3:19). De schreden van de profeet waren vast, hoewel de Chaldeeën Juda en Jeruzalem overstroomden.

We zijn onderweg en onze “schreden” voeren naar het huis van de Vader. Zeggen we soms, zoals Thomas: “… hoe kunnen wij de weg weten?”. Het antwoord van de Heer is opgetekend om ons te bevestigen: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh. 14:6).

Als Hij de Weg is, moeten we met Hem wandelen en zullen we zijn juk gemakkelijk vinden en Zijn last licht. Als we met Hem wandelen, zijn onze activiteiten werkelijk vast gevestigd, want ze worden als Zijn schreden (verg. 1 Joh. 2:6). Onze vooruitgang is bestendig. We leren om “in ’t gelid te blijven” met Hem en met elkaar.

Als we Christus op de voet volgen, struikelen we of dwalen we niet. Zijn hand ondersteunt en begeleidt ons. De Israëlieten hadden leiding in de woestijn nodig; zij wisten de weg niet, en waren “geneigd om te dwalen”. Daarom nam de HEER hen bij de hand en leidde hun voetstappen (Jer. 31:32). Dus toen de Heer Jezus de blinde man bij de hand nam en hem naar buiten leidde, waren zijn schreden veilig en zeker in de hand van Jezus (Mark. 8:23).

Voelen we niet onze behoefte aan de persoonlijke aanraking van een Hand van boven? Wat anders dan de almachtige Hand van liefde kan onze schreden vast maken, en ons standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer houden? (verg. 1 Kor. 15:58).

 

Blest Lord of love! Through all my pilgrim days,
Hold Thou my hand!
In wilful moods, in idle moments, too,
Hold Thou my hand!
Thy hand upholds the heavens, the earth, the sea
In pitying grace Thy hand was pierced for me.

Should crowding trials shake my faith in Thee,
Hold Thou my hand!
When hellish hosts my onward way oppose,
Hold Thou my hand!
No foe I’ll fear, nor sorrows keen and deep,
Since Thou art near, my trembling heart to keep.

When days be bright, and sunshine cheers me on,
Hold Thou my hand!
Should warfare cease, and Satan seem to sleep,
Hold Thou my hand!
My treacherous heart might lead me far from Thee,
Forgetting soon Thy death, Thy life, for me.

Blest Lord of grace! So patient, tender, true!
Hold Thou my hand!
So changeful I! So apt from Thee to turn!
Hold fast my hand!
May Thy strong hand still hold me evermore,
Till home at last, my pilgrim needs be o’er.1

NOOT VERTALER:
1. Voor hen die de Engelse taal beheersen een lied/gedicht. Het is nogal moeilijk om dit in het Nederlands begrijpelijk over te brengen, vandaar deze keus om het in het Engels te laten.

W.J. Hocking

Tweede druk, C.A. Hammond, 1945.
Bewerkt uit het Engels.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM